Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Jaarboek van Jehovah’s Getuigen 2014

 RESULTATEN UIT HET WERELDWIJDE VELD

Amerika

Amerika
  • LANDEN 57

  • BEVOLKING 970.234.987

  • VERKONDIGERS 3.943.337

  • BIJBELSTUDIES 4.341.698

Ze nodigden een echtpaar uit om bij hen te logeren

In Las Vegas (VS) verlangde een echtpaar (geen Getuigen) naar een vredige plek om te wonen en dus verkochten ze hun woning om naar de Dominicaanse Republiek te verhuizen. Maar ze moesten tien dagen voordat hun vlucht gepland stond hun huis opleveren. Om hen te helpen nodigden hun buren, Jehovah’s Getuigen, hen uit om bij hen te logeren. Tijdens hun verblijf woonde het echtpaar een  vergadering in de Koninkrijkszaal bij. Ze waren verbaasd en vonden het interessant het jaartal 1914 te horen noemen. Ze wisten dat dit een belangrijk jaartal in de wereldgeschiedenis was. Toen ze eenmaal in de Dominicaanse Republiek aangekomen waren, vroegen ze de eerste Getuigen die bij hen aan de deur kwamen om een Bijbelstudie. Veertien maanden later hadden ze zich allebei opgedragen en waren ze gedoopt.

Precies wat ze nodig had

De broeders richtten een lectuurstand in op de Internationale Boekenbeurs in Panama-Stad, Panama. Er kwamen twee schoolmeisjes naar de stand en een van hen vertelde de zuster die daar stond dat ze overstuur was. Het meisje legde uit dat haar vader aan de drugs was en dat ze niet wist hoe ze met de situatie om moest gaan. De zuster liet het meisje hoofdstuk 23 zien in het boek Wat jonge mensen vragen — Praktische antwoorden, Deel 2: „Wat moet ik doen als een van mijn ouders verslaafd is?” Het meisje riep uit: „Dat is precies wat ik nodig heb!” De meisjes omhelsden de zuster en kwamen een uur later terug om haar nogmaals te bedanken. In de vijf dagen dat de beurs duurde, verspreidden de Getuigen 1046 boeken, 1116 tijdschriften en 449 brochures. Zesenvijftig mensen lieten hun adres achter zodat de Getuigen hen konden bezoeken.

Vier jaar in zijn eentje gepredikt

Fredy, wiens moedertaal Cabecar is, woont in een afgelegen bergdorp in Costa Rica. Zo’n vier jaar geleden, toen hij in de hoofdstad San José werkte, kreeg hij het boek Wat leert de bijbel echt? en de brochure Wat verlangt God van  ons? De verkondiger die de lectuur aan hem verspreidde, zei dat hij tot zijn volk moest prediken, en dus ging hij terug naar zijn dorp. Hij bestudeerde in zijn eentje het Leert de bijbel-boek en bracht veranderingen in zijn leven aan; hij legaliseerde bijvoorbeeld zijn huwelijk. Daarna onderwees hij de waarheid zo goed mogelijk aan zijn volk, de Cabecar.

Fredy organiseerde lessen voor zijn Bijbelstudenten. Hij deelde hen in zes lesniveaus in, afhankelijk van hun prestatie bij een examen dat hij hun afnam om hun Bijbelkennis te testen. Hij organiseerde vergaderingen en hield zelfs de Gedachtenisviering, waarvoor hij zijn eigen uitnodigingen opstelde, waarin stond: „Jehovah’s Getuigen nodigen u uit om samen met ons de Gedachtenisviering van Christus’ dood bij te wonen.” Hij deed dit allemaal vier jaar zonder enig verder contact met de Getuigen! Ondertussen vroeg hij Jehovah in gebed Getuigen te sturen om hem te helpen.

