Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2016

 INDONESIË

Nog meer zendelingen

Nog meer zendelingen

Op 9 juli 1964 werd de Bible Students Association, een rechtspersoon die door Jehovah’s Getuigen wordt gebruikt, officieel erkend door het departement van Justitie. Maar er was nog iets nodig om volledige vrijheid te krijgen: de Getuigen moesten geregistreerd staan bij het departement van Religieuze Zaken. Die instantie liet zich adviseren door het directoraat-generaal Christelijke Gemeenschap. Daar werkten veel fanatieke protestanten die zich volledig tegen de Getuigen hadden gekeerd.

Op een dag sprak een broeder met een hoge ambtenaar die nauw met de minister van Religieuze Zaken samenwerkte. De twee mannen bleken uit hetzelfde dorp te komen, en ze hadden een leuk gesprek in hun eigen dialect. Toen de broeder de man vertelde over de problemen met het directoraat-generaal Christelijke Gemeenschap, regelde de man dat drie broeders rechtstreeks met de minister konden spreken. De minister bleek een  vriendelijke moslim. Op 11 mei 1968 vaardigde hij een officieel besluit uit waarin Jehovah’s Getuigen als religie werden erkend en waarin bevestigd werd dat ze het recht hadden in Indonesië te prediken.

De hoge ambtenaar bood ook aan om zonder medeweten van het directoraat-generaal Christelijke Gemeenschap visums te regelen voor buitenlandse zendelingen. Met de hulp van deze redelijke man werden er in de daaropvolgende jaren 64 zendelingen het land binnengelaten.

Tegen 1968 waren er in Indonesië ongeveer 300 zendelingen en speciale pioniers en meer dan 1200 verkondigers, die in elke uithoek van het land predikten. De zendelingen leidden de plaatselijke broeders en zusters goed op, waardoor die geestelijk snel konden groeien. Die opleiding kwam precies op het goede moment, want een storm van vervolging kwam snel dichterbij.

Een ‘kerstcadeau’ voor de kerk

In 1974 hervatte het directoraat-generaal Christelijke Gemeenschap zijn langdurige campagne om Jehovah’s Getuigen te verbieden. De directeur-generaal stuurde een brief naar alle regionale kantoren van het departement van Religieuze Zaken, waarin de leugen stond dat Jehovah’s Getuigen geen wettelijke erkenning hadden. Hij spoorde plaatselijke ambtenaren ertoe aan om op te treden tegen de Getuigen als die ‘moeilijkheden’ veroorzaakten — een nauwelijks verhulde uitnodiging om Jehovah’s volk te vervolgen. De meesten negeerden die richtlijn. Maar anderen grepen de gelegenheid aan om de vergaderingen en de prediking te verbieden.

Een krant van 24 december 1976 die het verbod op Jehovah’s Getuigen aankondigt

Rond die tijd maakte de Wereldraad van Kerken plannen voor een internationale bijeenkomst in Jakarta. Dit  werd door plaatselijke moslims bezien als een provocatie en een daad van vijandigheid. De religieuze spanningen namen toe en de bijeenkomst werd afgelast. Maar bekeringswerk door christenen was een controversieel onderwerp geworden dat politici nerveus maakte. Zoals te verwachten viel, probeerden de kerkleiders de schuld af te schuiven op Jehovah’s Getuigen door veel ophef te maken over het predikingswerk. Het gevolg was dat meer ambtenaren negatief over Jehovah’s Getuigen gingen denken.

Terwijl de religieuze spanningen verder toenamen, viel Indonesië in december 1975 Oost-Timor binnen, een voormalige Portugese kolonie. Zeven maanden later was Oost-Timor door Indonesië geannexeerd. Het patriottisme laaide in het hele land op. De Getuigen bleven politiek neutraal en weigerden in militaire dienst te gaan of de vlag te groeten. Dit standpunt maakte hoge militaire bevelhebbers woedend (Matth. 4:10; Joh. 18:36). De kerkleiders zagen hun kans schoon en drongen er bij de overheid op aan tegen de Getuigen op te treden. Toen, halverwege december 1976, kreeg de kerk haar ‘kerstcadeau’: de overheid maakte bekend dat Jehovah’s Getuigen verboden waren.