Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2015

 DOMINICAANSE REPUBLIEK

Gevangengezet en verboden

Gevangengezet en verboden

Wegens neutraliteit gevangengezet

Enrique Glass en de kerker waar hij twee weken gevangenzat

Op 19 juni 1949 vloog een groep verbannen Dominicanen naar de Dominicaanse Republiek in een poging het regime van de dictator Rafael Trujillo omver te werpen. De invasie werd al snel een halt toegeroepen. Toch ging Trujillo’s bewind ermee door iedereen die militaire dienst weigerde of als een vijand werd beschouwd, in de  gevangenis te gooien. León, Enrique en Rafael Glass behoorden tot de eerste Getuigen die als dienstweigeraars gevangen werden gezet. Ook enkele collega’s van León die Getuigen waren, werden opgepakt.

León vertelde wat er met hem en de broeders op zijn werk gebeurde: ‘We werden gearresteerd en door de militaire geheime dienst ondervraagd. Nadat we bedreigd waren, werden we vrijgelaten om vervolgens een paar dagen later een oproep voor militaire dienst te krijgen, zonder dat daaraan de gebruikelijke procedure was voorafgegaan. Toen we dienst weigerden, moesten we de gevangenis in. Daar troffen we vier andere Getuigen, onder wie twee van  mijn broers. Na onze vrijlating werden we opnieuw veroordeeld. Dit gebeurde driemaal, met tussenpozen van slechts één of meer dagen. We hebben bijna zeven jaar in de gevangenis doorgebracht; de laatste periode duurde vijf jaar.’

‘Zelfs als we met stokken, zwepen en geweren geslagen werden, konden we dat doorstaan omdat Jehovah ons de kracht gaf om te volharden’

Het leven in de gevangenis was voor de broeders een aaneenschakeling van beproevingen. Medegevangenen en bewakers tergden hen dag en nacht. De bevelhebber van Fort Ozama, waar de broeders in eerste instantie gevangenzaten, zei: ‘Jehovah’s Getuigen, laat het me maar weten als jullie getuigen van de Duivel worden, dan laat ik jullie vrij.’ Toch konden tegenstanders de integriteit van onze getrouwe broeders niet breken. León legde uit waarom: ‘Jehovah gaf ons altijd de kracht om te volharden en we konden zelfs aan kleine dingen merken dat hij ons te hulp kwam. Zelfs als we met stokken, zwepen en geweren geslagen werden, konden we dat doorstaan omdat Jehovah ons de kracht gaf om te volharden.’

Jehovah’s Getuigen verboden

In het hele land werd de vervolging door vijanden van de ware aanbidding alsmaar heviger. Toch waren er in mei 1950, afgezien van de zendelingen, 238 verkondigers in de Dominicaanse Republiek, onder wie 21 pioniers.

Een krant maakt melding van de gevangenisstraffen voor onze broeders wegens hun neutraliteit

Rond die tijd schreef een agent van de geheime dienst in een brief aan de presidentiële secretaris: ‘De leden van de religieuze sekte van Jehovah’s Getuigen zijn vol enthousiasme doorgegaan met hun activiteiten in alle delen  van deze stad [Ciudad Trujillo].’ Hij zei verder: ‘Ik herhaal dat er speciaal aandacht moet worden besteed aan Jehovah’s Getuigen, aangezien zij met hun evangelisatie en andere activiteiten de publieke opinie beïnvloeden, waarbij vooral het gewone volk misleid wordt.’

De minister van Binnenlandse Zaken en Politie, J. Antonio Hungría, vroeg broeder Brandt het standpunt van de Getuigen inzake militaire dienst, de vlaggengroet en het betalen van belastingen in een brief uiteen te zetten. Bij het schrijven van deze brief gebruikte broeder Brandt informatie uit het boek ‘God zij waarachtig’. Toch vaardigde minister Hungría op 21 juni 1950 een besluit uit waarin de activiteiten van Jehovah’s Getuigen in de Dominicaanse Republiek werden verboden. Broeder Brandt werd naar Hungría’s kantoor geroepen om dit besluit persoonlijk aan te horen. Op de vraag of de zendelingen het land zouden moeten verlaten, verzekerde Hungría  hem ervan dat zij konden blijven, zolang zij de wet maar zouden gehoorzamen en niet met anderen over hun religie zouden spreken. *

^ ¶1 In de weken voordat het besluit werd uitgevaardigd, schreven katholieke priesters ellenlange krantenartikelen waarin zij Jehovah’s Getuigen openlijk beschuldigden en hen ten onrechte in verband brachten met het communisme.