Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Gods Koninkrijk regeert!

 HOOFDSTUK 13

Koninkrijkspredikers stappen naar de rechter

Koninkrijkspredikers stappen naar de rechter

HOOFDGEDACHTE

Zoals Jezus voorspelde, krijgt het predikingswerk juridische tegenstand

1, 2. (a) Waarin slaagden de religieuze leiders, en hoe reageerden de apostelen? (b) Waarom weigerden de apostelen zich te houden aan het verbod op de prediking?

HET is kort na Pinksteren 33. De christelijke gemeente in Jeruzalem is nog maar een paar weken oud. Satan vindt het tijd om in actie te komen. Hij wil korte metten maken met de gemeente voordat die sterker wordt. Al snel weet hij het zo te manipuleren dat de religieuze leiders de prediking van het Koninkrijk verbieden. Maar de apostelen gaan dapper door met prediken, en veel mannen en vrouwen worden „gelovigen in de Heer” (Hand. 4:18, 33; 5:14).

De apostelen waren „verheugd dat zij waardig gerekend waren ten behoeve van zijn naam oneer te lijden”

2 Woedend slaan de tegenstanders een tweede keer toe. Deze keer zetten ze alle apostelen gevangen. Maar ’s nachts opent Jehovah’s engel de deuren van de gevangenis en ’s ochtends vroeg zijn de apostelen alweer aan het prediken! Opnieuw worden ze gearresteerd en voor de leiders gebracht, die de apostelen ervan beschuldigen dat ze het verbod op de prediking negeren. De apostelen antwoorden moedig: „Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen.” De leiders zijn zo kwaad dat ze de apostelen om het leven willen brengen. Maar op dat kritieke moment neemt Gamaliël, een gerespecteerde leraar van de Wet, het woord. Hij waarschuwt: „Laat u niet in met deze mensen, maar laat hen begaan.” Onverwacht volgen de leiders zijn advies op en laten ze de apostelen gaan. Wat zullen die trouwe mannen doen? Onverschrokken blijven ze „zonder ophouden (...) onderwijzen en het goede nieuws over de Christus, Jezus, bekendmaken” (Hand. 5:17-21, 27-42; Spr. 21:1, 30).

3, 4. (a) Welke beproefde methode heeft Satan gebruikt om Gods volk aan te vallen? (b) Wat komt in dit hoofdstuk aan bod, en wat in de volgende twee?

3 Die rechtszaak in het jaar 33 was de eerste keer dat de christelijke gemeente te maken kreeg met tegenstand van de autoriteiten, maar zeker niet de laatste (Hand. 4:5-8; 16:20; 17:6, 7). Onder invloed van Satan dringen tegenstanders van de ware aanbidding er in deze tijd nog steeds bij de autoriteiten op aan de prediking te verbieden. Ze hebben allerlei beschuldigingen tegen Gods volk ingebracht. Bijvoorbeeld dat we onruststokers zijn die de openbare orde verstoren.  Daarnaast worden we opruiers en venters genoemd. Op geschikte momenten zijn onze broeders naar de rechter gegaan om aan te tonen dat die beschuldigingen niet kloppen. Wat is het resultaat geweest van die rechtszaken? Wat betekenen de rechterlijke uitspraken van tientallen jaren geleden voor jou? Laten we eens kijken hoe een aantal rechtszaken geholpen hebben „in het verdedigen en wettelijk bevestigen van het goede nieuws” (Fil. 1:7).

4 In dit hoofdstuk komt aan bod hoe we ons recht op de vrijheid om te prediken hebben verdedigd. De volgende twee hoofdstukken gaan over de juridische strijd die we hebben gevoerd om geen deel van de wereld te zijn en naar Koninkrijksnormen te leven.

Onruststokers of loyale voorvechters van Gods Koninkrijk?

5. Waarom werden Koninkrijkspredikers eind jaren dertig gearresteerd, en wat overwogen degenen die de leiding hadden?

5 Eind jaren dertig probeerden meerdere staten en steden in de VS Jehovah’s Getuigen te verplichten om voor de prediking een of andere vergunning aan te vragen. Maar onze broeders deden dat niet. Een vergunning kan weer ingetrokken worden, en ze waren van mening dat regeringen niet het gezag hebben om zich te bemoeien met Jezus’ gebod om de Koninkrijksboodschap te prediken (Mark. 13:10). Het gevolg was dat honderden verkondigers werden gearresteerd. Daarop overwogen degenen die in de organisatie de leiding hadden om naar de rechter te stappen. Ze hoopten aan te tonen dat de staat onrechtmatig beperkingen had opgelegd aan het recht van de Getuigen om hun godsdienst vrij te beoefenen. In 1938 gebeurde er iets dat tot een baanbrekende rechtszaak leidde.

