Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 75

Jezus legt uit wat echt gelukkig maakt

Jezus legt uit wat echt gelukkig maakt

LUKAS 11:14-36

  • DEMONEN UITDRIJVEN MET ‘GODS VINGER’

  • DE BRON VAN ECHT GELUK

Jezus heeft zojuist zijn onderwijs over het gebed herhaald, maar dat is niet het enige onderwerp dat meer dan eens ter sprake komt tijdens zijn bediening. Toen hij wonderen deed in Galilea, kreeg Jezus te maken met de valse beschuldiging dat hij dit deed met de hulp van de heerser van de demonen. Nu, in Judea, steekt die beschuldiging weer de kop op.

Als Jezus een man bevrijdt van een demon en die man vervolgens weer kan praten, staat de menigte versteld. Maar dat geldt niet voor zijn tegenstanders. Die komen weer met dezelfde valse beschuldiging: ‘Hij drijft de demonen uit met de hulp van Beëlzebub, de heerser van de demonen’ (Lukas 11:15). Anderen willen meer bewijs dat Jezus de Messias is en vragen hem om een teken uit de hemel.

Jezus beseft dat ze hem op de proef willen stellen en geeft ze hetzelfde antwoord dat hij zijn tegenstanders in Galilea gaf. Hij zegt dat elk koninkrijk dat verdeeld raakt ten val zal komen, en zegt dan over Satan: ‘Als hij zich tegen zichzelf keert, hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden?’ Vervolgens zegt hij onomwonden: ‘Als ik met behulp van Gods vinger de demonen uitdrijf, dan is Gods Koninkrijk ongemerkt bij jullie gekomen’ (Lukas 11:18-20).

Dat Jezus de uitdrukking ‘Gods vinger’ gebruikt, zou zijn toehoorders moeten herinneren aan wat er eerder in de geschiedenis van Israël was gebeurd. Toen Mozes aan het hof van de farao een wonder deed, riepen de aanwezigen uit: ‘Het is de vinger van God!’ En het was ook ‘Gods vinger’ die de tien geboden schreef op twee stenen platen (Exodus 8:19; 31:18). Ook nu is het ‘Gods vinger’ — zijn heilige geest of werkzame kracht — die Jezus in staat stelt demonen uit te drijven en zieken te genezen. Het Koninkrijk van God is inderdaad ongemerkt bij deze tegenstanders gekomen, want de toekomstige Koning van dit Koninkrijk, Jezus, doet al deze dingen terwijl hij in hun midden is.

Jezus’ vermogen om demonen uit te drijven bewijst dat hij machtiger is dan Satan, net als wanneer een goed bewapende man die een paleis bewaakt, wordt overmeesterd door een man die nog sterker is. Jezus herhaalt ook zijn illustratie over een onreine geest die een man verlaat. Als die man de leegte niet vult met goede dingen, zal de geest terugkomen met zeven anderen waardoor de man er uiteindelijk slechter aan toe is dan in het begin (Mattheüs 12:22, 25-29, 43-45). Dit laatste blijkt ook het geval te zijn met het volk Israël.

Dan roept een vrouw die naar Jezus luistert: ‘Gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borsten die u hebben gevoed!’ Joodse vrouwen hoopten de moeder te worden van een profeet, vooral van de Messias. Daarom denkt de vrouw misschien dat Maria wel buitengewoon gelukkig moet zijn met een zoon die zo goed kan onderwijzen. Maar Jezus corrigeert haar op dit punt en zegt wat écht gelukkig maakt: ‘Nee, gelukkig zijn degenen die het woord van God horen en zich eraan houden!’ (Lukas 11:27, 28) Jezus heeft nooit de indruk gewekt dat Maria speciale eer zou moeten krijgen. Het gaat niet om familiebanden of prestaties. Iedereen, man of vrouw, kan echt geluk ervaren door een trouwe aanbidder van God te zijn.

Net als in Galilea, wijst hij ook hier de mensen terecht omdat ze een teken uit de hemel eisen. Hij zegt dat ze ‘geen ander teken zullen krijgen dan dat van Jona’. Jona was niet alleen ‘een teken’ door zijn verblijf van drie dagen in de vis, maar ook door zijn moedige prediking die de inwoners van Ninevé tot berouw bracht. Jezus zegt: ‘Maar kijk! Meer dan Jona is hier’ (Lukas 11:29-32). Jezus is ook meer dan koning Salomo, naar wie de koningin van Scheba ging om zijn wijsheid te horen.

‘Als je een lamp aansteekt,’ voegt Jezus eraan toe, ‘zet je die niet in een kelder of onder een emmer maar op een standaard’ (Lukas 11:33). Hij bedoelt wellicht dat onderwijs geven en wonderen  doen ten overstaan van deze mensen net zoiets is als het verbergen van het licht van een lamp. Omdat hun geestelijke kijk niet zuiver is, zien deze mensen niet in wat het doel is van Jezus’ bediening.

Jezus heeft net een demon uitgedreven, waardoor een man weer kan praten. Dat zou mensen ertoe moeten aanzetten om God te verheerlijken en anderen te vertellen wat Jehovah tot stand brengt. Daarom waarschuwt Jezus zijn tegenstanders: ‘Let er dus goed op dat het licht dat in je is, geen duisternis blijkt te zijn. Als daarom je hele lichaam verlicht is en geen enkel deel donker is, zal het hele lichaam net zo licht zijn als wanneer een lamp je met zijn stralen verlicht’ (Lukas 11:35, 36).

Meer info

Maria — „Zie! Jehovah’s slavin!”

Wat onthult Maria’s antwoord aan de engel Gabriël over haar geloof? Welke andere waardevolle eigenschappen toonde ze?