Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Volg hun geloof na

 HOOFDSTUK TWINTIG

„Ik heb geloofd”

„Ik heb geloofd”

1. Hoe voelde Martha zich, en waarom?

MARTHA zag het elke keer weer voor zich: het graf van haar broer Lazarus, een grot met een steen voor de opening. Haar verdriet was net zo koud en zwaar als die steen. Ze kon bijna niet geloven dat haar lieve broer er niet meer was. De vier dagen na zijn dood leken één grote waas van rouw, bezoekers en blijken van medeleven.

2, 3. (a) Hoe heeft Martha zich waarschijnlijk gevoeld toen ze Jezus zag? (b) Wat blijkt uit Martha’s uitspraak?

2 En nu stond Jezus voor haar, de man die het meest voor Lazarus had betekend. Ze werd zich daardoor waarschijnlijk nog pijnlijker bewust van haar verdriet, want hij was de enige ter wereld die haar broer had kunnen redden. Toch werd ze getroost doordat Jezus er was, hier aan de rand van het dorpje Bethanië in de heuvels. Nu ze even met hem kon praten, voelde ze zich weer wat beter door de vriendelijke blik in zijn ogen en zijn intense medeleven dat altijd zo hartverwarmend was. Hij stelde haar vragen die haar hielpen zich te concentreren op haar geloof en haar hoop op de opstanding. Vervolgens deed ze een van de belangrijkste uitspraken die ze ooit heeft gedaan: „Ik heb geloofd dat gij de Christus zijt, de Zoon van God, Degene die in de wereld komt” (Joh. 11:27).

3 Die woorden laten zien dat Martha een vrouw met een bijzonder geloof was. Uit het weinige dat de Bijbel over haar vertelt, leren we diepgaande lessen die ons kunnen helpen ons eigen geloof te versterken. Laten we daarom eens teruggaan naar de eerste keer dat Martha in de Bijbel wordt genoemd.

„Bezorgd en verontrust”

4. In welk opzicht vormden Lazarus, Martha en Maria geen doorsnee gezin, en hoe was hun relatie met Jezus?

4 Het was maanden daarvoor. Lazarus was nog helemaal gezond en zou een heel belangrijke gast krijgen: Jezus Christus. Lazarus,  Martha en Maria vormden geen doorsnee gezin; het waren drie volwassenen (een broer en twee zussen) die kennelijk in één huis woonden. Sommige onderzoekers denken dat Martha de oudste was, omdat zij als gastvrouw leek op te treden en soms als eerste wordt genoemd (Joh. 11:5). We weten niet of de drie ooit getrouwd zijn geweest. In ieder geval werden ze goede vrienden van Jezus. Tijdens zijn werk in Judea, waar hij zo veel tegenstand en vijandigheid ondervond, maakte hij hun huis in Bethanië tot zijn thuisbasis. Hij was ongetwijfeld heel blij dat hij daar rust en steun kon vinden.

5, 6. (a) Waarom had Martha het heel druk toen Jezus op bezoek zou komen? (b) Wat deed Maria toen Jezus er eenmaal was?

5 Martha deed veel aan de gezellige en gastvrije sfeer in huis. Ze was een ijverige, hardwerkende vrouw en het leek wel of ze altijd druk in de weer was. Dat was ook het geval toen Jezus op bezoek zou komen. Ze maakte meteen plannen voor een uitgebreide maaltijd voor haar bijzondere gast, die misschien ook nog wat vrienden bij zich zou hebben. Gastvrijheid was in die tijd heel belangrijk. Een gast werd bij zijn aankomst begroet met een kus, zijn sandalen werden uitgedaan, zijn voeten werden gewassen en zijn hoofd werd ingewreven met geurige olie. (Lees Lukas 7:44-47.) Er werd alles gedaan om het hem naar zijn zin te maken.

6 Martha en Maria hadden heel wat te doen. Maria, die soms als de meer gevoelige en bedachtzame van de twee wordt bezien, heeft haar zus in het begin vast wel geholpen. Maar dat veranderde toen Jezus er eenmaal was. Hij zag zijn bezoek als een gelegenheid om te onderwijzen, en dat deed hij ook! In tegenstelling tot de religieuze leiders van zijn tijd had Jezus respect voor vrouwen en onderwees hij hen graag over Gods Koninkrijk, het thema van zijn prediking. Enthousiast ging Maria aan zijn voeten zitten en ze nam elk woord in zich op.

7, 8. Waardoor raakte Martha gespannen, en hoe uitte ze dat uiteindelijk?

