Volgens Markus 15:1-47

15  Zodra het ochtend werd, kwamen de overpriesters met de oudsten en de schriftgeleerden — het hele Sanhedrin — bij elkaar om te overleggen.+ Ze boeiden Jezus, leidden hem weg en leverden hem over aan Pilatus.+  Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Joden?’+ Hij antwoordde: ‘U zegt het zelf.’+  Maar de overpriesters kwamen met allerlei beschuldigingen.+  Pilatus ondervroeg hem opnieuw en zei: ‘Hebt u hier niets op te zeggen?+ U hoort toch waar ze u allemaal van beschuldigen?’+  Maar Jezus zei niets meer, wat Pilatus erg verbaasde.+  Pilatus had de gewoonte om op elk feest* één gevangene vrij te laten op verzoek van het volk.+  Op dat moment zat er een man gevangen die Bara̱bbas heette. Hij zat vast met de rebellen, die bij het oproer een moord hadden gepleegd.  De menigte kwam naar Pilatus toe en vroeg hem om te doen wat hij altijd voor hen deed.  Hij antwoordde: ‘Willen jullie dat ik de Koning van de Joden vrijlaat?’+ 10  Pilatus wist namelijk dat de overpriesters hem uit jaloezie* hadden overgeleverd.+ 11  Maar de overpriesters stookten het volk op om te vragen of hij in plaats daarvan Bara̱bbas wilde vrijlaten.+ 12  Toen zei Pilatus tegen ze: ‘Wat zal ik dan doen met de man die jullie de Koning van de Joden noemen?’+ 13  Ze riepen opnieuw: ‘Aan de paal met hem!’+ 14  Daarop zei Pilatus tegen ze: ‘Waarom? Wat voor slechts heeft hij gedaan?’ Maar ze schreeuwden nog harder: ‘Aan de paal met hem!’+ 15  Omdat Pilatus de menigte tevreden wilde stellen, liet hij Bara̱bbas vrij. Hij liet Jezus zweepslagen geven+ en leverde hem over om aan een paal gehangen te worden.+ 16  De soldaten brachten Jezus naar de binnenplaats van het verblijf van de gouverneur, en ze riepen de hele legerafdeling bij elkaar.+ 17  Ze deden hem een purperen gewaad aan, vlochten een doornenkroon en zetten hem die op.+ 18  Ze begonnen naar hem te roepen: ‘Gegroet, Koning van de Joden!’ 19  Ook sloegen ze hem met een rieten stok op zijn hoofd, bespuugden hem, vielen op hun knieën en bogen zich voor hem neer. 20  Nadat ze hem belachelijk hadden gemaakt, namen ze hem uiteindelijk het purperen gewaad weer af en deden hem zijn bovenkleren aan. Daarna leidden ze hem weg om hem aan een paal te hangen.+ 21  En ze dwongen een voorbijganger die net van het land kwam om Jezus’ martelpaal te dragen.* Het was Simon uit Cyre̱ne, de vader van Alexander en Ru̱fus.+ 22  Ze brachten hem naar de plaats die Golgotha wordt genoemd, wat ‘schedelplaats’ betekent.+ 23  Hier wilden ze hem wijn geven die vermengd was met mirre,+ maar hij nam die niet aan. 24  Ze hingen hem aan een paal en verdeelden zijn bovenkleren door het lot te werpen. Zo bepaalden ze wie wat zou krijgen.+ 25  Het was het derde uur toen ze hem aan een paal hingen. 26  Het opschrift met de aanklacht tegen hem luidde: ‘De Koning van de Joden’.+ 27  Er werden ook twee misdadigers aan palen naast hem gehangen, één rechts en één links van hem.+ 28  —— 29  De voorbijgangers liepen hoofdschuddend+ langs en zeiden spottend: ‘Ha! Jij zou de tempel toch afbreken en in drie dagen opbouwen?+ 30  Red jezelf en kom van de martelpaal af.’ 31  Ook de overpriesters en de schriftgeleerden maakten hem belachelijk. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf kan hij niet redden!+ 32  Laat de Christus, de Koning van Israël, maar van de martelpaal af komen, zodat we het zien en geloven.’+ Zelfs degenen die naast hem aan een paal hingen, bespotten hem.+ 33  Toen het zesde uur aanbrak, viel er een duisternis over het hele land,* tot het negende uur.+ 34  Op het negende uur riep Jezus luid: ‘Eli, Eli, lama sabachthani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’+ 35  Toen sommige omstanders dat hoorden, zeiden ze: ‘Hoor, hij roept Eli̱a.’ 36  Iemand rende weg, doopte een spons in zure wijn, stak die op een rieten stok en gaf Jezus te drinken,+ terwijl hij zei: ‘Laat hem toch. Dan zullen we zien of Eli̱a hem eraf komt halen.’ 37  Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit.+ 38  En het gordijn van het heiligdom+ scheurde van boven tot onder in tweeën.+ 39  Toen de legerofficier die tegenover hem stond, zag onder welke omstandigheden hij stierf, zei hij: ‘Deze man was echt Gods Zoon!’*+ 40  Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken, onder wie Maria Magdale̱na en Maria, de moeder van Jakobus de Mindere en van Jo̱ses, en Salo̱mé,+ 41  die in Galilea steeds met hem waren meegegaan om hem van dienst te zijn,+ en veel andere vrouwen die met hem waren meegekomen naar Jeruzalem. 42  Het was al laat in de middag, en omdat het voorbereidingsdag was, de dag vóór de sabbat, 43  raapte Jozef van Arimathe̱a — een vooraanstaand lid van de Raad, die zelf ook het Koninkrijk van God verwachtte — al zijn moed bij elkaar, ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.+ 44  Maar het verbaasde Pilatus dat hij al dood zou zijn. Daarom liet hij de legerofficier bij zich komen en vroeg hem of Jezus al gestorven was. 45  Nadat de legerofficier dat bevestigd had, gaf Pilatus het lichaam aan Jozef. 46  Die kocht fijn linnen, nam hem van de martelpaal af en wikkelde hem in het fijne linnen. Daarna legde hij hem in een graf+ dat in de rotsen was uitgehakt. Toen rolde hij een steen voor de ingang van het graf.+ 47  Maar Maria Magdale̱na en Maria, de moeder van Jo̱ses, bleven kijken naar de plaats waar hij was neergelegd.+

