Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Mijn boek met bijbelverhalen

 VERHAAL 64

Salomo bouwt de tempel

Salomo bouwt de tempel

VOORDAT David stierf, gaf hij Salomo de plannen die hij van God had gekregen voor de bouw van Jehovah’s tempel. In het vierde jaar van zijn regering begint Salomo de tempel te bouwen en zeven en een half jaar later is hij ermee klaar. Er werken tienduizenden bouwlieden aan de tempel en het gebouw kost heel veel geld, omdat er zoveel goud en zilver bij wordt gebruikt.

De tempel heeft net als de tabernakel twee belangrijke kamers, maar deze zijn tweemaal zo groot als die in de tabernakel. In de achterste kamer van de tempel laat Salomo de ark van het verbond zetten en in de voorste kamer de andere voorwerpen die in de tabernakel bewaard werden.

Als de tempel klaar is, wordt er een groot feest gevierd. Salomo knielt vóór de tempel neer en bidt, zoals je op het plaatje kunt zien. ’Zelfs de hele hemel is niet groot genoeg om u te bevatten’, zegt Salomo tot Jehovah, ’hoeveel minder dan deze tempel. Maar luister alstublieft naar uw volk als zij in de richting van deze plaats bidden.’

Als Salomo klaar is met bidden, daalt er vuur uit de hemel neer. Het verbrandt de dieroffers die daar werden gebracht. Een helder licht van Jehovah vult de tempel. Dit toont dat Jehovah luistert en dat hij blij is met de tempel en met Salomo’s gebed. Voortaan gaat het volk niet meer naar de tabernakel om te aanbidden, maar naar de tempel.

Lange tijd regeert Salomo met wijsheid en het volk is gelukkig. Maar Salomo trouwt met veel buitenlandse vrouwen, die Jehovah niet aanbidden. Zie je hoe één van hen een afgod aanbidt? Ten slotte brengen Salomo’s vrouwen hem ertoe dat ook hij andere goden aanbidt. Weet je waar dat toe leidt? Hij is niet langer goed voor het volk. Hij wordt wreed en het volk is ongelukkig.

Jehovah wordt daarom boos op Salomo en zegt: ’Ik zal het koninkrijk van je wegnemen en aan een ander geven. Ik zal dit niet tijdens jouw leven doen, maar tijdens de regering van je zoon. Maar ik zal niet het hele koninkrijk van je zoon wegnemen.’ Laten wij zien hoe dat gebeurt.