Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 87

Toon praktische wijsheid: Denk vooruit

Toon praktische wijsheid: Denk vooruit

LUKAS 16:1-13

  • ILLUSTRATIE VAN DE ONRECHTVAARDIGE BEHEERDER

  • ‘MAAK VRIENDEN’ MET BEHULP VAN JE RIJKDOM

Jezus heeft zojuist de illustratie verteld van de verloren zoon. De aanwezige belastinginners, schriftgeleerden en farizeeën zouden nu goed moeten begrijpen dat God bereid is om berouwvolle zondaars te vergeven (Lukas 15:1-7, 11). Nu richt Jezus zich tot zijn discipelen. Opnieuw gebruikt hij een illustratie, ditmaal over een rijke man die hoort dat zijn beheerder zijn werk niet goed heeft gedaan.

Jezus vertelt dat de beheerder ervan wordt beschuldigd dat hij slecht voor de bezittingen van zijn meester heeft gezorgd. De meester zegt daarom dat hij ontslagen zal worden. ‘Wat moet ik doen?’, vraagt de beheerder zich af. ‘Mijn meester wil het beheer van me afnemen. Ik ben niet sterk genoeg om op het land te werken en ik schaam me om te bedelen.’ Hij wil voorbereid zijn op wat komen gaat en zegt bij zichzelf: ‘Ik weet al wat ik zal doen om ervoor te zorgen dat mensen me in hun huis zullen ontvangen wanneer ik straks als beheerder ontslagen ben!’ Onmiddellijk roept hij iedereen bij zich die een schuld heeft en vraagt ze: ‘Hoeveel ben je mijn meester schuldig?’ — Lukas 16:3-5.

De eerste zegt: ‘Honderd maten olijfolie.’ Dat is 2200 liter. Het kan zijn dat de man een grote olijfboomgaard heeft of in olijfolie handelt. De beheerder zegt: ‘Hier is de geschreven overeenkomst. Ga zitten en schrijf vlug 50 op’ (Lukas 16:6).

De beheerder vraagt een ander: ‘En jij, hoeveel ben jij hem schuldig?’ Het antwoord: ‘Honderd maten tarwe.’ Dat is 22.000 liter. De beheerder verlaagt de schuld met 20 procent en zegt tegen deze man: ‘Hier is de geschreven overeenkomst. Schrijf 80 op’ (Lukas 16:7).

De beheerder gaat nog steeds over de financiën van zijn meester, dus in zekere zin is hij bevoegd om zulke schulden te verlagen. Door dit te doen, maakt hij zich geliefd bij degenen die hem kunnen helpen als hij straks zijn werk kwijt is.

Op een gegeven moment hoort de meester wat er is gebeurd. Hoewel hij nu geld misloopt, is hij onder de indruk en prijst de beheerder. Die is weliswaar ‘onrechtvaardig’, maar hij is wel ‘met praktische wijsheid te werk gegaan’. Jezus voegt eraan toe: ‘De zonen van deze wereld gaan slimmer met elkaar om dan de zonen van het licht’ (Lukas 16:8).

Jezus praat niet goed wat de beheerder heeft gedaan. Ook moedigt hij niet aan tot sluwe zakenpraktijken. Wat wil hij dan duidelijk maken? Hij dringt er bij de discipelen op aan: ‘Maak vrienden met behulp van de onrechtvaardige rijkdom, zodat zij je in de eeuwige woonplaatsen zullen ontvangen wanneer die rijkdom wegvalt’ (Lukas 16:9). Deze illustratie gaat dus over vooruitdenken en praktische wijsheid. Gods aanbidders, ‘de zonen van het licht’, moeten hun  geld en bezittingen verstandig gebruiken, met de eeuwige toekomst in gedachten.

Alleen Jehovah en zijn Zoon kunnen iemand ontvangen in het hemelse Koninkrijk of in het paradijs op aarde. We moeten investeren in onze vriendschap met hen door onze materiële bezittingen te gebruiken ten behoeve van de Koninkrijksbelangen. Onze eeuwige toekomst zal dan verzekerd zijn, ook als goud, zilver en andere bezittingen zouden wegvallen.

Jezus laat bovendien uitkomen dat iemand die betrouwbaar is bij het gebruik van zijn materiële bezittingen, ook betrouwbaar zal zijn als het gaat om zaken die belangrijker zijn. Hij zegt: ‘Als je dus niet betrouwbaar blijkt te zijn als het gaat om de onrechtvaardige rijkdom, wie zal dan de ware rijkdom [zoals de Koninkrijksbelangen] aan je toevertrouwen?’ — Lukas 16:11.

Jezus wijst zijn discipelen erop dat er veel van ze zal worden gevraagd als ze ‘de eeuwige woonplaatsen’ willen binnengaan. Niemand kan Jehovah dienen en tegelijkertijd een slaaf zijn van materiële, ‘onrechtvaardige rijkdom’. Jezus stelt vast: ‘Een knecht kan niet twee meesters dienen: óf hij zal de een haten en van de ander houden, óf hij zal juist aan de eerste gehecht zijn en de ander verachten. Je kunt niet God én de Rijkdom dienen’ (Lukas 16:9, 13).