6, 7. Wat gebeurde er met de familie Cantwell?

6 Op dinsdagochtend 26 april 1938 trok familie Cantwell eropuit om een dag te prediken in de stad New Haven (Connecticut). Newton (60), zijn vrouw, Esther, en hun zoons Henry, Russell en Jesse, allemaal speciale pioniers, hadden zich erop voorbereid om langer dan een dag van huis te zijn. Ze waren namelijk al een paar keer gearresteerd en wisten dat het opnieuw kon gebeuren. Maar de familie Cantwell liet zich door dat vooruitzicht niet ontmoedigen. Ze kwamen met twee auto’s in New Haven aan. Newton reed in de gezinsauto, die volgeladen was met Bijbelse lectuur en draagbare grammofoons, en Henry (22) in een geluidswagen. Zoals verwacht werden ze inderdaad binnen enkele uren door de politie aangehouden.

7 Eerst werd Russell (18) gearresteerd, en daarna Newton en Esther. Van een afstandje zag Jesse (16) dat de politie zijn ouders en broer meenam. Henry was in een ander deel van de stad aan het prediken, dus bleef de jonge Jesse alleen achter.  Toch pakte hij zijn grammofoon op en ging hij verder met prediken. Twee katholieke mannen lieten hem de lezing „Vijanden” van broeder Rutherford afspelen. Maar toen ze de lezing hoorden, werden ze zo kwaad dat ze Jesse wilden aanvallen. Hij liep rustig weg, maar kort daarna hield een agent hem tegen. Zo werd ook Jesse gearresteerd. De politie diende geen aanklacht in tegen zuster Cantwell, maar wel tegen broeder Cantwell en zijn zoons. Op dezelfde dag werden ze op borgtocht vrijgelaten.

8. Waarom oordeelde het Hooggerechtshof dat Jesse Cantwell een onruststoker was?

8 Een paar maanden later, in september 1938, verscheen familie Cantwell voor de rechtbank in New Haven. Newton, Russell en Jesse werden veroordeeld voor collecteren zonder vergunning. In hoger beroep bij het Hooggerechtshof van Connecticut werd Jesse schuldig bevonden aan het aanzetten tot verstoring van de openbare orde. Waarom? Omdat de twee katholieke mannen in de rechtszaal getuigden dat de lezing hun geloof had beledigd en hen had geprovoceerd. Om de vonnissen aan te vechten gingen de verantwoordelijke broeders in beroep bij het Amerikaanse Hooggerechtshof.

9, 10. (a) Hoe oordeelde het Hooggerechtshof in de zaak Cantwell? (b) Waarom is die uitspraak nog steeds van belang?

9 Vanaf 29 maart 1940 luisterden opperrechter Charles E. Hughes en acht andere rechters naar de argumenten van broeder Hayden Covington, een advocaat van Jehovah’s  Getuigen. * Toen de openbare aanklager van Connecticut zijn argumenten aanvoerde om te bewijzen dat de Getuigen onruststokers waren, vroeg een rechter: „Is het niet zo dat de boodschap die Christus Jezus verkondigde, in zijn tijd impopulair was?” De aanklager antwoordde: „Dat klopt, en als ik me niet vergis, zegt de Bijbel ook wat er met Jezus gebeurde omdat hij die boodschap verkondigde.” Wat een veelzeggende uitspraak! Ongewild stelde hij de Getuigen gelijk aan Jezus en de staat aan degenen die hem veroordeelden. Op 20 mei 1940 besliste het Hooggerechtshof unaniem in het voordeel van de Getuigen.

