Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2016

Getuigen in Semarang, Java (rond 1937)

 INDONESIË

Daar wil ik beginnen!

Daar wil ik beginnen!

In gedachten verzonken ijsbeerde Alexander MacGillivray, de bijkantoordienaar van Australië, door zijn kantoor. Hij worstelde al een aantal dagen met een probleem, maar eindelijk had hij de oplossing gevonden. Hij moest alleen nog met Frank Rice praten.

Frank, een avontuurlijke colporteur (pionier) van 28, was een paar weken daarvoor op het bijkantoor gearriveerd. Als tiener had hij de waarheid leren kennen en hij was kort daarna als colporteur aan de slag gegaan. Meer dan tien jaar lang had hij Australië doorkruist — te paard, op de fiets, op de motor en met een camper. Nu hield hij een korte tussenstop op Bethel, maar hij stond klaar om zijn tanden in een nieuwe toewijzing te zetten.

Broeder MacGillivray riep Frank in zijn kantoor, wees naar een landkaart van de eilanden ten noorden van Australië, en zei: ‘Frank. Wat dacht je ervan om daar het predikingswerk op te starten? Op al die eilanden is nog geen enkele broeder!’

Franks aandacht werd getrokken door eilanden die als een ketting van parels verspreid lagen over de Indische Oceaan: Nederlands-Indië (nu Indonesië) *. Op die eilanden woonden miljoenen mensen die nog niet bekend waren met het goede nieuws van Gods Koninkrijk. Hij wees naar de hoofdstad, Batavia (nu Jakarta), en zei: ‘Daar wil ik beginnen!’

 Prediken op Java

In 1931 kwam Frank Rice in Jakarta aan, een bruisende stad op Java. Hij huurde een kamer vlakbij het centrum en verbaasde de huisbazin door de kamer vol te stapelen met dozen Bijbelse lectuur.

Frank Rice en Clem Deschamp in Jakarta

‘In het begin voelde ik me verloren en had ik heimwee’, vertelde Frank. ‘Overal liepen mensen met tropenhelmen en in witte katoenen pakken, terwijl ik nat van het zweet in mijn dikke kleren uit Australië rondliep. Ik sprak geen woord Nederlands of Indonesisch. Ik bad tot Jehovah om hulp en toen bedacht ik dat er in  de zakenwijk mensen moesten zijn die Engels spraken. Daar begon ik met prediken, en wat heeft dat werk veel resultaat gehad!’

Omdat de meeste inwoners van Jakarta Nederlands spraken, deed Frank zijn best om die taal te leren. Al snel beheerste hij het Nederlands goed genoeg om van huis tot huis te kunnen prediken. Hij waagde zich ook aan het Indonesisch en leerde geleidelijk ook die taal te spreken. ‘Het probleem was dat ik geen lectuur in het Indonesisch had’, zei Frank. ‘Maar Jehovah leidde me naar een Indonesische leraar die meer wilde weten over de waarheid en die bereid was de brochure Waar zijn de Dooden? vanuit het Engels te vertalen. Er werden meer brochures vertaald, en al snel begonnen Indonesisch-sprekende personen zich voor de waarheid te interesseren.’

In november 1931 kwamen er nog twee pioniers uit Australië naar Jakarta: Clem Deschamp (25) en Bill Hunter (19). Ze hadden een pioniershuis op wielen (een camper) meegebracht — een van de eerste in Indonesië. Ze leerden snel een paar Nederlandse zinnetjes en begonnen aan een predikingstocht langs alle grote steden op Java.

Rechtsonder: Charles Harris gebruikte een camper en een fiets tijdens zijn prediking

Charles Harris, nog zo’n avontuurlijke pionier, volgde in de voetsporen van Clem en Bill. Vanaf 1935 reisde hij met een camper en een fiets bijna heel Java door. Hij verspreidde lectuur in vijf talen: Arabisch, Chinees, Engels, Indonesisch en Nederlands. Sommige jaren verspreidde hij wel 17.000 stuks.

