Volgens Markus 6:1-56

6  Hij vertrok en ging naar de streek waar hij vandaan kwam,+ en zijn discipelen volgden hem.  Op de sabbat ging hij in de synagoge onderwijzen. De meesten die hem hoorden, waren verbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij die dingen vandaan?+ Hoe komt hij aan die wijsheid en hoe kan hij* zulke wonderen* doen?+  Is hij niet de timmerman,+ de zoon van Maria+ en de broer van Jakobus,+ Jozef, Judas en Simon?+ En zijn zussen wonen toch hier?’ Ze namen aanstoot aan hem.  Maar Jezus zei tegen ze: ‘Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen streek, door zijn eigen familie en in zijn eigen huis.’+  Daarom kon hij daar geen enkel wonder doen, behalve dat hij zijn handen op een aantal zieken legde en hen genas.  Hij stond verbaasd over hun ongeloof. En hij trok rond langs de dorpen om onderwijs te geven.+  Hij riep de twaalf bij zich en begon hen twee aan twee eropuit te sturen,+ en hij gaf hun macht over de onreine geesten.+  Ook droeg hij hun op om niets voor de reis mee te nemen behalve een staf — geen brood, geen voedselzak en geen geld* in hun geldbuidel.+  Ze moesten wel sandalen aandoen, maar geen extra kleren* dragen. 10  Verder zei hij: ‘Als je ergens een huis binnengaat, blijf daar dan tot je die plaats verlaat.+ 11  En als er een plaats is waar de mensen je niet willen ontvangen of niet naar je luisteren, ga daar dan weg en schud het stof van je voeten, als een getuigenis voor hen.’+ 12  Toen gingen ze op weg en predikten dat de mensen berouw moesten hebben.+ 13  Ze dreven veel demonen uit,+ en ze wreven veel zieken met olie in en genazen hen. 14  Koning Herodes+ hoorde hiervan, want Jezus’ naam was heel bekend geworden, en mensen zeiden: ‘Johannes de Doper is uit de dood opgewekt, en daarom heeft hij de kracht om al die wonderen te doen.’*+ 15  Anderen zeiden: ‘Het is Eli̱a.’ Weer anderen zeiden: ‘Het is een profeet als een van de profeten uit de oudheid.’+ 16  Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb laten onthoofden. Hij is uit de dood opgewekt.’ 17  Herodes had Johannes namelijk laten arresteren, in de boeien laten slaan en gevangengezet vanwege Hero̱dias, de vrouw van zijn broer Fili̱ppus. Want Herodes was met haar getrouwd+ 18  en Johannes had meerdere keren tegen hem gezegd: ‘Het is je niet toegestaan de vrouw van je broer te hebben.’+ 19  Daarom had Hero̱dias een grote hekel aan Johannes en wilde ze hem doden, maar ze kreeg de kans niet. 20  Herodes was namelijk bang voor Johannes, omdat hij wist dat het een rechtvaardig en heilig man was,+ en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, werd hij erg onzeker over wat hij moest doen, maar toch luisterde hij steeds weer graag naar hem. 21  Maar er deed zich een gunstige gelegenheid voor toen Herodes op zijn verjaardag+ een feestmaal gaf voor zijn hoge ambtenaren, de legerofficieren en de vooraanstaande mannen van Galilea.+ 22  De dochter van Hero̱dias kwam binnen en danste, tot groot genoegen van Herodes en zijn gasten.* De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ 23  Hij zwoer haar zelfs: ‘Ik zal je alles geven wat je vraagt, al is het de helft van mijn koninkrijk.’ 24  Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die antwoordde: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25  Onmiddellijk haastte ze zich naar de koning met het verzoek: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’+ 26  De koning was hier diepbedroefd over, maar hij wilde haar verzoek niet weigeren vanwege zijn eden en zijn gasten.