Voetnoten

Of ‘van feest tot feest’.
Of ‘afgunst’.
Of ‘op te tillen’.
Lett.: ‘aarde’.
Of mogelijk ‘een zoon van God’, ‘een zoon van een god’.

Aantekeningen

Sanhedrin: Dat wil zeggen de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

Sanhedrin: Zie aantekening bij Mt 26:59.

Pilatus: De Romeinse gouverneur (prefect) van Judea, in 26 n.Chr. aangesteld door keizer Tiberius. Hij is zo’n tien jaar aan de macht geweest. Pilatus wordt ook door niet-Bijbelse schrijvers vermeld, onder wie de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, die schreef dat Pilatus tijdens de regering van Tiberius opdracht gaf tot de terechtstelling van Christus. In het oude Romeinse theater in Cesarea (Israël) is een Latijns opschrift met de woorden ‘Pontius Pilatus, prefect van Judea’ gevonden. (Zie voor het gebied waarover Pontius Pilatus regeerde App. B10.)

Bent u de Koning van de Joden?: Geen enkele koning in het Romeinse Rijk kon zonder toestemming van caesar regeren. Blijkbaar wilde Pilatus Jezus daarom vooral ondervragen over zijn koningschap.

U zegt het zelf: Blijkbaar bevestigt Jezus met dit antwoord wat Pilatus had gezegd. (Vergelijk de aantekeningen bij Mt 26:25, 64.) Hoewel Jezus tegenover Pilatus toegeeft dat hij echt een koning is, is dat niet in de betekenis die Pilatus eraan geeft, want Jezus’ Koninkrijk is ‘geen deel van deze wereld’ en vormt dus geen bedreiging voor Rome (Jo 18:33-37).

