Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jezus: De weg, de waarheid, het leven

 HOOFDSTUK 54

Jezus is ‘het brood van het leven’

Jezus is ‘het brood van het leven’

JOHANNES 6:25-48

  • JEZUS IS ‘HET BROOD UIT DE HEMEL’

Ten oosten van het Meer van Galilea heeft Jezus door een wonder duizenden mensen te eten gegeven. Daarna wist hij te voorkomen dat ze hem koning maakten. Die nacht liep hij tijdens een storm over het water en redde hij Petrus, die ook over het water liep maar begon te zinken toen hij ging twijfelen. Jezus bracht ook de wind tot bedaren, waarmee hij mogelijk voorkwam dat zijn discipelen schipbreuk leden.

Nu is Jezus terug aan de westelijke oever van het meer, in de omgeving van Kapernaüm. Degenen die door een wonder te eten hadden gekregen, vinden hem en willen van hem weten: ‘Wanneer bent u hier gekomen?’ Jezus verwijt deze mensen dat ze hem alleen maar zoeken om weer eten te krijgen en geeft ze de aansporing: ‘Werk niet voor het voedsel dat bederft maar voor het voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft.’ Daarom vragen ze: ‘Wat moeten we doen? Hoe kunnen we het werk van God doen?’ — Johannes 6:25-28.

Ze denken misschien aan een of ander voorschrift in de wet, maar Jezus geeft aan wat het belangrijkste is: ‘Dit is het werk van God: dat je gelooft in degene die hij gestuurd heeft.’ Maar de mensen geloven niet in Jezus, ondanks alles wat hij heeft gedaan. Ze willen een teken zien. ‘Welk werk kunt u doen?’, vragen ze. ‘Onze voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten, zoals geschreven staat: “Hij gaf ze brood uit de hemel te eten”’ (Johannes 6:29-31; Psalm 78:24).

Hierop maakt Jezus duidelijk wie in werkelijkheid degene is die wonderen doet en ze op die manier geeft wat ze nodig hebben: ‘Ik verzeker jullie: het is niet Mozes die jullie het brood uit de hemel heeft gegeven. Mijn Vader geeft jullie het echte brood uit de hemel. Want het brood van God is degene die neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld.’ Ze begrijpen Jezus verkeerd en vragen dringend: ‘Heer, geef ons altijd dit brood’ (Johannes 6:32-34). Maar wat is het ‘brood’ waar Jezus het over heeft?

Hij legt uit: ‘Ik ben het brood van het leven. Wie bij mij komt zal geen honger meer krijgen, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen. Maar zoals ik tegen jullie heb gezegd: jullie hebben mij gezien en toch geloven jullie niet. (...) Ik ben niet uit de hemel neergedaald om mijn eigen wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gestuurd. Dit is de wil van hem die mij heeft gestuurd: dat ik van alle mensen die hij mij heeft gegeven, niemand verloren laat gaan, maar dat ik hen op de laatste dag uit de dood opwek. Want dit is de wil van mijn Vader: dat iedereen die de Zoon erkent en in hem gelooft, eeuwig leven krijgt’ (Johannes 6:35-40).

Dit veroorzaakt nogal wat ophef en de Joden beginnen over hem te klagen. Hoe kan hij nu beweren: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald’? (Johannes 6:41) Voor hen is Jezus gewoon iemand uit Nazareth, een zoon van menselijke ouders. De mensen zeggen: ‘Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef? We kennen zijn vader en moeder toch?’ — Johannes 6:42.

‘Houd op met dat gemopper onder elkaar’, antwoordt Jezus. ‘Iemand kan alleen bij mij komen als de Vader, die mij heeft gestuurd, hem trekt, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken. In de Profeten staat geschreven: “Ze zullen allemaal door Jehovah worden onderwezen.” Iedereen die naar de Vader heeft geluisterd en van hem heeft geleerd, komt bij mij. Niet dat iemand de Vader heeft gezien — alleen hij die van God komt, die heeft de Vader gezien. Echt, ik verzeker jullie: wie gelooft, heeft eeuwig leven’ (Johannes 6:43-47; Jesaja 54:13).

Eerder, tijdens een gesprek met Nikodemus, sprak Jezus ook over eeuwig leven en bracht dit toen in verband met geloof in de Mensenzoon.  Hij zei: ‘Iedereen die in hem [Gods eniggeboren Zoon] gelooft zal niet vernietigd worden, maar zal eeuwig leven hebben’ (Johannes 3:15, 16). Nu legt Jezus aan een veel groter publiek uit dat ze eeuwig leven kunnen krijgen; niet door manna of letterlijk brood, maar door zijn belangrijke rol te erkennen. Hij zegt nogmaals: ‘Ik ben het brood van het leven’ (Johannes 6:48).

Maar deze discussie over het brood uit de hemel is nog niet voorbij en bereikt een climax wanneer Jezus onderwijs geeft in een synagoge in Kapernaüm.