* 27  Daarom stuurde de koning meteen een lijfwacht met het bevel het hoofd van Johannes bij hem te brengen. De man ging weg, onthoofdde Johannes in de gevangenis 28  en bracht zijn hoofd binnen op een schaal. Hij gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. 29  Toen Johannes’ discipelen het hoorden, kwamen ze zijn lichaam halen en legden het in een graf. 30  De apostelen verzamelden zich rond Jezus en vertelden hem wat ze allemaal gedaan en onderwezen hadden.+ 31  Hij zei tegen ze: ‘Ga mee naar een afgelegen plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.’+ Want er kwamen en gingen zo veel mensen dat ze niet eens de kans hadden om te eten.+ 32  Ze vertrokken daarom met de boot naar een afgelegen plaats om alleen te kunnen zijn.+ 33  Maar de mensen zagen hen vertrekken en velen hoorden ervan, en uit alle steden liepen ze er snel naartoe en kwamen nog eerder aan dan zij. 34  Toen Jezus uitstapte, zag hij dus een grote menigte. Hij kreeg medelijden met ze,+ omdat ze als schapen zonder herder waren.+ En hij ging hun veel dingen leren.+ 35  Het was inmiddels laat geworden. Zijn discipelen kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plek en het is al laat.+ 36  Stuur de mensen weg, dan kunnen ze in de omliggende dorpen en op het land eten kopen.’+ 37  Hij antwoordde: ‘Geven jullie ze maar iets te eten.’ Ze zeiden tegen hem: ‘Moeten we voor 200 denarii brood gaan kopen om de mensen te eten te geven?’+ 38  Hij zei: ‘Hoeveel broden hebben jullie? Ga eens kijken.’ Toen ze dat hadden gedaan, zeiden ze: ‘Vijf, en ook twee vissen.’+ 39  Hij gaf alle mensen opdracht om in groepen op het groene gras te gaan zitten.+ 40  Ze gingen zitten in groepen van 100 en van 50. 41  Toen nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en sprak een zegen uit.+ Hij brak de broden en gaf ze aan de discipelen zodat die ze aan de mensen konden uitdelen, en ook de twee vissen verdeelde hij onder allen. 42  Ze aten allemaal tot ze genoeg hadden. 43  Daarna haalden ze de overgebleven stukken op, 12 manden vol, en ook nog vis.+ 44  Er hadden 5000 mannen van de broden gegeten. 45  Meteen daarna zei Jezus tegen zijn discipelen dat ze in de boot moesten stappen en voor hem uit naar de overkant moesten gaan, richting Bethsa̱ïda. Intussen zou hij de menigte wegsturen.+ 46  Maar nadat hij afscheid van ze had genomen, ging hij naar een berg om te bidden.+ 47  Toen het avond was geworden, was de boot midden op het meer, maar hij was nog alleen aan land.+ 48  Hij zag dat ze veel moeite hadden om tegen de wind in te roeien. Rond de vierde nachtwake kwam hij daarom lopend over het meer naar ze toe, maar hij wilde hen voorbijlopen. 49  Toen ze hem over het meer zagen lopen, dachten ze dat ze een verschijning* zagen.+ Ze schreeuwden het uit, 50  want ze zagen hem allemaal en ze waren geschrokken. Maar hij zei meteen: ‘Rustig maar! Ik ben het, wees niet bang.’+ 51  Hij klom bij ze in de boot en de wind ging liggen.+ Ze waren stomverbaasd, 52  omdat ze de betekenis van de broden niet hadden begrepen en ze nog steeds geen inzicht hadden.* 53  Ze staken over en kwamen bij Genne̱sareth, en daar vlakbij legden ze aan.+ 54  Maar zodra ze uit de boot stapten, werd hij door de mensen herkend. 55  De mensen gingen snel die hele streek rond en begonnen alle zieken op draagbedden naar de plaats te brengen waar ze hoorden dat hij was. 56  Overal waar hij kwam — in dorpen, steden en op het platteland — brachten ze de zieken naar het marktplein. En ze smeekten hem of ze alleen maar de franje van zijn bovenkleed mochten aanraken.+ Iedereen die dat deed, werd genezen.*

