Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2014

 SIERRA LEONE EN GUINEE

2002-2013 Recente ontwikkelingen (Deel 2)

2002-2013 Recente ontwikkelingen (Deel 2)

De doven worden geholpen

Volgens één schatting zijn zo’n drie- tot vijfduizend mensen in Sierra Leone en honderden mensen in Guinee doof. Jehovah wil „dat alle soorten van mensen worden gered”, dus hoe zouden de doven het goede nieuws ’horen’? — 1 Tim. 2:4.

Michelle Washington, een Gileadiet die in 1998 in Sierra Leone arriveerde, vertelt: „Mijn man Kevin en ik werden toegewezen aan een gemeente waar vier doven de vergaderingen bijwoonden. Omdat ik kon communiceren in Amerikaanse Gebarentaal, wilde ik hen helpen. Het bijkantoor nodigde me uit om op de wekelijkse bijeenkomsten en grote vergaderingen te tolken en informeerde naburige gemeenten over deze voorziening. Het bijkantoor organiseerde ook gebarentaalcursussen voor verkondigers die geïnteresseerd waren in het helpen van de doven. We  begonnen naar doven in de omgeving te zoeken en Bijbelstudies bij hen te leiden. Veel mensen in de omgeving die onze inspanningen zagen om de doven te helpen, prezen ons. Maar niet iedereen was blij met onze activiteit. Een predikant voor de doven verklaarde dat we ’valse profeten’ waren. Hij waarschuwde de doven en hun familie bij ons uit de buurt te blijven. Sommigen werd verteld dat als ze contact met ons hadden, hun financiële bijstand stopgezet zou worden. De dovengemeenschap splitste zich al snel in twee kampen: degenen die ons nog niet hadden ontmoet en achter de predikant stonden en degenen die ons wel hadden ontmoet en niet achter de predikant stonden. Sommigen van de tweede groep namen hun standpunt voor de waarheid in en werden mettertijd gedoopt.”

Femi bijvoorbeeld was doof geboren en kon alleen communiceren met behulp van simpele gebaren. Hij wantrouwde iedereen, vooral horenden, en voelde zich ongelukkig en onbemind. Toen begon hij de Bijbel te bestuderen met broeders uit de gebarentaalgroep. Het duurde niet lang of hij kwam geregeld naar de vergaderingen en leerde zelf gebarentaal. Femi werd na verloop van tijd gedoopt en onderwijst nu blij andere doven in de waarheid.

Femi (helemaal rechts) gebaart een Koninkrijkslied

In juli 2010 werd de Amerikaanse Gebarentaalgroep in Freetown een gemeente. Er zijn ook gebarentaalgroepen in Bo en Conakry.

Arm maar ’rijk in geloof’

De Bijbel laat zien dat de meeste christenen uit de eerste eeuw materieel arm waren. De discipel Jakobus schreef: „Heeft God niet degenen die arm zijn ten aanzien van de wereld uitgekozen om rijk te zijn in geloof?” (Jak. 2:5) Geloof in Jehovah heeft ook troost en hoop gebracht aan de verkondigers in Sierra Leone en Guinee.

 Geloof motiveert veel arme Getuigengezinnen in afgelegen gebieden om maandenlang te sparen om een districtscongres te kunnen bijwonen. Sommigen verbouwen gewassen om hun reis te bekostigen. Groepjes van twintig tot dertig afgevaardigden proppen zich in kleine vrachtauto’s voor hete, stoffige, hobbelige tochten die twintig uur of langer kunnen duren. Andere afgevaardigden leggen lopend lange afstanden af. „We liepen de eerste 80 kilometer naar het congres en hadden een grote hoeveelheid bananen bij ons”, vertelt een broeder. „Onderweg verkochten we de bananen, waardoor onze last lichter werd en we genoeg geld kregen om de rest van de weg per vrachtauto te reizen.”

