Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Hoe kunt u een gelukkig leven hebben?

 DEEL 18

Welke zegeningen zal de Messias brengen?

Welke zegeningen zal de Messias brengen?

„Zijn naam zal worden genoemd: (...) Vredevorst.” — JESAJA 9:6 [9:5].

HET zoenoffer van de Messias zal de mensenharten volkomen van de last van zonde en schuld bevrijden. Maar zijn Koninkrijk zal nog veel meer tot stand brengen.

Hoe zal God het Koninkrijk gebruiken als de Messias regeert?

„In zijn dagen zal de rechtvaardige uitspruiten, en overvloed van vrede, totdat de maan niet meer is. En hij zal onderdanen hebben van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde” (Psalm 72:7, 8).

De zegeningen van de Messiaanse heerschappij omvatten ook eindeloos leven op aarde. „De rechtvaardigen, díé zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven” (Psalm 37:29). „Daar gebood Jehovah de zegen te zijn, ja, leven tot onbepaalde tijd” (Psalm 133:3). „Als de dagen van een boom zullen de dagen van mijn volk zijn, en het werk van hun eigen handen zullen mijn uitverkorenen geheel verbruiken” (Jesaja 65:20-25).

Jehovah beloofde David „lengte van dagen tot onbepaalde tijd, ja, voor eeuwig” (Psalm 21:4 [21:5]). Voor de vervulling van die belofte zal een opstanding nodig zijn, zoals elders in de Heilige Schrift werd voorzegd. Enkele voorbeelden zijn: „Kan een fysiek sterke man als hij sterft opnieuw leven? (...) Gij zult roepen, en ikzelf zal u antwoorden. Naar het werk van uw handen zult gij een vurig verlangen hebben” (Job 14:13-15). „Hij zal werkelijk de dood voor eeuwig verzwelgen, en de Soevereine Heer Jehovah zal stellig de tranen van alle aangezichten wissen” (Jesaja 25:8). „Gij zult rusten, maar gij zult opstaan tot uw bestemming aan het einde der dagen” (Daniël 12:2, 13).

Jehovah heeft al duidelijk laten zien dat hij de wens heeft en in staat is om doden het leven terug te geven (1 Koningen 17:17-24; 2 Koningen 4:32-37; 13:20, 21).