Voetnoten

Lett.: ‘zijn handen’.
Lett.: ‘krachtige werken’.
Lett.: ‘koper’.
Lett.: ‘twee kledingstukken’.
Lett.: ‘zijn de krachtige werken in hem werkzaam’.
Of ‘degenen die met hem aan tafel aanlagen’.
Of ‘degenen die met hem aan tafel aanlagen’.
Of ‘illusie’.
Of ‘hun hart afgestompt bleef’.
Of ‘gered’.

Aantekeningen

de streek waar hij vandaan kwam: Lett.: ‘zijn vaderstad’, dat wil zeggen Nazareth, waar zijn familie vandaan kwam.

de streek waar hij vandaan kwam: Zie aantekening bij Mt 13:54.

zoon van de timmerman: Het Griekse tekton, vertaald met ‘timmerman’, is een algemene term die kan duiden op elke ambachtsman of bouwer. Als het slaat op iemand die hout bewerkt, kan het gaan om iemand die werkt aan de bouw van huizen of die meubels of andere houten voorwerpen maakt. Justinus Martyr schreef in de tweede eeuw n.Chr. over Jezus: ‘De volgende timmermanswerken namelijk vervaardigde hij, terwijl hij onder de menschen verkeerde: ploegen en jukken.’ Ook vroege Bijbelvertalingen in oude talen ondersteunen de gedachte dat hij een houtbewerker was. Jezus stond bekend als ‘de zoon van de timmerman’ en als ‘de timmerman’ (Mr 6:3). Blijkbaar heeft Jezus het vak geleerd van zijn adoptievader Jozef. Zo’n opleiding begon gewoonlijk als een jongen tussen de 12 en 15 jaar was en duurde vele jaren.

Jakobus: Deze halfbroer van Jezus is blijkbaar de Jakobus die wordt vermeld in Han 12:17 en Ga 1:19 en die het Bijbelboek heeft geschreven dat zijn naam draagt (Jak 1:1).

Judas: Deze halfbroer van Jezus is blijkbaar de Judas (Grieks: Ioudas) die het Bijbelboek met die naam heeft geschreven (Ju 1).

de timmerman: Jezus stond bekend als ‘de timmerman’ en als ‘de zoon van de timmerman’. Dit geeft ons wat inzicht in Jezus’ leven vanaf zijn bezoek aan de tempel toen hij 12 was tot het begin van zijn bediening. (Zie aantekening bij Mt 13:55.) De verslagen van Mattheüs en Markus vullen elkaar aan.

de zoon van Maria: Dit is de enige keer dat Jezus zo wordt genoemd. Omdat Jozef niet wordt vermeld, was hij toen mogelijk al gestorven. Die conclusie is ook af te leiden uit Jezus’ verzoek aan Johannes om na zijn dood voor zijn moeder Maria te zorgen (Jo 19:26, 27).

broer: Het Griekse adelfos kan in de Bijbel duiden op een geestelijke band, maar hier wordt het gebruikt voor Jezus’ halfbroers, de jongere zonen van Jozef en Maria. Sommigen die geloven dat Maria na de geboorte van Jezus maagd bleef, beweren dat adelfos hier op neven duidt. Maar in de Griekse Geschriften wordt een afzonderlijk woord gebruikt voor ‘neef’ (Grieks: anepsios in Kol 4:10) en een andere uitdrukking voor ‘de zoon van Paulus’ zus’ (Han 23:16). En in Lu 21:16 wordt het meervoud van de Griekse woorden adelfos en suggenes gebruikt (weergegeven als ‘broers’ en ‘familie’). Uit die voorbeelden blijkt dat de termen voor familierelaties in de Griekse Geschriften niet willekeurig of zonder onderscheid worden gebruikt.

Jakobus: Zie aantekening bij Mt 13:55.

Judas: Zie aantekening bij Mt 13:55.

kon hij daar geen enkel wonder doen: Dat Jezus niet veel wonderen kon doen, was niet omdat het hem aan kracht ontbrak maar omdat de omstandigheden het niet rechtvaardigden. Het ongeloof van de inwoners van Nazareth weerhield Jezus ervan daar veel wonderen te doen (Mt 13:58). Gods kracht moest niet worden verspild aan onontvankelijke, sceptische toehoorders. (Vergelijk Mt 10:14; Lu 16:29-31.)

gaf onderwijs (...) predikte: Onderwijzen verschilt van prediken in die zin dat een onderwijzer meer doet dan iets verkondigen. Hij geeft instructies en uitleg, gebruikt overtuigende argumenten en voert bewijzen aan. (Zie aantekeningen bij Mt 3:1 en 28:20.)

stond verbaasd over hun ongeloof: Markus is de enige evangelieschrijver die vermeldt wat Jezus vond van de ontvangst die hij kreeg bij de mensen uit ‘zijn eigen streek’ (Mt 13:57, 58; zie ook Inleiding tot Markus). Het Griekse werkwoord dat met ‘verbaasd’ wordt weergegeven, wordt vaak gebruikt om te beschrijven hoe mensen op Jezus’ wonderen en onderwijs reageerden (Mr 5:20; 15:5). Bij twee gelegenheden wordt het toegepast op Jezus’ reactie. Hij stond verbaasd dat een legerofficier zo’n groot geloof had (Mt 8:10; Lu 7:9), en hier omvatte zijn verbazing ook ontzetting over het ongeloof van de inwoners van Nazareth.

