Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 79

Waarschuwing voor een komende vernietiging

Waarschuwing voor een komende vernietiging

LUKAS 13:1-21

  • EEN LES UIT TWEE TRAGISCHE GEBEURTENISSEN

  • KREUPELE VROUW GENEZEN OP DE SABBAT

Jezus heeft al op verschillende manieren geprobeerd de mensen te laten nadenken over de vraag hoe God ze beziet. Na zijn gesprek met de mensen bij het huis van de farizeeër doet zich opnieuw een gelegenheid voor.

Sommigen beginnen over een tragische gebeurtenis. Ze vertellen over ‘de Galileeërs van wie [de Romeinse bestuurder Pontius] Pilatus het bloed vermengd had met hun offers’ (Lukas 13:1). Waar hebben ze het over?

Misschien gaat het hier om degenen die zijn gedood bij een massaal Joods protest tegen Pilatus. Die had namelijk geld uit de schatkist van de tempel gebruikt voor de bouw van een aquaduct dat Jeruzalem van water moest voorzien. Het is mogelijk dat Pilatus met medewerking van het tempelbestuur aan dit geld was gekomen. Degenen die over dit tragische voorval beginnen, denken misschien dat de Galileeërs zijn omgekomen omdat ze slechte dingen hebben gedaan. Jezus denkt er anders over.

Hij vraagt: ‘Denken jullie dat deze Galileeërs ergere zondaars waren dan alle andere Galileeërs omdat hun dit is overkomen?’ Jezus zegt dat dit niet het geval is. Maar hij gebruikt deze gebeurtenis wel om de Joden te waarschuwen: ‘Als jullie geen berouw hebben, zullen jullie allemaal omkomen, net als zij’ (Lukas 13:2, 3). Dan verwijst hij naar een andere tragedie die misschien onlangs heeft plaatsgevonden en die met de bouw van het aquaduct te maken kan hebben gehad. Hij vraagt:

‘Of neem de 18 die werden gedood doordat de toren van Siloam op ze viel. Denken jullie dat zij schuldiger waren dan alle andere inwoners van Jeruzalem?’ (Lukas 13:4) De mensen denken misschien dat die personen zijn omgekomen vanwege bepaalde persoonlijke zonden. Weer zegt Jezus dat dit niet zo is. Hij weet dat ‘tijd en toeval’ een rol kunnen spelen, misschien ook bij deze ramp (Prediker 9:11). Maar de mensen zouden wel een belangrijke les moeten leren van dit voorval: ‘Als jullie geen berouw hebben, zullen jullie allemaal omkomen, net als zij’ (Lukas 13:5). Waarom benadrukt hij dit punt juist nu?

Het heeft te maken met het feit dat Jezus al een hele tijd bezig is met zijn bediening. Hij illustreert dit als volgt: ‘Een man had een vijgenboom in zijn wijngaard staan en ging kijken of er vruchten aan zaten, maar hij vond er geen. Toen zei hij tegen de wijnbouwer: “Ik kom nu al drie jaar kijken of er vruchten aan deze vijgenboom zitten, maar ik vind er nooit een. Hak hem om! Waarom zou hij nog grond in beslag nemen?” De wijnbouwer antwoordde: “Meester, laat hem nog één jaar staan, tot ik de grond eromheen heb omgespit en bemest. Als hij in de toekomst vruchten oplevert, dan is het goed. Zo niet, hak hem dan maar om”’ (Lukas 13:6-9).

Jezus probeert nu al meer dan drie jaar het geloof van de Joden te versterken. Toch heeft dit werk niet veel opgeleverd; naar verhouding zijn maar weinig Joden discipelen geworden. Nu, in het vierde jaar van zijn bediening, doet Jezus een extra inspanning door te prediken en te onderwijzen in Judea en Perea, alsof hij de grond rondom de Joodse ‘vijgenboom’ omspit en bemest. En wat zijn de resultaten? Slechts een klein aantal Joden reageert positief. Het volk als geheel heeft  geen berouw en staat op het punt vernietigd te worden.

Al snel komt die negatieve houding weer duidelijk aan het licht op een sabbat. Jezus geeft onderwijs in een synagoge. Daar ziet hij een vrouw die al 18 jaar wordt gekweld door een demon en daardoor helemaal krom loopt. Jezus toont zijn medegevoel en zegt: ‘Vrouw, je bent van je kwaal verlost’ (Lukas 13:12). Hij legt zijn handen op haar en meteen gaat ze rechtop staan en begint God te loven.

Geïrriteerd zegt de bestuurder van de synagoge: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom op die dagen om genezen te worden en niet op de sabbat’ (Lukas 13:14). Deze man ontkent niet dat Jezus de macht heeft om te genezen. Wel neemt hij het de mensen kwalijk dat ze genezen willen worden op de sabbat. Jezus doet een beroep op het gezonde verstand als hij zegt: ‘Huichelaars! Jullie maken op de sabbat toch ook je stier of ezel los en leiden hem uit de stal weg om hem te drinken te geven? Deze vrouw is een dochter van Abraham en werd door Satan 18 jaar gevangen gehouden. Mocht ze hiervan dan niet op de sabbat worden verlost?’ — Lukas 13:15, 16.

Dit brengt zijn tegenstanders in verlegenheid. Maar de menigte is blij met de geweldige dingen die ze Jezus zien doen. Dan herhaalt Jezus hier in Judea twee profetische illustraties over het Koninkrijk die hij al eerder heeft verteld vanaf een bootje aan het Meer van Galilea (Mattheüs 13:31-33; Lukas 13:18-21).