Bent u de Koning van de Joden?: Zie aantekening bij Mt 27:11.

U zegt het zelf: Zie aantekening bij Mt 27:11.

de gewoonte om (...) één gevangene vrij te laten: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld (Mt 27:15-23; Lu 23:16-25; Jo 18:39, 40). Er is in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor deze gewoonte. Maar blijkbaar was deze traditie onder de Joden ontstaan tegen de tijd dat Jezus op aarde kwam. De Romeinen zullen de gewoonte niet vreemd hebben gevonden, want er zijn aanwijzingen dat ze zelf ook gevangenen vrijlieten om de mensen tevreden te stellen.

opnieuw: Uit Lu 23:18-23 blijkt dat de menigte minstens drie keer om de terechtstelling van Jezus schreeuwde. Het verslag hier in Markus laat zien dat Pilatus de menigte tot drie keer toe vragen stelde over Jezus (Mr 15:9, 12, 14).

zweepslagen: De Romeinen geselden slachtoffers met een afschuwelijk instrument dat in het Latijn bekendstaat als een flagellum, waarvan het Griekse werkwoord dat hier wordt gebruikt (fragelloo, ‘zweepslagen geven’) is afgeleid. Het bestond uit een handvat waaraan meerdere koorden of geknoopte leren riemen bevestigd waren. Soms waren de riemen verzwaard met scherpe stukjes bot of metaal om de slagen nog pijnlijker te maken. Bij zo’n geseling ontstonden diepe kneuzingen en werd het vlees aan repen gescheurd. Soms was de dood het gevolg.

zweepslagen: Zie aantekening bij Mt 27:26.

verblijf van de gouverneur: Het Griekse praitorion (ontleend aan het Latijnse praetorium) duidt op de officiële residentie van Romeinse gouverneurs. In Jeruzalem was de residentie waarschijnlijk het paleis dat gebouwd was door Herodes de Grote. Het lag in de NW-hoek van de bovenstad, dat wil zeggen het zuidelijke deel van Jeruzalem. (Zie voor de locatie App. B12.) Pilatus verbleef alleen bij bepaalde gelegenheden zoals feesten in Jeruzalem aangezien er altijd onrust dreigde. Zijn vaste residentie was in Cesarea.

verblijf van de gouverneur: Zie aantekening bij Mt 27:27.

deden hem een purperen gewaad aan: Dit werd gedaan om Jezus te bespotten en zijn koningschap belachelijk te maken. Volgens het verslag van Mattheüs (27:28) deden de soldaten Jezus ‘een scharlakenrode mantel’ om, het soort mantel dat koningen, magistraten en legerofficieren droegen. In het verslag van Markus en van Johannes (19:2) staat dat het om een purperen gewaad ging, maar in de oudheid was ‘purper’ de omschrijving voor elke kleur waarin rood en blauw voorkwam. Ook de hoek, lichtval en achtergrond kunnen invloed hebben gehad op de exacte kleur die werd waargenomen. Uit de variatie tussen de beschrijvingen van de kleur blijkt dat de evangelieschrijvers niet gewoon elkaars verslag overschreven.

doornenkroon: Ze wilden Jezus belachelijk maken door hem aan te kleden als een koning. Ze gaven hem een purperen gewaad (eerder in dit vers genoemd), een doornenkroon en volgens Mt 27:29 een scepter van riet.

Gegroet: Of ‘heil’. Lett.: ‘blij zijn’. Ze begroetten hem zoals ze caesar zouden begroeten, kennelijk om zijn bewering dat hij een koning was belachelijk te maken.

bespugen: Iemand bespugen of in het gezicht spugen was een uiting van diepe verachting, vijandschap of verontwaardiging en was vernederend voor het slachtoffer (Nu 12:14; De 25:9). Jezus zei hier dat hij op zo’n manier behandeld zou worden, waarmee een profetie over de Messias in vervulling zou gaan: ‘Mijn gezicht hield ik niet verborgen voor vernederingen en speeksel’ (Jes 50:6). Hij werd bespuugd toen hij voor het Sanhedrin verscheen (Mr 14:65), en ook nog door de Romeinse soldaten nadat hij door Pilatus was verhoord (Mr 15:19).