7 We kunnen ons wel voorstellen dat Martha steeds nerveuzer werd. Ze moest zo veel gerechten klaarmaken en zo veel voor haar gasten doen dat ze zich steeds meer liep op te winden. Terwijl ze heen en weer rende en zag dat haar zus daar maar zat zonder haar te helpen, kan het heel goed zijn dat ze geërgerd keek, hoorbaar zuchtte of rood aanliep. Ze kon het toch niet allemaal alleen doen?

8 Uiteindelijk kon Martha zich niet langer inhouden. Ze onderbrak Jezus en flapte eruit: „Heer, laat het u onverschillig dat  mijn zuster mij alleen voor alles laat zorgen? Zeg haar daarom dat zij mij komt helpen” (Luk. 10:40). Dat waren harde woorden. Andere vertalingen geven haar vraag als volgt weer: „Heer, kan het u niet schelen?” En dan vroeg ze Jezus ook nog om Maria te corrigeren en te zeggen dat ze aan het werk moest.

9, 10. (a) Wat zei Jezus tegen Martha? (b) Hoe weten we dat Jezus Martha’s harde werk niet onbelangrijk vond?

9 Jezus’ antwoord heeft Martha misschien wel verbaasd, net zoals het veel Bijbellezers later verbaasd heeft. Hij zei vriendelijk: „Martha, Martha, gij zijt bezorgd en verontrust over veel dingen. Toch zijn maar weinig dingen nodig, of maar één. Wat Maria aangaat, zij heeft het goede deel gekozen, en het zal haar niet worden ontnomen” (Luk. 10:41, 42). Wat bedoelde Jezus? Vond hij dat Martha te veel met materiële dingen bezig was? Vond hij haar harde werk om een lekkere maaltijd klaar te maken onbelangrijk?

Hoewel Martha over veel dingen „bezorgd en verontrust” was, accepteerde ze nederig correctie

10 Nee. Jezus zag duidelijk dat Martha het uit liefde en met zuivere motieven deed. En hij vond royale gastvrijheid op zich niet verkeerd. Een tijdje daarvoor had hij genoten van een „groot gastmaal” dat Mattheüs voor hem had georganiseerd (Luk. 5:29). Het ging niet om de maaltijd die Martha klaarmaakte maar om haar prioriteiten. Ze liet zich zo door al het werk in beslag nemen dat ze het belangrijkste uit het oog verloor. Wat was dat?

Jezus waardeerde Martha’s gastvrijheid en wist dat haar motieven zuiver en liefdevol waren

11, 12. Hoe corrigeerde Jezus Martha?

11 Jezus, de eniggeboren Zoon van Jehovah God, was in Martha’s huis om de waarheid te onderwijzen. Niets kon belangrijker zijn, ook niet haar heerlijke eten en haar voorbereidingen. Jezus zal het vast jammer gevonden hebben dat ze een unieke kans misliep om haar geloof te verdiepen, en toch liet hij haar zelf kiezen. * Maar het ging te ver dat Martha hem vroeg om Maria te dwingen die gelegenheid ook voorbij te laten gaan.

12 Daarom corrigeerde hij Martha vriendelijk: op sussende toon herhaalde hij haar naam om haar te kalmeren, en hij verzekerde haar dat het niet nodig was „bezorgd en verontrust [te zijn] over veel dingen”. Een eenvoudige maaltijd van een of twee gerechten  was genoeg, vooral als er een geestelijk feestmaal werd opgediend. Hij zou Maria dus in geen geval „het goede deel” afnemen dat ze had gekozen — zijn onderwijs!

13. Wat kunnen we leren van de correctie die Martha kreeg?

13 Wat zich in Martha’s huis afspeelde is heel leerzaam voor Christus’ volgelingen in deze tijd. We mogen nooit toelaten dat ook maar iets belangrijker wordt dan onze geestelijke behoeften (Matth. 5:3). We willen Martha’s vrijgevigheid en ijver natuurlijk navolgen, maar we mogen nooit zo „bezorgd en verontrust” zijn over de minder belangrijke kant van gastvrijheid dat we mislopen waar het eigenlijk om draait. Bij onze omgang met medegelovigen gaat het niet om uitgebreide maaltijden, maar vooral  om wederzijdse aanmoediging en het uitwisselen van ’geestelijke gaven’. (Lees Romeinen 1:11, 12.) Dat kan zelfs bij een heel eenvoudige maaltijd.

