Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2014

 SIERRA LEONE EN GUINEE

1945-1990 ’Velen tot rechtvaardigheid gebracht’ — Dan. 12:3 (Deel 2)

1945-1990 ’Velen tot rechtvaardigheid gebracht’ — Dan. 12:3 (Deel 2)

Respect voor het huwelijk

Toen William Nushy een poosje in zijn toewijzing was, viel het hem op dat sommige verkondigers zich niet aan Jehovah’s maatstaf voor het huwelijk hielden. Sommige stellen woonden als man en vrouw samen zonder dat ze hun verbintenis bij de burgerlijke autoriteiten hadden laten registreren. Anderen hielden zich aan de plaatselijke gewoonte het huwelijk uit te stellen totdat de vrouw zwanger raakte en het zeker was dat hun verbintenis vruchtbaar zou zijn.

Daarom legde het bijkantoor in mei 1953 in een brief aan elke gemeente duidelijk uit wat de Bijbelse maatstaf inzake het huwelijk was (Gen. 2:24; Rom. 13:1; Hebr. 13:4). Stellen kregen de tijd om hun huwelijk te laten registreren. Deden ze dat niet, dan zouden ze uit de gemeente verwijderd worden (1 Kor. 5:11, 13).

De meeste verkondigers waren blij met die verbetering. Maar sommige vonden dat restricties niet nodig waren. In twee gemeenten staakten meer dan de helft van de verkondigers hun omgang met Jehovah’s organisatie. Maar degenen die loyaal bleven, werden nog actiever: een duidelijk bewijs dat Jehovah hen zegende.

 De broeders deden veel moeite om te bereiken dat de Koninkrijkszaal in Freetown erkend werd als plaats waar huwelijken voltrokken konden worden. Op 3 september 1954 voltrokken de broeders hun eerste officiële huwelijk. Later verstrekte de regering huwelijksregisters aan geschikte broeders in zeven districten van het land.  Daardoor konden meer geïnteresseerden hun huwelijk laten wettigen en ervoor in aanmerking komen verkondigers van het goede nieuws te worden.

Een huwelijksvoltrekking in een Koninkrijkszaal

Veel geïnteresseerden die polygamie beoefenden deden ook stappen om aan Gods maatstaven te voldoen. Samuel Cooper, die nu in Bonthe woont, vertelt: „In 1957 begon ik met mijn twee vrouwen de vergaderingen bij te wonen en al gauw liet ik me inschrijven op de theocratische bedieningsschool. Op een dag kreeg ik een presentatie toegewezen over het christelijke huwelijk. Toen ik er nazoekwerk voor deed, besefte ik dat ik mijn jongste vrouw moest wegsturen. Ik vertelde het aan mijn familie, maar die keerden zich allemaal tegen me. Mijn jongste vrouw had me een kind gebaard, terwijl mijn oudste vrouw onvruchtbaar was. Maar ik was vastbesloten me aan Bijbelse beginselen te houden. Toen mijn jongste vrouw naar haar familie was teruggegaan, begon mijn oudste vrouw tot mijn grote verbazing kinderen te krijgen. Nu heb ik vijf kinderen bij mijn eens onvruchtbare vrouw.”

Toen een andere geïnteresseerde, Honoré Kamano, die over de grens in Guinee woonde, de twee jongste van zijn drie vrouwen wegstuurde, waardeerde zijn oudste vrouw dat en kreeg ze meer respect voor de waarheid. Een van zijn jongere vrouwen was weliswaar teleurgesteld dat ze weggestuurd was, maar ook zij bewonderde zijn grote respect voor Bijbelse principes. Ze vroeg om een Bijbelstudie en droeg later haar leven aan Jehovah op.

Jehovah’s Getuigen staan bekend als een volk dat respect heeft voor het huwelijk

Tegenwoordig staan Jehovah’s Getuigen in heel Sierra Leone en Guinee bekend als een volk dat respect heeft voor het huwelijk. Hun huwelijkstrouw siert Gods leringen  en strekt hem tot eer als de Insteller van de huwelijksregeling (Matth. 19:4-6; Tit. 2:10).

Onenigheid in Freetown

In 1956 arriveerden er nog twee Gileadieten in Freetown, Charles en Reva Chappell. Onderweg naar het zendelingenhuis schrokken ze van een grote aankondiging van een Bijbellezing in de Wilberforce Memorial Hall. „De aangekondigde spreker was C.N.D. Jones,” zegt Charles, „een vertegenwoordiger van de ’Ecclesia van Jehovah’s Getuigen’.”

