Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2015

 DOMINICAANSE REPUBLIEK

De prediking gaat door

De prediking gaat door

Het werk gaat ondergronds door

Met het verbod op ons werk begon voor onze broeders en zusters een erg moeilijke periode. ‘Onze Koninkrijkszalen werden gesloten en ons werk werd verboden’, vertelde de zendelinge Alma Parson. ‘Onze lieve broeders en zusters kregen veel leed en beproevingen te verduren.’  Ook verloren sommige hun baan of werden ze gevangengenomen. Toch hield ze ook dierbare herinneringen over aan die periode: ‘Jehovah’s leidende hand en bescherming waren zo vaak overduidelijk aanwezig.’ Vol vertrouwen in Jehovah’s leiding gingen de broeders en zusters ondergronds door met het werk.

We mochten geen gemeentevergaderingen houden. Lennart Johnson vertelde: ‘De broeders en zusters kwamen onopvallend in kleine groepjes bijeen in particuliere huizen. Daar bestudeerden we gestencilde Wachttoren-artikelen. Deze trouwe broeders en zusters hadden grote waardering voor de geestelijke kracht die Jehovah ons in deze studiegroepjes bleef geven.’

Roy en Juanita Brandt behoorden tot degenen die tijdens het verbod in hun toewijzing bleven

Ondertussen hield de regering ons in de gaten en nam de vervolging toe. Maar de broeders en zusters lieten zich niet intimideren. Op 15 september 1950 schreef minister Hungría in een bericht aan de president van de republiek: ‘De heer Lee Roy Brandt en andere leiders van Jehovah’s Getuigen zijn meerdere malen naar dit kantoor geroepen en gewaarschuwd om de propaganda van dit genootschap dat in deze republiek wettelijk was ontbonden, te staken — een bevel dat ze blijkbaar niet opvolgen. We ontvangen dagelijks berichten uit verschillende delen van het land waaruit blijkt dat ze in het geheim verdergaan met hun propaganda en zo de spot drijven met regeringsbesluiten.’ Tot slot werd in de brief het advies gegeven om de ‘belangrijkste buitenlandse leiders’ van Jehovah’s Getuigen het land uit te zetten.

 ‘Een bron van aanmoediging’

Eind 1950 bezochten broeder Knorr en broeder Henschel het land. Na dit bezoek kregen sommige zendelingen een nieuwe toewijzing in Argentinië, Guatemala en Porto Rico. Andere konden in het land blijven omdat ze werelds werk hadden gevonden. Broeder Brandt bijvoorbeeld werkte bij het elektriciteitsbedrijf en anderen werkten als leraar Engels. In het Engelse Jaarboek van 1951 staat over die zendelingen: ‘Hun aanwezigheid in het land, dat ze niet vluchten, is een bron van aanmoediging voor de trouwe volgelingen van de Heer die door hen de waarheid hebben leren kennen. Het doet hun goed te zien dat ze moedig met het werk verdergaan.’

‘Hun aanwezigheid is een bron van aanmoediging voor de trouwe volgelingen’

Dorothy Lawrence was een van de zendelingen die Engelse les gaf. Ze gaf niet alleen Engelse les, maar ook Bijbelles aan geïnteresseerden. Zo kon ze meerdere personen in de waarheid brengen.

Jehovah’s trouwe aanbidders probeerden op nog andere manieren met de velddienst door te gaan hoewel ze constant in de gaten werden gehouden. Soms haalden ze boeken uit elkaar en namen een aantal losse blaadjes mee in het borstzakje van hun overhemd of in een boodschappentas zodat ze konden prediken zonder op te vallen.  Het velddienstrapportje was in de vorm van een boodschappenlijstje. In plaats van boeken, brochures, tijdschriften, nabezoeken en uren vermeldde het rapportje papaja, bonen, eieren, kool en spinazie. Gestencilde exemplaren van De Wachttoren werden yuca (cassave) genoemd, naar een plant die in de streek veel voorkomt.

Meer discipelen

Op 16 juni 1954 ondertekenden Rafael Trujillo en het Vaticaan een concordaat dat speciale privileges toekende aan de rooms-katholieke geestelijken van de Dominicaanse Republiek. Het verbod was toen zo’n vier jaar van kracht. Toch waren er tegen 1955 al 478 verkondigers. Hoe had die groei kunnen plaatsvinden onder zulke moeilijke omstandigheden? ‘Het geheim achter onze kracht is Jehovah’s geest’, stond in een verslag in het Engelse Jaarboek van 1956. ‘De broeders en zusters dienen in eenheid, hebben een sterk geloof en gaan moedig door.’

In juli 1955 ontving Trujillo een notarieel bekrachtigde brief van het internationale hoofdkantoor. Deze brief gaf een gedetailleerde uitleg over de neutrale positie van Jehovah’s Getuigen. Er werd in gevraagd of Trujillo het ‘verbod  tegen Jehovah’s Getuigen en het Wachttoren-, Bijbel- en Traktaatgenootschap wilde opheffen’. Hoe liep dit af?