Een geliefde broer verloren en teruggekregen

14. Waarom kunnen we ervan uitgaan dat Martha de raad geaccepteerd heeft?

14 Heeft Martha Jezus’ vriendelijke raad geaccepteerd en heeft ze ervan geleerd? Blijkbaar wel. De apostel Johannes zegt aan het begin van een ontroerend verslag over Martha’s broer: „Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief” (Joh. 11:5). Er waren maanden voorbijgegaan sinds Jezus’ hierboven beschreven bezoek aan Bethanië. Martha was duidelijk niet verbitterd geraakt over Jezus’ liefdevolle raad. Ze had er haar voordeel mee gedaan. Ook in dit opzicht is ze voor ons een voorbeeld in geloof, want we hebben allemaal weleens correctie nodig.

15, 16. (a) Wat heeft Martha waarschijnlijk gedaan toen haar broer ziek werd? (b) Waarom werd de hoop van Martha en Maria de bodem ingeslagen?

15 Toen Martha’s broer ziek werd, nam ze waarschijnlijk de zorg voor hem op zich. Ze deed alles wat ze kon om het draaglijker voor hem te maken en hem te helpen beter te worden. Toch ging Lazarus steeds verder achteruit. Zijn zussen zaten dag en nacht aan zijn bed om voor hem te zorgen. Wat zal Martha vaak naar het uitgemergelde gezicht van haar broer hebben gekeken, terwijl ze terugdacht aan de vele jaren waarin ze lief en leed hadden gedeeld!

16 Toen het ernaar uitzag dat Martha en Maria niets meer voor Lazarus konden doen, stuurden ze een boodschap naar Jezus. Hij was ongeveer twee dagreizen daarvandaan aan het prediken. Hun boodschap was kort: „Heer, zie! degene voor wie gij genegenheid hebt, is ziek” (Joh. 11:1, 3). Ze wisten dat Jezus van hun broer hield en waren ervan overtuigd dat hij alles zou doen wat hij kon om zijn vriend te helpen. Hoopten ze nog dat Jezus zou komen voor het te laat was? In dat geval werd hun hoop de bodem ingeslagen; Lazarus stierf.

17. Wat was voor Martha moeilijk te begrijpen, en wat deed ze toen ze hoorde dat Jezus in de buurt was?

17 Martha en Maria rouwden samen om hun broer, troffen de voorbereidingen voor zijn begrafenis en ontvingen de vele gasten uit Bethanië en omgeving. Jezus had nog altijd niets van zich laten horen. Martha snapte er misschien steeds minder van. Eindelijk, vier dagen na Lazarus’ dood, hoorde ze dat Jezus eraan kwam.  Ondernemend als altijd, zelfs onder deze nare omstandigheden, rende ze zonder het aan Maria te vertellen naar Jezus toe. (Lees Johannes 11:18-20.)

18, 19. Welke hoop had Martha, en waarom was haar geloof opmerkelijk?

18 Toen Martha haar Meester in het oog kreeg, bracht ze onder woorden wat haar en Maria al dagenlang dwarszat: „Heer, indien gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn.” Maar ze had nog steeds hoop en geloof, want ze zei verder: „En toch weet ik op dit ogenblik dat al wat gij aan God vraagt, God u zal geven.” Meteen zei Jezus iets om haar geloof te versterken: „Uw broer zal opstaan” (Joh. 11:21-23).

19 Martha dacht dat Jezus het over de toekomstige opstanding had, dus zei ze: „Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag” (Joh. 11:24). Haar geloof in die leerstelling was opmerkelijk. Sommige religieuze leiders, de sadduceeën, ontkenden  dat er een opstanding zou zijn, terwijl dat duidelijk in Gods Woord werd geleerd (Dan. 12:13; Mark. 12:18). Martha wist dat Jezus de opstanding onderwees en zelfs mensen had opgewekt, maar nog niemand die al zo lang dood was als Lazarus. Ze wist natuurlijk niet wat er nog ging gebeuren.

20. Wat betekenen Jezus’ uitspraak en Martha’s antwoord in Johannes 11:25-27?

20 Toen zei Jezus iets onvergetelijks: „Ik ben de opstanding en het leven.” Jehovah heeft zijn Zoon inderdaad de macht gegeven om in de toekomst op wereldwijde schaal mensen tot leven te wekken. Jezus vroeg Martha: „Gelooft gij dit?” Haar antwoord staat aan het begin van dit hoofdstuk. Ze geloofde dat Jezus de Christus of Messias was, dat hij de Zoon van Jehovah God was en dat de profeten hadden voorzegd dat hij in de wereld zou komen (Joh. 5:28, 29; lees Johannes 11:25-27).

21, 22. (a) Hoe toonde Jezus zijn gevoelens? (b) Beschrijf de opstanding van Lazarus.