Die grote hoeveelheid lectuur ging niet onopgemerkt aan de Javanen voorbij. Een ambtenaar in Jakarta vroeg Clem Deschamp: ‘Hoeveel mensen hebt u daar in Oost-Java zitten?’

 ‘Maar één’, antwoordde broeder Deschamp.

‘U denkt toch niet dat ik dat geloof?’, blafte de man. ‘U moet daar een behoorlijk legertje werkers hebben, als ik zie hoeveel lectuur er overal verspreid wordt!’

Die allereerste pioniers waren voortdurend onderweg omdat ze zo veel mogelijk mensen wilden bereiken. Bill Hunter vertelde: ‘We predikten van de ene kant van het eiland naar de andere. Het gebeurde bijna nooit dat we iemand twee keer spraken.’ Onderweg zaaiden ze grote hoeveelheden geestelijk zaad, die later tot een grote oogst zouden leiden (Pred. 11:6; 1 Kor. 3:6).

 Het goede nieuws bereikt Sumatra

Rond 1936 maakten de pioniers op Java plannen om het predikingswerk uit te breiden naar Sumatra, het op vijf na grootste eiland ter wereld. Op dit eiland op de evenaar zijn grote steden en plantages. Het landschap wordt gekenmerkt door ruige bergen, uitgestrekte moerasgebieden en regenwouden.

De pioniers besloten dat Frank Rice naar het eiland zou gaan, en ze legden het kleine beetje geld dat ze hadden bij elkaar om de overtocht te betalen. Kort daarna kwam Frank aan in Medan (Noord-Sumatra). Hij had twee velddiensttassen en 40 dozen lectuur bij zich, en alleen wat kleingeld op zak. Maar Frank had een sterk geloof en ging meteen aan de slag. Hij wist zeker dat Jehovah zou voorzien in wat hij nodig had om deze toewijzing uit te kunnen voeren (Matth. 6:33).

Tijdens zijn laatste week in Medan kwam hij tijdens het prediken een vriendelijke Nederlander tegen die hem binnenvroeg voor een kopje koffie. Frank vertelde de man dat hij een auto nodig had om het goede nieuws op het hele eiland te kunnen prediken. De man wees naar een kapotte auto in de tuin en zei: ‘Als je hem kunt repareren, mag je hem hebben voor 100 gulden *.’

‘Ik heb geen 100 gulden’, zei Frank.

De man keek Frank peinzend aan en vroeg: ‘Wil je echt overal op Sumatra gaan prediken?’

‘Ja’, antwoordde Frank.

‘Weet je wat? Als je de auto kunt repareren, mag je hem meenemen. Betaal me later maar, als je het geld hebt.’

 Frank begon meteen te sleutelen en in een mum van tijd had hij de auto aan de praat. Later schreef hij: ‘Met een auto vol lectuur, een tank vol benzine en een hart vol geloof trok ik eropuit om tot de bevolking van Sumatra te prediken.’

Henry Cockman met Jean en Clem Deschamp op Sumatra (1940)

Een jaar later had Frank het eiland uitgekamd en keerde hij naar Jakarta terug. Hij verkocht de auto voor 100 gulden en stuurde het geld naar de Nederlander in Medan.

Een paar weken later kreeg Frank een brief uit Australië met een nieuwe toewijzing. Hij pakte zijn koffers en vertrok meteen naar Indochina (nu Cambodja, Laos en Vietnam) om daar het predikingswerk op te starten.

^ ¶4 Toen ook wel Oost-Indië genoemd. De Nederlanders hadden daar 300 jaar eerder een kolonie gesticht vanwege de winstgevende specerijenhandel. In dit verslag worden de huidige aardrijkskundige namen gebruikt.

^ ¶3 Wat nu overeenkomt met ongeveer 1000 euro.