om hem eer te bewijzen: Of ‘om ons voor hem neer te buigen’. Waar het Griekse werkwoord proskuneo gebruikt wordt voor de verering van een god of godheid, wordt het weergegeven met ‘aanbidden’. Maar in deze context vroegen de astrologen naar ‘de pasgeboren koning van de Joden’. Het gaat hier dus duidelijk om eer of hulde bewijzen aan een menselijke koning, niet aan een god. Het woord is op een vergelijkbare manier in Mr 15:18, 19 gebruikt voor de soldaten die zich spottend voor Jezus ‘neerbogen’ en hem ‘Koning van de Joden’ noemden. (Zie aantekening bij Mt 18:26.)

bespuugden hem: Deze vernederende behandeling van Jezus was een vervulling van zijn eigen woorden in Mr 10:34 en van de profetie over de Messias in Jes 50:6. (Zie aantekening bij Mr 10:34.)

bogen zich voor hem neer: Of ‘bewezen hem eer’, ‘brachten hem hulde’. Hier wordt het Griekse werkwoord proskuneo gebruikt voor de soldaten die zich spottend voor Jezus neerbogen en hem ‘Koning van de Joden’ noemden (Mr 15:18; zie aantekening bij Mt 2:2).

aan een paal hangen: Dit is de eerste van de ruim 40 keer dat het Griekse werkwoord stauroo in de Griekse Geschriften voorkomt. Het verwante Griekse zelfstandig naamwoord stauros wordt weergegeven met ‘martelpaal’. (Zie aantekeningen bij Mt 10:38; 16:24 en 27:32 en Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’.) De werkwoordsvorm wordt in de Septuaginta gebruikt in Es 7:9, waar de opdracht wordt gegeven om Haman aan een paal van ruim 20 m hoog te hangen. In het klassieke Grieks betekent het ‘omheinen met palen, een palissade vormen’.

aan een paal te hangen: Zie aantekening bij Mt 20:19 en Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’.

je dwingt (...) met hem mee te gaan: Een verwijzing naar de gedwongen diensten die de Romeinse gezagdragers van burgers konden eisen. Ze konden bijvoorbeeld mensen of dieren bepaalde taken opleggen of iets in beslag nemen als ze dat nodig vonden om staatszaken sneller af te handelen. Zo ‘dwongen’ Romeinse soldaten Simon uit Cyrene om Jezus’ martelpaal te dragen (Mt 27:32).

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. (Zie Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’; zie ook aantekeningen bij Mt 10:38 en 16:24, waar de term in een figuurlijke betekenis wordt gebruikt.)

Cyrene: Een stad aan de Noord-Afrikaanse kust, ten ZZW van het eiland Kreta. (Zie App. B13.)

dwongen: Een verwijzing naar de gedwongen diensten die de Romeinse gezagdragers van burgers konden eisen. Ze konden bijvoorbeeld mensen of dieren bepaalde taken opleggen of iets in beslag nemen als ze dat nodig vonden om staatszaken sneller af te handelen. (Zie aantekening bij Mt 5:41.)

martelpaal: Zie aantekening bij Mt 27:32.

Cyrene: Zie aantekening bij Mt 27:32.

de vader van Alexander en Rufus: Markus is de enige die dit over Simon van Cyrene vermeldt.

Golgotha: Van een Hebreeuws woord dat ‘schedel’ betekent. (Zie Jo 19:17; vergelijk Re 9:53, waar het Hebreeuwse goelgoleth met ‘schedel’ is weergegeven.) In Jezus’ tijd bevond de plaats zich buiten de stadsmuren van Jeruzalem. Maar de locatie ervan is niet zeker. (Zie App. B12.) In de Bijbel staat niet dat Golgotha op een heuvel lag, maar er staat wel dat sommigen de terechtstelling van een afstand zagen (Mr 15:40; Lu 23:49).