21 Waarderen Jehovah God en zijn Zoon, Jezus Christus, zo’n geloof als dat van Martha? Wat zich daarna voor Martha’s ogen afspeelde, is daar een heel duidelijk antwoord op. Ze ging snel haar zus halen. Vervolgens zag ze dat Jezus diep ontroerd raakte toen hij met Maria en alle anderen sprak. Ze zag de tranen in zijn ogen komen, waardoor hij openlijk zijn intense verdriet toonde over al het leed dat de dood veroorzaakt. Ze hoorde Jezus opdracht geven om de steen voor het graf van haar broer weg te rollen (Joh. 11:28-39).

22 Martha, die altijd heel praktisch was, protesteerde dat het lichaam nu wel zou stinken, omdat Lazarus al vier dagen dood was. Maar Jezus zei: „Heb ik u niet gezegd dat gij de heerlijkheid van God zoudt zien indien gij zoudt geloven?” Ze geloofde inderdaad, en ook kreeg ze de heerlijkheid van Jehovah God te zien. Op datzelfde ogenblik gaf Jehovah zijn Zoon de macht om Lazarus weer tot leven te brengen! Sta eens stil bij de momenten daarna, die Martha de rest van haar leven bijgebleven moeten zijn: Jezus’ bevel „Lazarus, kom naar buiten!”; de zwakke geluiden uit de grot toen Lazarus opstond en in zwachtels gewikkeld naar de ingang van de grot schuifelde; Jezus’ opdracht „maakt hem los en laat hem gaan”; en natuurlijk de stevige omhelzing toen Martha en Maria buiten zichzelf van vreugde hun broer in de armen vlogen. (Lees Johannes 11:40-44.) Martha’s verdriet was voorbij!

Martha’s geloof in Jezus werd beloond toen haar broer een opstanding kreeg

23. Wat willen Jehovah en Jezus graag voor je doen, en wat moet jij doen?

23 Dit verslag laat zien dat de opstanding van de doden geen  sprookje is; het is een hartverwarmende Bijbelse leerstelling en een bewezen historisch feit (Job 14:14, 15). Jehovah en zijn Zoon belonen graag iemands geloof, net zoals ze dat met Martha, Maria en Lazarus deden. Ze willen ook jou graag belonen als je een sterk geloof ontwikkelt.

„Martha bediende”

24. Wat is het laatste wat de Bijbel over Martha zegt?

24 Hierna noemt de Bijbel Martha nog maar één keer: aan het begin van de laatste week van Jezus’ leven op aarde. Jezus wist heel goed wat hem te wachten stond, en daarom ging hij opnieuw naar zijn thuisbasis in Bethanië. Vandaar zou hij steeds de drie kilometer naar Jeruzalem lopen. Als Jezus en Lazarus bij Simon de melaatse eten, vangen we een laatste glimp op van onze hoofdpersoon, want we lezen: „Martha bediende” (Joh. 12:2).

25. Waarom zijn zusters als Martha echt een zegen voor een gemeente?

25 Martha was nog steeds even ijverig! Als we haar in de Bijbel voor het eerst tegenkomen is ze aan het werk, en als ze voor het laatst genoemd wordt, is ze ook aan het werk, druk bezig om voor anderen te zorgen. In deze tijd zijn zusters als Martha echt een zegen voor een gemeente. Zulke vrouwen zijn ondernemend en vrijgevig, en ze tonen hun geloof door zich volledig in te zetten. Martha is daar waarschijnlijk gewoon mee doorgegaan. Als dat zo is, was dat heel verstandig van haar, want er stonden haar nog allerlei problemen te wachten.

26. Hoe was Martha’s geloof een hulp voor haar?

26 Een paar dagen later kreeg ze de verschrikkelijke dood van haar geliefde Meester, Jezus, te verwerken. Verder waren dezelfde moordzuchtige huichelaars die hem hadden gedood, vastbesloten ook Lazarus te doden, omdat zijn opstanding het geloof van veel mensen versterkte. (Lees Johannes 12:9-11.) En natuurlijk zijn de banden van liefde tussen Martha en haar broer en zus uiteindelijk door de dood verbroken. We weten niet hoe of wanneer dat is gebeurd, maar van één ding kunnen we zeker zijn: Martha’s kostbare geloof heeft haar geholpen tot het einde te volharden. Daarom doen christenen in deze tijd er goed aan het geloof van Martha na te volgen.

^ ¶11 In de eerste-eeuwse Joodse samenleving was het niet de gewoonte dat er vrouwen aanwezig waren als een leraar onderwijs gaf. Hun opleiding concentreerde zich vooral op taken thuis. Het kan dus zijn dat Martha het heel ongebruikelijk vond dat een vrouw aan de voeten van een geleerde zat om dingen van hem te leren.