Hayden Covington (vooraan in het midden), Glen How (links) en anderen verlaten de rechtbank na een juridische overwinning

10 Waarom was de uitspraak zo belangrijk? Omdat het recht op godsdienstvrijheid in de VS nu beter werd beschermd. Zowel de federale overheid als de deelstaten en de plaatselijke overheden konden die vrijheid niet meer wettelijk beperken. Verder zag het Hooggerechtshof in Jesse’s gedrag „geen (...) bedreiging voor de openbare orde”. De uitspraak bevestigde duidelijk dat Jehovah’s Getuigen geen onruststokers zijn. Wat een geweldige juridische overwinning voor Gods aanbidders! Waarom is die overwinning in deze tijd nog steeds van belang? Een advocaat die een Getuige is, zegt: „Dankzij het recht om onze godsdienst vrij te beoefenen, zonder angst voor onredelijke beperkingen, kunnen we als Getuigen in deze tijd een boodschap van hoop delen met anderen in onze gemeenschap.”

Opruiers of verkondigers van de waarheid?

Quebec’s Burning Hate for God and Christ and Freedom Is the Shame of All Canada

11. Wat voor actie organiseerden onze broeders in Canada, en waarom?

11 In de jaren veertig kregen Jehovah’s Getuigen in Canada met felle tegenstand te maken. Daarom organiseerden onze broeders in 1946 een actie van zestien dagen met het traktaat Quebec’s Burning Hate for God and Christ and Freedom Is the Shame of All Canada. Daarmee wilden ze bekendheid geven aan de minachting van de staat voor het recht op vrijheid van aanbidding. Op de vier pagina’s van dit traktaat stond een gedetailleerd verslag van gewelddadig politieoptreden, rellen waar geestelijken toe hadden aangezet en geweld van opgehitste menigten tegen onze broeders en zusters in de provincie Quebec. „Onrechtmatige arrestatie van Jehovah’s Getuigen gaat door”, zei het traktaat. „Er zijn maar liefst 800 aanklachten tegen Jehovah’s Getuigen in Groot-Montreal.”

12. (a) Hoe reageerden tegenstanders op de traktaatactie? (b) Waar werden de broeders voor aangeklaagd? (Zie ook de voetnoot.)

12 De premier van Quebec, Maurice Duplessis, die dikke vrienden was met de rooms-katholieke kardinaal Villeneuve, kondigde in reactie op het traktaat een „genadeloze oorlog” tegen de Getuigen aan. Het aantal processen verdubbelde al snel van 800 naar 1600. „De politie arresteerde ons zo vaak dat we de tel kwijtraakten”, zei een pionierster. Getuigen die betrapt werden op het verspreiden van het traktaat, werden aangeklaagd voor het openbaar maken van „opruiende laster”. *

13. Wie waren de eersten die wegens opruiing voor de rechter moesten komen, en wat was het vonnis?

 13 Broeder Aimé Boucher en zijn dochters Gisèle (18) en Lucille (11) waren in 1947 de eersten die wegens opruiing voor de rechter moesten verschijnen. Ze hadden het traktaat verspreid in de buurt van hun boerderij in de heuvels ten zuiden van de stad Quebec. Maar het was moeilijk ze als wetteloze onruststokers te zien. Broeder Boucher was een nederige, zachte man die een rustig leven leidde op zijn kleine boerderij en af en toe met paard-en-wagen naar de stad ging. Toch had juist zijn gezin enkele van de misstanden meegemaakt die in het traktaat beschreven stonden. De rechter, die een hekel had aan Getuigen, weigerde bewijzen toe te laten die de onschuld van de familie Boucher aantoonden. In plaats daarvan ging hij mee in het standpunt van de aanklager dat het traktaat opruiend was en dat de familie Boucher schuldig bevonden moest worden. De mening van de rechter kwam er dus op neer dat het een misdrijf was de waarheid te vertellen! Aimé en Gisèle werden veroordeeld voor opruiende laster, en zelfs de jonge Lucille zat twee dagen in de gevangenis. De broeders gingen in hoger beroep bij het Hooggerechtshof van Canada, die de zaak in behandeling nam.

14. Wat deden de broeders en zusters in Quebec in de jaren van vervolging?

14 Ondanks de aanhoudende, gewelddadige aanvallen gingen onze moedige broeders en zusters in Quebec intussen door met het prediken van de Koninkrijksboodschap — vaak met mooie resultaten. In de vier jaar na het begin van de traktaatactie in 1946 steeg het aantal Getuigen in Quebec van driehonderd tot duizend! *

15, 16. (a) Wat was de uitspraak van het Hooggerechtshof in de zaak Boucher? (b) Wat betekende deze overwinning voor onze broeders en voor anderen?

