Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 36

Een legerofficier met een groot geloof

Een legerofficier met een groot geloof

MATTHEÜS 8:5-13 LUKAS 7:1-10

  • DE DIENAAR VAN EEN LEGEROFFICIER WORDT GENEZEN

  • MENSEN MET GELOOF ZULLEN GEZEGEND WORDEN

Nadat Jezus de Bergrede heeft uitgesproken, gaat hij naar Kapernaüm. Daar komen een paar oudsten van de Joden naar hem toe. Ze zijn gestuurd door iemand uit een andere cultuur, een Romeinse legerofficier of centurio.

Deze legerofficier heeft een dienaar op wie hij erg gesteld is. De dienaar is ernstig ziek en ligt op sterven. De centurio is een heiden, maar toch vraagt hij Jezus om hulp. De Joden vertellen Jezus dat de dienaar ‘thuis verlamd op bed ligt, en vreselijk lijdt’, mogelijk met verschrikkelijke pijn (Mattheüs 8:6). Ze verzekeren Jezus ervan dat deze centurio het echt waard is om geholpen te worden: ‘Hij houdt van ons volk en heeft de synagoge voor ons laten bouwen’ (Lukas 7:4, 5).

Al snel is Jezus met de oudsten op weg naar het huis van de legerofficier. Als ze in de buurt komen, stuurt de officier zijn vrienden om te zeggen: ‘Mijnheer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Om die reden ben ik niet zelf naar u toe gekomen’ (Lukas 7:6, 7). Wat een nederige houding voor iemand die gewend is bevelen uit te delen! Het laat zien dat deze man heel anders is dan Romeinen die hun slaven wreed behandelen (Mattheüs 8:9).

De centurio weet vast heel goed dat Joden geen omgang hebben met niet-Joden (Handelingen 10:28). Misschien is dat wel de reden waarom hij zijn vrienden deze boodschap laat overbrengen: ‘U hoeft het alleen maar te zeggen en dan wordt mijn dienaar beter’ (Lukas 7:7).

Jezus staat versteld en zegt: ‘Ik zeg jullie: zelfs in Israël heb ik niet zo’n groot geloof gevonden’ (Lukas 7:9). Als de vrienden terugkomen bij het huis van de legerofficier ontdekken ze dat de slaaf die doodziek was, weer gezond is.

Nu maakt Jezus van de gelegenheid gebruik om duidelijk te maken dat gelovige niet-Joden gezegend zullen worden: ‘Velen uit het oosten en het westen zullen komen en met Abraham, Isaäk en Jakob aan tafel gaan in het Koninkrijk van de hemel.’ En hoe zit het met Joden die niet geloven? Jezus zegt dat zij ‘eruit gegooid zullen worden, de duisternis in. Daar zullen ze jammeren en knarsetanden’ (Mattheüs 8:11, 12).

De Joden krijgen als eersten de mogelijkheid om samen met Jezus deel uit te maken van het Koninkrijk. Degenen die daar geen gebruik van maken, worden dus verworpen. Maar heidenen zullen worden uitgenodigd om als het ware met Jezus aan tafel te gaan, ‘in het Koninkrijk van de hemel’.