Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2016

 INDONESIË

Prediken in het oosten

Prediken in het oosten

In 1953 werd Peter Vanderhaegen kringopziener in Indonesië. Hij was kringopziener voor het hele land — een gebied van ongeveer 5100 bij 1800 kilometer. Tijdens zijn reizen maakte hij veel spannende dingen mee.

Peter Vanderhaegen

In 1954 reisde broeder Vanderhaegen naar het oosten van Indonesië. Er zijn in dat gebied veel verschillende religies. Op Bali zijn veel hindoes en op Lombok en Sumbawa wonen vooral moslims. Flores is overwegend katholiek en Sumba, Alor en Timor zijn overwegend protestants. Met een gammel bootje voer hij naar de provinciehoofdstad Kupang op Timor en hij predikte op enkele eilanden langs de route. Hij vertelde: ‘Ik predikte twee weken op Timor. Ondanks de hevige regen verspreidde ik  al mijn lectuur, sloot ik 34 abonnementen af en begon ik een aantal Bijbelstudies.’ Speciale pioniers gingen erheen om nabezoeken te brengen en richtten in Kupang een gemeente op. Vandaaruit verspreidde het goede nieuws zich naar Roti, Alor, Sumba en Flores.

Toen de protestantse kerkleiders in Kupang zagen dat hun leden naar de Getuigen luisterden, werden ze vreselijk jaloers en woedend. Een vooraanstaande geestelijke gebood Thomas Tubulau, een bejaarde tinnegieter die een arm miste, te stoppen met de Bijbelles. Hij voegde eraan toe dat als Thomas er met anderen over bleef praten, er bloed zou vloeien. Thomas reageerde moedig: ‘Dat zou een christen nooit zeggen. U zult me nooit meer in uw kerk zien.’ Thomas werd een ijverige verkondiger en zijn dochter werd speciale pionier.

Maar de kerkleiders op Timor waren erop gebrand Jehovah’s Getuigen de kop in te drukken. In 1961 zetten ze het departement van Religieuze Zaken en de plaatselijke militaire autoriteiten onder druk, wat leidde tot een verbod op het huis-aan-huiswerk. Maar de broeders pasten eenvoudigweg hun predikingsmethoden aan. Ze gaven getuigenis op markten en bij waterputten, aan vissers op het strand en aan gezinnen die op het kerkhof een graf onderhielden. Na een maand werden de militaire autoriteiten wat minder streng en verklaarden ze via de radio dat er op Timor godsdienstvrijheid gold. Toen het departement van Religieuze Zaken liet weten dat het huis-aan-huiswerk gewoon verboden bleef, vroegen de broeders hun of ze dat op papier wilden zetten. Dat wilden ze niet. Daarna konden de broeders en zusters het huis-aan-huiswerk zonder verdere tegenstand oppakken.

Toen de zendelingen Piet en Nell de Jager en Hans en Susie van Vuure in 1962 in Papoea gingen prediken, werden  ook zij tegengestaan door kerkleiders. Drie vooraanstaande geestelijken zochten de confrontatie met hen en stonden erop dat ze ergens anders gingen prediken. Vanaf de kansel, in de krant en via de radio beschuldigden geestelijken Jehovah’s Getuigen ervan dat ze mensen tegen de regering opstookten. Als een lid van hun kerk de Bijbel met Getuigen ging bestuderen, probeerden geestelijken dat te verhinderen door op hem in te praten, hem te bedreigen of hem om te kopen. Ook zetten ze dorpshoofden onder druk het predikingswerk tegen te staan.

Deze pogingen hadden een averechtse uitwerking toen een dorpshoofd de zendelingen uitnodigde om in zijn dorp uitleg te komen geven. Hans vertelde: ‘Het dorpshoofd riep het hele dorp bijeen. Piet en ik gaven twee korte lezingen waarin we ons werk uitlegden. Daarna lieten onze vrouwen zien hoe we bij de dorpsbewoners zouden aankloppen en kort iets uit de Bijbel zouden vertellen als we binnengevraagd zouden worden. Het dorpshoofd en de bewoners reageerden positief en we konden ons werk zonder problemen voortzetten.’

Dit soort incidenten ontstond vaak op dezelfde manier. Moslims hebben ons vrijwel nooit gehinderd in ons predikingswerk; de tegenstand kwam altijd van de christelijke kerk. En zo gaat het nu nog steeds.

‘Voor bestuurders gesleept (...) tot een getuigenis’

Jezus zei tegen zijn volgelingen: ‘Gij zult zelfs ter wille van mij voor bestuurders en koningen worden gesleept, hun en de natiën tot een getuigenis’ (Matth. 10:18). Deze woorden zijn in Indonesië vaak in vervulling gegaan.

In 1960 gaf een bekende Nederlandse theoloog in Jakarta een boek uit waarin Jehovah’s Getuigen werden  neergezet als valse christenen. Dat boek zorgde ervoor dat veel geestelijken zich fel tegen de Getuigen keerden. Zo waren er geestelijken die het departement van Religieuze Zaken een brief schreven waarin zij de Getuigen ervan beschuldigden ‘hun kerkleden te verwarren’. Toen de broeders werden uitgenodigd om op deze beschuldiging te reageren, konden ze goed uitleggen wie ze waren en wat hun werk inhield. Een gelovige ambtenaar zei tegen zijn collega: ‘Laat Jehovah’s Getuigen met rust. Ze maken de slaperige protestanten wakker.’

Een vracht Paradijs-boeken wordt uitgeladen (1963)

In 1964 deed een groep protestantse geestelijken een beroep op de Parlementaire Commissie van Religieuze en Sociale Zaken om het werk van Jehovah’s Getuigen te  verbieden. Het bijkantoor diende vervolgens een verzoek in om zich voor de commissie te verdedigen. Tagor Hutasoit zei: ‘We hielden een betoog van bijna een uur voor de commissie en we konden ons Bijbelse onderwijzingswerk heel duidelijk uitleggen. Een politicus die tegen ons was — een protestant — beschuldigde ons er onterecht van dat we in Papoea voor religieuze onrust zorgden. Maar de meeste commissieleden, die moslim waren, waren vriendelijk. Ze zeiden: “De grondwet garandeert vrijheid van aanbidding, dus jullie hebben het recht om te prediken.”’ Na deze zitting verklaarde een hooggeplaatste regeringsambtenaar in Papoea: ‘De nieuwe regering (...) handhaaft vrijheid van religie, en dat geldt ook voor nieuwe religies.’