15 In juni 1950 kwam de zaak van Aimé Boucher voor het voltallige Hooggerechtshof van Canada, dat uit negen rechters bestond. Zes maanden later, op 18 december 1950, besliste het Hooggerechtshof in ons voordeel. Waarom? Broeder Glen How, een advocaat van de Getuigen, legde uit dat het Hooggerechtshof het eens was met het argument van de verdediging dat er bij ’opruiing’ sprake moet zijn van aanzetten tot geweld of oproer tegen de regering. Maar het traktaat „bevatte niets opruiends en was daarom een wettige vorm van vrije meningsuiting”. Broeder How voegde eraan toe: „Ik zag met eigen ogen hoe Jehovah de overwinning schonk.” *

16 De beslissing van het Hooggerechtshof was een klinkende overwinning voor Gods Koninkrijk. Er was nu geen basis meer voor de 122 overige lopende zaken waarin Getuigen in Quebec van opruiende laster beschuldigd werden. Daarnaast betekende de uitspraak dat inwoners van Canada en het Britse Gemenebest nu de vrijheid hadden bezwaren te uiten tegen de manier van regeren. Bovendien nam deze overwinning de angel uit de aanval van Kerk en Staat in Quebec op de vrijheden van Jehovah’s Getuigen. *

 Venters of ijverige aankondigers van Gods Koninkrijk?

17. Hoe proberen sommige regeringen onze prediking te reguleren?

17 Net als de eerste christenen zijn Jehovah’s aanbidders in deze tijd „geen venters van het woord van God”. (Lees 2 Korinthiërs 2:17.) Toch proberen regeringen onze prediking soms te reguleren met handelswetten. Laten we eens twee rechtszaken bekijken over de vraag of Jehovah’s Getuigen venters zijn of predikers.

18, 19. Hoe probeerden de autoriteiten in Denemarken de prediking aan banden te leggen?

18 Denemarken. Op 1 oktober 1932 werd een wet van kracht die het illegaal maakte om gedrukt materiaal te verkopen zonder ventvergunning. Maar onze broeders vroegen geen vergunning aan. De volgende dag gingen vijf verkondigers prediken in Roskilde, een stad op ruim 30 kilometer ten westen van de hoofdstad, Kopenhagen. Aan het eind van de dag was een van de verkondigers, August Lehmann, verdwenen. Hij was gearresteerd voor het verkopen van goederen zonder vergunning.

19 Op 19 december 1932 verscheen August Lehmann voor de rechter. Hij getuigde dat hij naar de mensen toe was gegaan om Bijbelse lectuur aan te bieden, maar hij ontkende dat hij aan het venten was geweest. De rechtbank was het met hem eens en zei: „De gedaagde (...) kan zichzelf onderhouden. Hij heeft er geen financieel voordeel van gehad en had daar ook niet de intentie toe, maar heeft zelfs financieel verlies geleden door zijn activiteiten.” De rechtbank besliste in het voordeel van de Getuigen en oordeelde dat de activiteiten van Lehmann niet „als handel getypeerd konden worden”. Maar de vijanden van Gods volk waren vastbesloten om de prediking in het hele land aan banden te leggen (Ps. 94:20). De openbare aanklager ging in hoger beroep, tot aan het Hooggerechtshof toe. Hoe reageerden onze broeders daarop?

20. Wat was de uitspraak van het Hooggerechtshof, en hoe reageerden onze broeders en zusters?

20 In de week voor de zitting van het Hooggerechtshof zetten Getuigen in heel Denemarken in de prediking een tandje bij. Op dinsdag 3 oktober 1933 deed het Hooggerechtshof uitspraak. Het oordeelde net als de lagere rechtbank dat August Lehmann de wet niet had overtreden. Dit betekende dat de Getuigen in vrijheid konden blijven prediken. Om Jehovah te laten zien hoe dankbaar ze waren voor de juridische overwinning, gingen ze zelfs nog meer prediken. Sinds die uitspraak kunnen de broeders en zusters in Denemarken hun dienst zonder inmenging van de overheid verrichten.

Moedige Getuigen in Denemarken in de jaren dertig

21, 22. Wat was de beslissing van het Hooggerechtshof in de zaak Murdock?

