Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2015

 DOMINICAANSE REPUBLIEK

Wie is het hoofd?

Wie is het hoofd?

Een organisatie zonder leiding

Op 13 juli 1957 schreef inspecteur Colón aan de minister van Buitenlandse Zaken: ‘Een bekende oude spreuk luidt: “Je doodt een slang door de kop te raken.” Als we de sekte van Jehovah’s Getuigen hier willen uitroeien, moeten we hun buitenlandse leiders het land uit zien te krijgen. Dat zou een belangrijke stap in de goede richting zijn — hun organisatie zou “onthoofd” achtergelaten worden en zonder leiding zullen hun ideeën geen succes hebben.’

Kort daarna gaf de minister van Staatsveiligheid, Arturo Espaillat, de tien overgebleven zendelingen het bevel het land te verlaten. Roy Brandt zond op 21 juli 1957 een brief aan Trujillo waarin hij vroeg of hij onze situatie persoonlijk zou mogen uitleggen. In de brief stond onder andere: ‘De haatcampagne die sommigen in dit land voeren tegen de naam van Jehovah God, is vergelijkbaar met de campagne die verkeerd geïnformeerde individuen voerden tegen Jezus’ apostelen.’ Broeder Brandt moedigde Trujillo vervolgens aan Handelingen hoofdstuk 2 tot 6 te lezen en legde uit: ‘De wijze en oprechte raad die rechter Gamaliël op dat moment gaf, is nu nog even relevant als  toen.’ Vervolgens citeerde broeder Brandt in hoofdletters Handelingen 5:38, 39: ‘LAAT DEZE MENSEN BEGAAN WANT INDIEN DIT WERK UIT GOD IS, ZOU WELEENS KUNNEN BLIJKEN DAT GIJ IN WERKELIJKHEID TEGEN GOD STRIJDT.’ Maar dit verzoek vond geen gehoor. Op 3 augustus 1957 werden de zendelingen naar de luchthaven gebracht en het land uitgezet.

‘Jezus is het hoofd’

Donald Nowills was pas twintig toen hij de leiding kreeg over het werk op het bijkantoor

Wat zou er gebeuren met de plaatselijke broeders en zusters nu de zendelingen weg waren? Zouden ze inderdaad ‘geen hoofd’ meer hebben, zoals inspecteur Colón had voorspeld? Integendeel, Jezus ‘is het hoofd van het lichaam, de gemeente’ (Kol. 1:18). Jehovah’s volk in de Dominicaanse Republiek werd dus niet ‘zonder hoofd’ achtergelaten. Jehovah en zijn organisatie bleven voor hen zorgen.

 Donald Nowills, die aangewezen was om het werk op het bijkantoor te leiden nadat de zendelingen het land waren uitgezet, was pas twintig en nog maar vier jaar gedoopt. Hoewel hij enkele maanden als kringopziener had gediend, was het werk op het bijkantoor nieuw voor hem. Broeder Nowills woonde in Gualey, een zeer gevaarlijke buurt van Ciudad Trujillo, in een houten huis met een dak van golfplaten en een aarden vloer. In zijn huis had hij een bescheiden kantoortje, waar hij en Félix Marte voor het hele land afdrukken maakten van De Wachttoren.

Een gestencilde Wachttoren uit 1958

Mary Glass hielp broeder Nowills daar ook bij, terwijl haar man, Enrique, in de gevangenis zat. Ze legt uit: ‘Ik vertrok om vijf uur ’s middags van mijn werelds werk en ging naar het kantoor van broeder Nowills om De Wachttoren te typen. Daarna maakte broeder Nowills afdrukken met de stencilmachine en legde een zuster uit Santiago, met de codenaam “de engel”, de gestencilde tijdschriften op de bodem van een 20 literblik voor  plantaardige olie. Ze legde dan een doek over de lectuur en bedekte die met cassave, aardappelen of taro’s. Daarbovenop legde ze een jutezak. Vervolgens ging ze met het openbaar vervoer naar het noorden van het land en liet bij elke gemeente een tijdschrift achter. Om de beurt leenden gezinnen dat exemplaar zodat ze het samen konden bestuderen.’

‘We moesten heel voorzichtig zijn,’ voegt Mary eraan toe, ‘want de straten wemelden van de regeringsagenten die erachter probeerden te komen waar De Wachttoren werd gedrukt. Maar dat is ze nooit gelukt. Jehovah beschermde ons altijd.’