trok rond langs de dorpen: Hiermee begint Jezus’ derde predikingstocht in Galilea (Mt 9:35; Lu 9:1). De term ‘rondtrekken’ (in een kring trekken) impliceert misschien dat hij het gebied grondig bewerkte en dat hij, volgens sommigen, terugkwam op de plek waar hij was begonnen. Een belangrijk kenmerk van Jezus’ bediening was zijn onderwijs. (Zie aantekening bij Mt 4:23.)

blijf daar dan tot je die plaats verlaat: Jezus gaf zijn discipelen de instructie om bij hun bezoek aan een stad in het huis te blijven waar hun gastvrijheid was verleend en ‘niet steeds van het ene huis naar het andere te gaan’ (Lu 10:1-7). Door niet naar een huis te gaan waar de gastheer ze meer gemak, ontspanning of materiële dingen kon bieden, zouden ze tonen dat die dingen ondergeschikt waren aan hun opdracht om te prediken.

schud het stof van je voeten: Of ‘schud het vuil van je voeten’. Met dit gebaar wezen de discipelen de verantwoordelijkheid af voor de consequenties, die van God zouden komen. Een vergelijkbare uitdrukking komt voor in Mt 10:14 en Lu 9:5. Markus en Lukas voegen daaraan toe als een getuigenis voor [of ‘tegen’] hen. Paulus en Barnabas pasten deze instructie toe in Antiochië in Pisidië (Han 13:51), en toen Paulus in Korinthe iets vergelijkbaars deed door zijn kleren uit te schudden, zei hij bij wijze van uitleg: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen. Ik ben rein’ (Han 18:6). Zulke gebaren waren voor de discipelen misschien niet nieuw. Vrome Joden die terugkwamen van een reis door heidens gebied schudden ‘onrein’ stof van hun sandalen voordat ze weer op Joods grondgebied kwamen. Maar Jezus had blijkbaar een andere betekenis in gedachten toen hij zijn discipelen deze instructies gaf.

ze wreven veel zieken met olie in: Dit was een symbolische handeling. Hoewel men dacht dat olie een geneeskrachtige werking had (vergelijk Lu 10:34), werden de zieken niet genezen door de olie zelf maar door de wonderbare werking van Gods heilige geest (Lu 9:1, 6).

Herodes: Dat wil zeggen Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. (Zie Woordenlijst.)

districtsregeerder: Lett.: ‘tetrarch’, dat wil zeggen een ondergeschikte districtsregeerder of vazalvorst die alleen met toestemming van de Romeinse overheid regeerde. (Zie aantekeningen bij Mt 14:1 en Mr 6:14.)

de Doper: Of ‘de Onderdompelaar’. Het Griekse deelwoord dat hier en in Mr 6:14, 24 met ‘Doper’ wordt weergegeven, kan ook vertaald worden met ‘degene die doopt’. Hoewel dit in het Grieks qua vorm iets verschilt van het zelfstandig naamwoord Baptistes, dat in Mr 6:25 en 8:28 en in Mattheüs en Lukas voorkomt, kunnen beide vormen (in Mr 6:24, 25 afwisselend gebruikt) weergegeven worden met ‘Doper’. (Zie aantekening bij Mt 3:1.)

Koning Herodes: Dat wil zeggen Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. (Zie Woordenlijst.) Mattheüs en Lukas gebruiken de officiële Romeinse titel van Antipas: ‘tetrarch’ of ‘districtsregeerder’. (Zie aantekeningen bij Mt 14:1 en Lu 3:1.) Zijn tetrarchie bestond uit Galilea en Perea. Meestal werd Herodes ‘de koning’ genoemd. Dat is de titel die één keer door Mattheüs wordt gebruikt (Mt 14:9) en de enige titel die Markus voor Herodes gebruikt (Mr 6:22, 25-27).

mensen zeiden: Lett.: ‘ze zeiden’. In sommige manuscripten staat ‘hij zei’.

de Doper: Zie aantekening bij Mr 1:4.

Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus: Herodes Antipas werd verliefd op Herodias, de vrouw van zijn halfbroer Herodes Filippus. Herodias ging weg bij Filippus, Antipas liet zich scheiden van zijn vrouw en Herodias en Antipas trouwden. Johannes de Doper werd gearresteerd vanwege zijn kritiek op deze immorele verbintenis, die tegen de Joodse wet inging.

Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus: Zie aantekening bij Mt 14:3.

omdat hij wist dat het een rechtvaardig en heilig man was: Herodes luisterde naar Johannes en nam hem in bescherming omdat hij inzag dat het een rechtvaardig en heilig man was. Herodes was bang voor Johannes, maar door zijn angst om het respect van zijn gasten te verliezen en door zijn gebrek aan geloof werd hij ertoe gebracht Johannes te vermoorden. De Joodse geschiedschrijver Josephus noemde Johannes de Doper ‘een goed mens’.

had Johannes gearresteerd (...) en in de gevangenis gezet: De Bijbel zegt niet waar dat gebeurde. Josephus zegt dat Johannes gevangengezet en gedood werd in fort Machaerus, dat aan de oostkant van de Dode Zee lag (De Oude Geschiedenis van de Joden, Boek XVIII, hfst. 5 ¶2). Het kan zijn dat Johannes een tijdlang in die gevangenis heeft gezeten (Mt 4:12). Maar het is waarschijnlijk dat Johannes vóór zijn terechtstelling gevangenzat in Tiberias, een stad aan de westelijke oever van het Meer van Galilea. Hier volgen de redenen voor die conclusie: (1) Johannes lijkt gevangen te hebben gezeten in de buurt van Galilea, waar Jezus op dat moment was. Johannes hoorde wat Jezus allemaal deed en vanuit de gevangenis stuurde hij zijn discipelen naar Jezus met een vraag (Mt 11:1-3). (2) Markus zegt dat ‘de vooraanstaande mannen van Galilea’ bij Herodes’ verjaardag aanwezig waren, wat aangeeft dat die gevierd werd in Herodes’ residentie in Tiberias. Johannes zat blijkbaar in een gevangenis vlak bij de locatie van het feest (Mr 6:21-29; Mt 14:6-11).

verjaardag werd gevierd: Dit feest werd waarschijnlijk gehouden in de residentie van Herodes Antipas in Tiberias. (Zie aantekeningen bij Mt 14:3 en Mr 6:21.) De Bijbel vermeldt maar twee verjaardagsvieringen: deze, waarbij Johannes werd onthoofd, en die van een farao, waarbij de opperbakker van de Egyptische monarch werd terechtgesteld (Ge 40:18-22). Deze twee verslagen hebben overeenkomsten: in beide gevallen werd een groot feest gehouden, werden gunsten verleend en vond een executie plaats.

zijn verjaardag: Dit feest werd waarschijnlijk gehouden in de residentie van Herodes Antipas in Tiberias, een stad aan de westelijke oever van het Meer van Galilea. Eén reden voor die conclusie is dat Markus hier zegt dat de vooraanstaande mannen van Galilea aanwezig waren. (Zie aantekeningen bij Mt 14:3, 6.) De Bijbel vermeldt maar twee verjaardagsvieringen: deze, waarbij Johannes werd onthoofd, en die van een farao, waarbij de opperbakker van de Egyptische monarch werd terechtgesteld (Ge 40:18-22). Deze twee verslagen hebben overeenkomsten: in beide gevallen werd een groot feest gehouden, werden gunsten verleend en vond een executie plaats.

de legerofficieren: De Griekse term chiliarchos (chiliarch) betekent letterlijk ‘heerser over duizend’ soldaten. Het duidt op een Romeinse krijgstribuun. Elk Romeins legioen had zes tribunen. Het legioen was niet in zes legerafdelingen verdeeld, maar elke tribuun voerde een zesde van de tijd het commando over het hele legioen. Zo’n legerofficier had grote autoriteit. Hij kon bijvoorbeeld centurio’s benoemen en toewijzen. Het Griekse woord kon ook duiden op hoge legerofficieren in het algemeen. In de aanwezigheid van mannen met zo’n hoge rang wilde Herodes zijn eed niet breken en dus gaf hij bevel Johannes de Doper te onthoofden.