21 Verenigde Staten. Op zondag 25 februari 1940 werden Robert Murdock jr., een pionier, en zeven andere Getuigen gearresteerd toen ze predikten in Jeannette, een stad vlakbij Pittsburgh. Ze werden veroordeeld wegens het aanbieden van lectuur zonder vergunning. Toen ze in hoger beroep gingen,  stemde het Amerikaanse Hooggerechtshof erin toe de zaak in behandeling te nemen.

22 Op 3 mei 1943 deed het Hooggerechtshof uitspraak, en die was in het voordeel van de Getuigen. Het Hooggerechtshof had er bezwaar tegen dat er een vergunning vereist werd, omdat dit neerkwam op „een belasting voor het genieten van een door de federale grondwet gewaarborgd recht”. Het verklaarde de verordening van de stad ongeldig omdat het „een beperking van de persvrijheid en de godsdienstvrijheid” was. Rechter William O. Douglas gaf de mening van de meerderheid weer toen hij over het werk van Jehovah’s Getuigen zei: „Het is meer dan prediken; het is meer dan het verspreiden van religieuze lectuur. Het is een combinatie van beide.” Hij voegde eraan toe: „Deze vorm van religieuze activiteit geniet (...) hetzelfde hoge aanzien als de eredienst in de kerken en het preken vanaf de kansel.”

23. Waarom zijn de juridische overwinningen van 1943 in deze tijd van belang?

23 Deze uitspraak van het Hooggerechtshof was een belangrijke juridische overwinning voor Gods volk. Het was een bevestiging van wat we echt zijn: christelijke predikers, geen commerciële verkopers. Op deze gedenkwaardige dag in 1943 wonnen Jehovah’s Getuigen met inbegrip van de zaak Murdock  twaalf van de dertien zaken voor het Hooggerechtshof. Deze uitspraken zijn een krachtig precedent geweest voor recente rechtszaken waarin tegenstanders opnieuw ons recht hebben aangevochten om de Koninkrijksboodschap in het openbaar en van huis tot huis te prediken.

„Wij moeten God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen”

24. Hoe reageren we als een regering onze prediking verbiedt?

24 We hebben er als aanbidders van Jehovah veel waardering voor als regeringen ons het wettelijke recht geven om de Koninkrijksboodschap vrij te prediken. Maar als een regering onze prediking verbiedt, passen we gewoon onze methoden aan en gaan we op elke mogelijke manier verder met ons werk. Net als de apostelen moeten we „God als regeerder meer gehoorzamen dan mensen” (Hand. 5:29; Matth. 28:19, 20). Tegelijkertijd stappen we naar de rechter om het verbod op ons werk aan te vechten. Hier volgen twee voorbeelden.

25, 26. Wat leidde in Nicaragua tot een zaak voor het Hooggerechtshof, en wat was het resultaat?

25 Nicaragua. Op 19 november 1952 stapte Donovan Munsterman, zendeling en bijkantoordienaar, binnen bij de immigratiedienst in de hoofdstad, Managua. Hij moest zich melden bij commandant Arnoldo García, het hoofd van de dienst. De commandant zei tegen Donovan dat het voor alle Getuigen van Jehovah in Nicaragua „verboden was nog langer hun leerstellingen te prediken en hun religieuze activiteiten te promoten”. Op de vraag waarom legde García uit dat de Getuigen geen toestemming van de minister van Bestuur en Religie hadden om hun bediening te verrichten en dat ze ervan beschuldigd werden communisten te zijn. Van wie kwam de beschuldiging? Van de rooms-katholieke geestelijkheid.

Broeders en zusters in Nicaragua tijdens het verbod

 26 Broeder Munsterman wendde zich meteen tot het ministerie van Bestuur en Religie en ook tot president Anastasio Somoza García, maar zonder succes. Dus pasten de broeders hun methoden aan. Ze sloten de Koninkrijkszaal, gingen in kleinere groepen vergaderen en stopten met straatgetuigenis. Maar ze gingen wel door met de prediking van het Koninkrijk. Tegelijkertijd dienden ze een verzoekschrift in bij het Hooggerechtshof van Nicaragua om het verbod ongedaan te maken. Het verbod en de inhoud van het verzoekschrift kregen veel aandacht in de kranten, en het Hooggerechtshof nam de zaak in behandeling. Wat was het resultaat? Op 19 juni 1953 maakte het Hooggerechtshof de beslissing bekend, die unaniem ten gunste van de Getuigen was. Het oordeelde dat het verbod een schending was van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van geweten en de vrijheid van godsdienst die in de grondwet gewaarborgd worden. Het bepaalde ook dat de relatie tussen de regering van Nicaragua en de Getuigen hersteld moest worden.