Per vrachtwagen op weg naar een congres

Geloof heeft veel verkondigers er ook toe bewogen de verleiding te weerstaan om naar materieel welvarender  landen te verhuizen. „We zijn ervan overtuigd dat Jehovah in onze behoeften zal voorzien”, zegt Emmanuel Patton, een afgestudeerde van de Bijbelschool voor Ongehuwde Broeders. „We wonen in een land waar de behoefte aan Koninkrijkspredikers groot is en beseffen dus dat onze dienst bijzonder waardevol is” (Matth. 6:33). Emmanuel dient nu als ouderling en hij en zijn vrouw Eunice werken allebei onvermoeibaar om de Koninkrijksbelangen te bevorderen. Andere gezinshoofden gaan niet verhuizen omdat ze de eenheid en geestelijke instelling van hun gezin niet in gevaar willen brengen. „Ik weigerde werk aan te nemen waarvoor ik lange periodes bij mijn gezin weg zou  zijn”, zegt Timothy Nyuma, die als speciale pionier en vervangend kringopziener heeft gediend. „Mijn vrouw Florence en ik hebben onze kinderen ook zelf opgevoed in plaats van ze weg te sturen om door anderen grootgebracht te worden.”

Andere broeders en zusters geven van geloof blijk door ondanks allerlei moeilijkheden door te gaan met hun christelijke activiteiten. De al genoemde Kevin Washington merkt op: „Veel verkondigers prediken geregeld en behartigen gemeenteverantwoordelijkheden hoewel ze problemen hebben die ons er misschien toe zouden bewegen chagrijnig thuis te blijven zitten. Sommigen zijn bijvoorbeeld chronisch ziek en hebben geen toegang tot de medische zorg en hulpmiddelen die elders makkelijk verkrijgbaar zijn. Anderen doen heel veel moeite om te leren lezen en schrijven. Als ik weleens iets aan te merken heb op de manier waarop een broeder een toewijzing behartigt, vraag ik me af: als ik fulltime zou werken, grote gezondheidsproblemen had, slechte ogen en geen bril, een beperkte theocratische bibliotheek en geen elektriciteit, zou ik het er dan net zo goed hebben afgebracht?”

Op deze en talloze andere manieren verheerlijken de broeders en zusters in Sierra Leone Jehovah. Net als hun christelijke tegenhangers in de eerste eeuw bevelen ze zich aan als Gods dienaren „door veel te verduren, door verdrukkingen, door noden, (...) als arm, maar velen rijk makend, als niets hebbend en toch alles bezittend” (2 Kor. 6:4, 10).

Ze zien de toekomst vol vertrouwen tegemoet

Ruim negentig jaar geleden berichtten Alfred Joseph en Leonard Blackman dat de velden in Sierra Leone ’wit waren om geoogst te worden’ (Joh. 4:35). Zo’n 35 jaar later schreef Manuel Diogo vanuit Guinee: „Er is hier heel  veel belangstelling.” Jehovah’s aanbidders in beide landen zijn ervan overtuigd dat nog veel meer mensen positief op het goede nieuws zullen reageren.

In 2012 had Guinee 3479 aanwezigen op de Gedachtenisviering, ruim vier en een half keer het aantal verkondigers in het land. De 2030 verkondigers in Sierra Leone hadden 7854 bezoekers op de Gedachtenisviering, bijna viermaal het aantal verkondigers. Een hoogbejaarde aanwezige die avond was de 93-jarige speciale pionierster Winifred Remmie. Zij en haar man Lichfield arriveerden in 1963 in Sierra Leone. Na zestig jaar was ze nog steeds in de speciale pioniersdienst. Winifred zei:  „Wie had kunnen dromen dat Sierra Leone zo rijk zou zijn aan sterke broeders en zusters? Hoewel ik oud ben, wil ik nog steeds mijn deel bijdragen aan die schitterende toename.” *

Jehovah’s Getuigen in Sierra Leone en Guinee stemmen van harte in met Winifreds gevoelens. Als statige bomen die volop water krijgen, zijn ze vastbesloten vrucht te blijven dragen tot Jehovah’s lof (Ps. 1:3). In Jehovah’s kracht zullen ze de ware hoop van de mensheid op vrijheid, „de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods”, blijven verkondigen (Rom. 8:21).

Bijkantoorcomité, van links naar rechts: Collin Attick, Alfred Gunn, Tamba Josiah en Delroy Williamson

^ ¶16 Winifred Remmie is overleden terwijl er aan dit verslag werd gewerkt.