Golgotha: Zie aantekening bij Mt 27:33.

schedelplaats: De Griekse term Kraniou Topos is een weergave van het Hebreeuwse woord Golgotha. (Zie Jo 19:17 en de aantekening bij Golgotha in dit vers.) Sommige Bijbelvertalingen gebruiken in Lu 23:33 het woord Calvarië, dat is afgeleid van calvaria, het Latijnse woord voor schedel dat in de Vulgaat wordt gebruikt.

gal: Het Griekse chole slaat hier op een bittere vloeistof die uit planten werd gewonnen of een bittere substantie in het algemeen. Mattheüs laat zien dat dit een vervulling van een profetie was door Ps 69:21 te citeren, waar de Septuaginta dit Griekse woord gebruikt als vertaling van het Hebreeuwse woord voor vergif. Blijkbaar maakten de vrouwen van Jeruzalem een mengsel van wijn en gal om de pijn van de veroordeelden te verzachten, en de Romeinen maakten daar geen bezwaar tegen. Het parallelverslag in Mr 15:23 zegt dat de wijn ‘vermengd was met mirre’, dus blijkbaar bevatte de drank zowel mirre als bittere gal.

wijn geven die vermengd was met mirre: Het parallelverslag in Mt 27:34 zegt dat ze hem ‘wijn gemengd met gal’ gaven. Waarschijnlijk bevatte de drank zowel mirre als bittere gal. Dit mengsel werd blijkbaar gegeven om de pijn te stillen. (Zie aantekening bij hij nam die niet aan in dit vers en aantekening bij Mt 27:34.)

hij nam die niet aan: Jezus wilde tijdens deze beproeving op zijn geloof blijkbaar over al zijn verstandelijke vermogens beschikken.

verdeelden ze zijn bovenkleren: Het verslag in Jo 19:23, 24 vermeldt aanvullende details die Mattheüs, Markus en Lukas niet noemen: Romeinse soldaten wierpen blijkbaar het lot over zowel het bovenkleed als het onderkleed, de soldaten verdeelden de bovenkleren in vieren (‘voor elke soldaat een deel’), ze verlootten het onderkleed omdat ze dat niet wilden verdelen, en het werpen van het lot over de kleding van de Messias was een vervulling van Ps 22:18. Het was blijkbaar de gewoonte dat de beulen de kleding van hun slachtoffers mochten houden, dus de kleren en bezittingen van misdadigers werden hun vóór hun terechtstelling afgenomen, wat de vernedering nog groter maakte.

verdeelden zijn bovenkleren: Zie aantekening bij Mt 27:35.

door het lot te werpen: Zie Woordenlijst ‘Loten’.