Onlangs werd Fredy’s gebed verhoord. Een paar Getuigen ondernamen de moeilijke reis naar zijn dorp en waren verbaasd te zien wat hij allemaal bereikt had. Ze berichtten: „Hoewel Fredy geen gedoopte Getuige is, leeft hij wel zo!” Na slechts drie maanden werd hij goedgekeurd als ongedoopte verkondiger. Om gedoopt te worden, kwam Fredy de berg af om zijn eerste congres bij te wonen, en hij bracht negentien van zijn Bijbelstudenten mee. Nu heeft hij nog drie Cabecarsprekende groepen georganiseerd in dorpjes die nog geïsoleerder liggen dan het zijne.

Costa Rica: Fredy, die nu als gewone pionier dient, legt grote afstanden af om Bijbelstudies te leiden

Ze verdedigde haar geloof op school

Op een dag moest Anna, die in de Verenigde Staten op de middelbare school zit, haar geloof verdedigen tegenover een aantal leeftijdgenoten die woedend waren omdat ze niet in de Drie-eenheid geloofde. „Ze begonnen ruzie met me te zoeken,” vertelt Anna, „maar ik bleef kalm omdat  ik degenen die het zagen geen slecht beeld van Jehovah’s Getuigen wilde geven.” Die avond bad ze tot Jehovah om moed en deed nazoekwerk over de Drie-eenheidsleer. De volgende dag nam ze haar bijbel mee naar school. Haar klasgenoten kwamen om haar heen staan, velen giechelend. Toch las ze moedig een aantal teksten voor en beredeneerde die. Uiteindelijk stonden de ruziezoekers met de mond vol tanden. De voornaamste tegenstandster, die ook de klassenvertegenwoordigster was, moest ten slotte bekennen dat ze nu respect heeft voor Jehovah’s Getuigen. Het hele schooljaar door stelde ze Anna allerlei vragen over haar geloof.

Een kapotte schoen op het juiste moment

Een jonge vrouw op Barbados liep op een zondagochtend naar de kerk toen er een riempje van haar schoen brak. Ze ging naar een nabijgelegen huis en vroeg om een veiligheidsspeld om de schoen te repareren. Het was toevallig het huis van een Getuige en haar dochter. Terwijl de  jonge vrouw haar schoen repareerde, vertelde de zuster haar over de Bijbelprofetieën die nu in vervulling gaan. Vervolgens nodigde de dochter van de zuster de jonge vrouw uit om later die ochtend met hen mee te gaan naar de vergadering in de Koninkrijkszaal. Omdat de vrouw zag dat ze te laat was voor haar kerkdienst, besloot ze op de uitnodiging in te gaan. Tijdens de vergadering zocht ze alle teksten in haar King James-bijbel op. Ze was diep onder de indruk van het programma. Ze zei dat ze het lawaai van drums en het geschreeuw in haar kerk moe was en dat ze altijd haar bijbel in een rustige omgeving had willen bestuderen. Ze accepteerde zowel het Leert de bijbel-boek als een Bijbelstudie. Nu komt ze naar alle vergaderingen en doet er enthousiast aan mee.

Er is er maar één die hem met prediken kan laten ophouden

Een jonge broeder in Guyana vertelt: „Ik geef op school graag getuigenis aan mijn klasgenoten, maar er is één jongen die dat niet aanstaat. Op een dag drukte hij me tegen de muur en zei: ’Hou op met dat gepredik!’ Daarop zei ik dat er maar één is die me kan laten ophouden, namelijk Jehovah. Toen ik doorging met prediken, sneed de jongen mijn rugzak kapot. Daarna stompte hij me in m’n gezicht, zodat mijn lip barstte. We werden allebei in het kantoor van de directrice geroepen, die me vroeg wat ik had gedaan dat de jongen me in m’n gezicht had gestompt. Ik antwoordde dat ik het goede nieuws predikte en dat de jongen daarom met me vocht. Ze vroeg waarom ik niet terugvocht en suggereerde zelfs dat ik dat had moeten doen. Ik zei dat ik uit Romeinen 12:17 in de Bijbel had geleerd dat christenen ’niemand kwaad met kwaad mogen vergelden’. Toen ze dat hoorde, mocht ik weggaan en zei ze dat ze de jongen die me had aangevallen zou aanpakken.”

Catamarca (Argentinië)