dochter van Herodias: Een dochter van Herodes Filippus en het enige kind van haar moeder Herodias. Haar naam, Salomé, wordt niet in de Bijbel vermeld maar is wel bewaard gebleven in de geschriften van Josephus. Herodes Antipas had overspel gepleegd door te trouwen met Salomés moeder, de vrouw van zijn halfbroer Filippus.

de Doper: Of ‘de Onderdompelaar’. Het Griekse deelwoord dat hier en in Mr 6:14, 24 met ‘Doper’ wordt weergegeven, kan ook vertaald worden met ‘degene die doopt’. Hoewel dit in het Grieks qua vorm iets verschilt van het zelfstandig naamwoord Baptistes, dat in Mr 6:25 en 8:28 en in Mattheüs en Lukas voorkomt, kunnen beide vormen (in Mr 6:24, 25 afwisselend gebruikt) weergegeven worden met ‘Doper’. (Zie aantekening bij Mt 3:1.)

de Doper: Zie aantekening bij Mr 1:4.

zijn eden: Dat het meervoudige ‘eden’ gebruikt wordt (in tegenstelling tot het enkelvoud in Mt 14:7), kan een aanwijzing zijn dat Herodes zijn belofte benadrukte of bevestigde met herhaalde eden.

zijn eden: Dat het meervoudige ‘eden’ gebruikt wordt, kan een aanwijzing zijn dat Herodes met herhaalde eden benadrukte of bevestigde wat hij de dochter van Herodias had gezworen (Mr 6:23; zie aantekening bij Mt 14:9).

een lijfwacht: De Griekse term die hier wordt gebruikt is spekoulator, een leenwoord van het Latijnse speculator, dat kon duiden op een lijfwacht, een boodschapper en soms een scherprechter. In de Griekse Geschriften zijn Griekse equivalenten te vinden voor zo’n 30 Latijnse woorden. Dit zijn militaire, juridische, monetaire en huishoudelijke termen. Ze komen het meest in Markus en Mattheüs voor, en Markus gebruikt ze meer dan elke andere Bijbelschrijver. Dat ondersteunt de opvatting dat hij zijn evangelie in Rome schreef en vooral voor niet-Joden, met name voor de Romeinen. (Zie aantekening bij Jo 19:20.)

graf: Of ‘herinneringsgraf’. (Zie Woordenlijst.)

kreeg hij medelijden: Van het Griekse werkwoord splagchnizomai, dat verwant is aan het woord voor ingewanden (splagchna). Het duidt op een gevoel dat diep binnen in het lichaam wordt ervaren, een intense emotie. Het is een van de krachtigste woorden in het Grieks voor het gevoel van medelijden.

kreeg medelijden: Of ‘werd door medelijden bewogen’. (Zie aantekening bij Mt 9:36.)

Geven jullie ze maar iets te eten: Dit is het enige wonder van Jezus dat in alle vier de evangeliën wordt vermeld (Mt 14:15-21; Mr 6:35-44; Lu 9:10-17; Jo 6:1-13).

denarii: Zie Woordenlijst en App. B14.

vissen: In Bijbelse tijden werd vis meestal geroosterd of gezouten en gedroogd, en vaak werd het met brood gegeten. De vis die Jezus gebruikte was waarschijnlijk gezouten en gedroogd.

brak de broden: In die tijd waren platte broden met een harde korst gebruikelijk, en daarom moesten de broden gebroken worden (Mt 14:19; 15:36; 26:26; Mr 8:6; Lu 9:16).

manden: In de verslagen over de twee gelegenheden waarbij Jezus door een wonder de menigte te eten gaf (zie aantekening bij Mr 6:43; 8:8, 20 en parallelverslagen in Mt 14:20; 15:37 en 16:9, 10) wordt consequent onderscheid gemaakt tussen de soorten manden waarmee de restanten werden opgehaald. In het verslag over de 5000 mannen wordt het Griekse kofinos (mand) gebruikt en in het verslag over de 4000 mannen het Griekse sfuris (grote mand). Dat wijst erop dat de schrijvers erbij waren of de feiten hoorden van betrouwbare ooggetuigen.

grote manden: Of ‘proviandmanden’. (Zie aantekeningen bij Mr 8:8, 19.)

manden: Misschien kleinere tenen manden met een hengsel van touw waarmee reizigers ze konden dragen. Men denkt dat ze een inhoud van zo’n 7,5 l hadden. (Zie aantekeningen bij Mr 8:19, 20.)