27. Waarom stonden de mensen in Nicaragua versteld van de uitspraak van het Hooggerechtshof, en hoe bezagen de broeders deze overwinning?

27 De mensen in Nicaragua stonden er versteld van dat het Hooggerechtshof de kant van de Getuigen had gekozen. Het had tot dan toe conflicten met de geestelijken vermeden omdat hun invloed zo sterk was. Daarnaast ging het zelden tegen beslissingen van de overheid in omdat die zo veel macht had. Onze broeders wisten zeker dat ze de overwinning hadden behaald omdat ze beschermd waren door hun Koning en waren blijven prediken (Hand. 1:8).

28, 29. Wat gebeurde er in het midden van de jaren tachtig in Zaïre?

28 Zaïre. In het midden van de jaren tachtig waren er ongeveer 35.000 Getuigen in Zaïre, het huidige Congo (Kinshasa). Omdat de Koninkrijksactiviteiten bleven toenemen, waren de broeders bezig met de bouw van een nieuw bijkantoor. In december 1985 was er een internationaal congres in Kinshasa, waar 32.000 congresgangers van over de hele wereld het stadion vulden. Maar ineens veranderde de situatie. Wat gebeurde er?

29 Broeder Marcel Filteau, een zendeling uit Quebec die de vervolging onder het regime van Duplessis had meegemaakt, diende in die tijd in Zaïre. Hij vertelde wat er gebeurde: „Op 12 maart 1986 kregen de verantwoordelijke broeders een brief waarin de vereniging van Jehovah’s Getuigen in Zaïre onwettig werd verklaard.” Het verbod was ondertekend door de president, Mobutu Sese Seko.

30. Welke belangrijke beslissing moest het bijkantoorcomité nemen, en tot welke conclusie kwamen ze?

30 De volgende dag werd op de nationale radio gezegd: „We zullen in [Zaïre] nooit meer iets van Jehovah’s Getuigen horen.” Daarna barstte de vervolging los. Koninkrijkszalen werden verwoest en onze broeders en zusters werden beroofd, gearresteerd, gevangengezet en mishandeld. Zelfs kinderen  van Getuigen belandden in de gevangenis. Op 12 oktober 1988 legde de regering beslag op de bezittingen van de organisatie en werd het terrein van het bijkantoor bezet door de nationale garde, een legereenheid. De verantwoordelijke broeders tekenden bezwaar aan bij president Mobutu, maar ze kregen geen antwoord. Het bijkantoorcomité stond nu voor een belangrijke beslissing: „Zullen we naar het Hooggerechtshof gaan of zullen we wachten?” Timothy Holmes, een zendeling die toen coördinator van het bijkantoorcomité was, vertelt: „We vroegen Jehovah om wijsheid en leiding.” Na gebedsvol overleg kwam het comité tot de conclusie dat het niet de juiste tijd was voor juridische stappen. In plaats daarvan werd het accent gelegd op de zorg voor de broeders en zusters en op het zoeken naar manieren om te blijven prediken.

„In de tijd van het proces zagen we hoe Jehovah de dingen kan veranderen”

31, 32. Welke opmerkelijke uitspraak deed het Hooggerechtshof, en welke uitwerking had dat op onze broeders en zusters?

31 Na een aantal jaren werd de druk op de Getuigen minder en nam het respect voor de mensenrechten toe. Het bijkantoorcomité concludeerde dat het nu tijd was om het verbod aan te vechten bij het Hooggerechtshof van Zaïre. Opmerkelijk genoeg nam het de zaak in behandeling. Op 8 januari 1993, bijna zeven jaar na het presidentiële verbod, oordeelde het Hooggerechtshof dat de stappen van de regering tegen de Getuigen onrechtmatig waren. Het verbod werd opgeheven. Dat was niet niks: de rechters hadden met gevaar voor eigen leven een beslissing van de president teruggedraaid! Broeder Holmes vertelt: „In de tijd van het proces zagen we hoe Jehovah de dingen kan veranderen” (Dan. 2:21). Deze overwinning sterkte het geloof van onze broeders en zusters. Ze hadden  echt het gevoel dat hun Koning, Jezus, ze duidelijk had gemaakt wanneer en hoe ze in actie moesten komen.