Jones, die beleed tot de gezalfden te behoren, leidde een splintergroep die zich enkele jaren daarvoor van de gemeente in Freetown had afgescheiden. Zijn groep presenteerde zich als „ware” getuigen van Jehovah en noemde de zendelingen en degenen die loyaal waren aan de vertegenwoordigers van de organisatie „bedriegers” en „Gilead-cowboys”.

De situatie verergerde toen Jones en enkelen van zijn aanhangers werden uitgesloten. „Die mededeling schokte enkele broeders die er voorstanders van waren verdraagzaamheid te tonen tegenover de andersdenkenden”, vertelt Chappell. „Enkelen maakten hun ontevredenheid in het openbaar kenbaar. Zij en anderen bleven met de opstandigen omgaan en probeerden vergaderingen en velddienstregelingen te verstoren. Ze zaten op de vergaderingen bij elkaar in een gedeelte dat de afvalligenrij werd genoemd. De meesten verlieten de waarheid uiteindelijk. Maar sommigen herwonnen hun geestelijke evenwicht en werden ijverige verkondigers.”

Door het loyale standpunt dat de meerderheid innam, bleef de weg open voor een vrije toevloed van Gods geest. Toen zoneopziener Harry Arnott het jaar daarop Freetown bezocht, berichtte hij: „Dit is de eerste flinke toename die  we de laatste jaren in Sierra Leone gehad hebben. Het is reden tot optimisme over toekomstige vooruitgang.”

Het onderwijzen van de Kisi

Kort na het bezoek van broeder Arnott ontving Charles Chappell een brief van een broeder in het aangrenzende Liberia. De broeder wilde met de prediking beginnen onder zijn verwanten in Sierra Leone. Hij behoorde tot de Kisistam, de bewoners van de beboste heuvels en dalen bij het drielandenpunt Sierra Leone, Liberia en Guinee. Het leek erop dat veel Kisisprekende mensen de Bijbel graag wilden begrijpen.

Daar de meeste Kisi analfabeet waren, werden er lees- en schrijfklassen in Koindu georganiseerd om fundamentele Bijbelse waarheden te kunnen onderwijzen. Die klassen trokken honderden leerlingen. „Weldra telde de groep vijf nieuwe verkondigers, toen tien, toen vijftien en toen twintig”, vertelt Charles. „De mensen kwamen zo snel in de waarheid dat ik twijfelde of het wel echte verkondigers waren. Maar ik had ongelijk. De meesten van hen waren niet alleen trouw maar ook heel ijverig!”

De enthousiaste nieuwe verkondigers verspreidden het goede nieuws al snel tot voorbij Koindu en uiteindelijk ook in het aangrenzende Guinee. Ze trokken urenlang door het heuvelachtige landschap en predikten op het land en in de dorpen. „Weken- en soms maandenlang hoorden we niet één keer het geluid van een motorvoertuig”, zegt Eleazar Onwudiwe, die destijds kringopziener was.

De Kisibroeders en -zusters zaaiden het Koninkrijkszaad en begoten het, en God gaf de wasdom (1 Kor. 3:7). Toen een jonge blinde man de waarheid hoorde, leerde hij de brochure „Dit goede nieuws van het koninkrijk”, die toch 32 bladzijden telt, uit het hoofd. Later kon hij zich elke  alinea te binnen brengen als hij predikte en zijn eigen Bijbelstudies leidde, tot verbazing van de toeschouwers. Een dove vrouw die de waarheid aanvaardde, bracht zulke grote veranderingen aan dat haar schoonzus naar de vergaderingen begon te gaan, waarvoor ze ruim tien kilometer moest lopen.

Het werk onder de Kisi ging met sprongen vooruit. Er werd nog een gemeente gevormd, en nog een. Zo’n dertig verkondigers gingen pionieren. Het hoofd van de stad Koindu raakte geïnteresseerd in de waarheid en schonk een stuk land voor de bouw van een Koninkrijkszaal. Toen ruim vijfhonderd mensen een kringvergadering in Kailahun bijwoonden, werd ook daar een gemeente gevormd. Al gauw bestond de helft van de Getuigen in Sierra Leone uit Kisi, hoewel de stam nog geen 2 procent van de bevolking uitmaakte.

Deze vooruitgang beviel niet iedereen, allerminst de religieuze leiders van de Kisi. Vervuld van jaloezie besloten ze deze ’bedreiging’ voor hun gezag uit te roeien. De vraag was: hoe en wanneer zouden ze toeslaan?