5000 mannen: Hoewel dit het enige wonder van Jezus is dat in alle vier de evangeliën wordt vermeld (Mt 14:15-21; Mr 6:35-44; Lu 9:10-17; Jo 6:1-13), noemt alleen Mattheüs de vrouwen en de kinderen. Het totale aantal mensen dat door dit wonder gevoed werd, kan ruim boven de 15.000 liggen.

vierde nachtwake: Van ongeveer 3.00 tot 6.00 uur. Deze verdeling is gebaseerd op het Griekse en Romeinse systeem van vier nachtwaken. De Hebreeën verdeelden de nacht voorheen in drie waken van ongeveer vier uur (Ex 14:24; Re 7:19), maar inmiddels hadden ze het Romeinse systeem overgenomen.

vierde nachtwake: Zie aantekening bij Mt 14:25.

wilde: Dit betekent kennelijk dat het vanuit het perspectief van de discipelen leek alsof Jezus hen voorbij zou lopen.

ze de betekenis van de broden niet hadden begrepen: Slechts een paar uur eerder hadden de discipelen gezien hoe Jezus door een wonder de broden had vermenigvuldigd. Die gebeurtenis liet duidelijk zien hoeveel kracht Jezus via de heilige geest had gekregen. Maar omdat de implicaties van dat wonder niet tot de discipelen doordrongen, waren ze stomverbaasd toen Jezus over het water liep en de storm bedaarde. Aanvankelijk dachten ze zelfs dat ze ‘een verschijning’ zagen, dat wil zeggen iets denkbeeldigs, een illusie (Mr 6:49).

Gennesareth: Een kleine vlakte van ongeveer 5 bij 2,5 km aan de NW-oever van het Meer van Galilea. In Lu 5:1 wordt het Meer van Galilea het ‘Meer van Gennesareth’ genoemd.

Gennesareth: Zie aantekening bij Mt 14:34.

Media

Staf en voedselzak
Staf en voedselzak

In het oude Israël gebruikten mensen een stok of staf voor allerlei doelen, bijvoorbeeld om op te leunen (Ex 12:11; Za 8:4; Heb 11:21), om zich te verdedigen of te beschermen (2Sa 23:21), om te dorsen (Jes 28:27) en om olijven te oogsten of uit de boom te slaan (De 24:20; Jes 24:13). Een voedselzak was een tas, meestal van leer, die over de schouder werd gedragen door reizigers, herders, boeren en anderen. Er werd voedsel, kleding en dergelijke in meegenomen. Toen Jezus zijn apostelen op een predikingstocht stuurde, gaf hij ze onder andere instructies over een staf en voedselzak. De apostelen mochten die niet meenemen en mochten zich niet laten afleiden door iets extra’s te halen. Jehovah zou voor ze zorgen. (In de aantekeningen bij Lu 9:3 en 10:4 wordt uitgelegd hoe Jezus’ instructies opgevat moeten worden.)

Manden
Manden

In de Bijbel worden verschillende woorden gebruikten om diverse soorten manden te beschrijven. Het Griekse woord dat wordt gebruikt voor de 12 manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus door een wonder zo’n 5000 mannen gevoed had, geeft aan dat het misschien om een relatief kleine tenen mand ging. Maar er wordt een ander Grieks woord gebruikt voor de zeven manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus zo’n 4000 mannen had gevoed (Mr 8:8, 9). Dit woord duidt op een grote mand, en hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de mand waarin ze Paulus door een opening in de stadsmuur van Damaskus naar beneden lieten zakken (Han 9:25).

Marktplein
Marktplein

Sommige marktpleinen, zoals die op de afbeelding, lagen aan een straat. Verkopers zetten vaak zo veel koopwaar in de straat dat er geen verkeer meer langs kon. De inwoners konden huishoudelijke spullen, potten en duur glaswerk kopen, en ook verse producten. Omdat er geen koeling was, moesten mensen elke dag naar de markt om boodschappen te doen. Het was de plek waar je nieuwtjes hoorde via handelaars of bezoekers, waar kinderen speelden en waar werklozen wachtten op iemand die hen wilde inhuren. Op het marktplein genas Jezus zieken en predikte Paulus (Han 17:17). In contrast daarmee wilden de trotse schriftgeleerden en farizeeën op deze openbare plaatsen graag opgemerkt en begroet worden.