Getuigen in Congo (Kinshasa) zijn blij dat ze Jehovah in vrijheid kunnen aanbidden

32 Nu het verbod was opgeheven, werden er weer zendelingen toegelaten, kon er een nieuw bijkantoor gebouwd worden en mocht er Bijbelse lectuur geïmporteerd worden. * Het is voor Jehovah’s volk wereldwijd echt fantastisch om te zien hoe hij hun geestelijke welzijn beschermt (Jes. 52:10).

„Jehovah is mijn helper”

33. Wat leren we van dit korte overzicht van een paar rechtszaken?

33 Het overzicht van onze juridische strijd bewijst dat Jezus zich heeft gehouden aan zijn belofte: „Ik zal u een mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders te zamen niet zullen kunnen weerstaan noch tegenspreken.” (Lees Lukas 21:12-15.) Soms heeft Jehovah er kennelijk voor gezorgd dat hedendaagse Gamaliëls zijn volk beschermen en dat moedige rechters en advocaten opkomen voor rechtvaardigheid. Jehovah heeft de wapens van onze tegenstanders bot gemaakt. (Lees Jesaja 54:17.) Tegenstand kan Gods werk niet stoppen.

34. Waarom zijn onze juridische overwinningen zo bijzonder, en wat wordt erdoor bewezen? (Zie ook het kader „ Overwinningen voor het Hooggerechtshof bevorderen de Koninkrijksprediking”.)

34 Waarom zijn onze juridische overwinningen zo bijzonder? Bedenk dat Jehovah’s Getuigen nauwelijks aanzien of invloed hebben. We stemmen niet, ondersteunen geen politieke campagnes en lobbyen niet. Bovendien worden broeders en zusters die voor de rechter moeten komen, over het algemeen gezien als „ongeletterde en gewone mensen” (Hand. 4:13). Menselijk gesproken hebben rechtbanken weinig reden om in het nadeel van onze machtige religieuze en politieke vijanden te beslissen en ons te hulp te komen. Toch hebben ze vaak in ons voordeel beslist. Onze juridische overwinningen bewijzen dat we wandelen „onder het oog van God, in gezelschap van Christus” (2 Kor. 2:17). Daarom zeggen we net als Paulus: „Jehovah is mijn helper; ik wil niet bevreesd zijn” (Hebr. 13:6).

^ ¶9 Deze zaak, Cantwell v. State of Connecticut, was de eerste van 43 zaken voor het Amerikaanse Hooggerechtshof waarbij de broeders door Hayden Covington werden verdedigd. Hij stierf in 1978. Zijn weduwe, Dorothy, diende trouw tot haar dood in 2015, toen ze 92 was.

^ ¶12 De uitspraak was gebaseerd op een wet uit 1606. Een jury kon iemand hierdoor schuldig verklaren als ze vonden dat hij iets had gezegd wat tot vijandigheid aanzette — zelfs als het waar was wat hij had gezegd.

^ ¶14 In 1950 waren er 164 volletijddienaren in Quebec, onder wie 63 afgestudeerden van Gilead die hun toewijzing bereidwillig hadden geaccepteerd ondanks de felle tegenstand die hun te wachten stond.

^ ¶15 Glen How was een moedige, deskundige advocaat die van 1943 tot 2003 honderden keren een juridische strijd heeft gevoerd voor Jehovah’s Getuigen in Canada en elders.

^ ¶16 Zie voor meer details over deze zaak het artikel „Het is geen strijd van u, maar van God” in de Ontwaakt! van 22 april 2000, blz. 18-24.

^ ¶32 De nationale garde gaf het terrein van het bijkantoor uiteindelijk weer vrij, maar het nieuwe bijkantoor werd op een andere locatie gebouwd.

Meer info

Jehovah’s Getuigen — Geloof in actie, Deel 2: Laat het licht schijnen

Jezus gebood zijn volgelingen discipelen te maken in alle naties. Als gevolg van tegenstand en allerlei uitdagingen ondervonden de Bijbelonderzoekers wat het echt inhield het licht te laten schijnen.