het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. Sommigen wijzen op een schijnbare tegenstrijdigheid tussen dit verslag en Jo 19:14-16, waar staat dat het ‘ongeveer het zesde uur’ was toen Pilatus Jezus overleverde om aan een paal gehangen te worden. Dit verschil is niet volledig te verklaren aan de hand van de Bijbel, maar er zijn een aantal factoren om in overweging te nemen. Als het gaat om de tijdsaanduiding van de gebeurtenissen op Jezus’ laatste dag op aarde, komen de evangelieverslagen over het algemeen met elkaar overeen. Alle vier maken ze duidelijk dat de overpriesters en oudsten na zonsopgang bij elkaar kwamen en Jezus vervolgens aan de Romeinse gouverneur Pontius Pilatus overleverden (Mt 27:1, 2; Mr 15:1; Lu 22:66–23:1; Jo 18:28). Mattheüs, Markus en Lukas vermelden allemaal dat toen Jezus al aan de paal hing er ‘vanaf het zesde uur’ duisternis over het land viel ‘tot het negende uur’ (Mt 27:45, 46; Mr 15:33, 34; Lu 23:44). Nog een factor die van invloed is op de tijdsaanduiding van Jezus’ terechtstelling is dat de geseling door sommigen werd gezien als een onderdeel van de terechtstelling. Soms werd het slachtoffer zo verschrikkelijk gegeseld dat hij eronder bezweek. In Jezus’ geval was het zo ernstig dat iemand anders de martelpaal moest dragen nadat hij die eerst zelf had gedragen (Lu 23:26; Jo 19:17). Als Jezus’ geseling werd gezien als het begin van zijn terechtstelling, moet er daarna wat tijd verstreken zijn totdat hij ook echt aan de paal werd gehangen. Dit wordt ondersteund door Mt 27:26 en Mr 15:15, waar de geseling (zweepslagen) en de terechtstelling aan de paal in één adem worden genoemd. Welke tijd iemand aangaf voor de terechtstelling kan dus hebben afgehangen van wat hij als aanvangspunt van het hele terechtstellingsproces bezag. Dat verklaart misschien ook waarom het Pilatus verbaasde om zo kort nadat Jezus aan de paal was gehangen te horen dat hij was gestorven (Mr 15:44). Verder weerspiegelen Bijbelschrijvers in hun tekst vaak de gewoonte om de dag net als de nacht in vier tijdvakken van elk drie uur te verdelen. Die verdeling van de dag verklaart waarom er vaak wordt verwezen naar het derde, zesde en negende uur, geteld vanaf zonsopgang rond 6.00 uur (Mt 20:1-5; Jo 4:6; Han 2:15; 3:1; 10:3, 9, 30). Daarnaast hadden mensen in het algemeen geen nauwkeurige uurwerken, en daarom werd de tijd vaak aangegeven met bepalingen als ‘rond’ of zoals in Jo 19:14 met ‘ongeveer’ (Mt 27:46; Lu 23:44; Jo 4:6; Han 10:3, 9). Samenvattend kunnen we zeggen dat Markus mogelijk op zowel de geseling als de terechtstelling doelde en Johannes alleen op de terechtstelling. Beide schrijvers hebben het tijdstip van de dag misschien afgerond naar het dichtstbijzijnde tijdvak van drie uur, en Johannes gebruikte ‘ongeveer’ als bepaling bij zijn tijdsaanduiding. Deze factoren verklaren misschien het verschil in tijdsaanduiding tussen de verslagen. En dat Johannes tientallen jaren na Markus een andere tijd lijkt te vermelden, toont juist aan dat hij niet gewoon Markus’ verslag heeft overgeschreven.

misdadigers: Of ‘rovers’. Het Griekse leistes kan slaan op een gewelddadige beroving en werd ook wel gebruikt voor rebellen. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor Barabbas (Jo 18:40), die volgens Lu 23:19 gevangenzat voor ‘oproer’ en ‘moord’. In het parallelverslag in Lu 23:32, 33, 39 wordt voor de misdadigers het Griekse kakourgos gebruikt, dat letterlijk ‘iemand die zich bezighoudt met kwaaddoen’ betekent.

misdadigers: Zie aantekening bij Mt 27:38.

In enkele latere manuscripten staat hier: ‘Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: “Hij werd tot de wettelozen gerekend.”’ Het laatste gedeelte is een citaat uit Jes 53:12. De woorden komen echter niet voor in de vroegste en betrouwbaarste manuscripten en maken blijkbaar geen deel uit van de oorspronkelijke tekst van Markus. Vergelijkbare woorden maken wel deel uit van de geïnspireerde tekst van Lu 22:37. Sommigen denken dat een kopiist de woorden van Lukas’ verslag heeft toegevoegd aan dat van Markus. (Zie App. A3.)

hoofdschuddend: Dit gebaar ging vaak samen met woorden en was een uiting van spot of minachting. De voorbijgangers vervulden zonder het te weten de profetie in Ps 22:7.

hoofdschuddend: Zie aantekening bij Mt 27:39.

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. (Zie Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’; zie ook aantekeningen bij Mt 10:38 en 16:24, waar de term in een figuurlijke betekenis wordt gebruikt.)

martelpaal: Zie aantekening bij Mt 27:32.

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. (Zie Woordenlijst ‘Martelpaal’ en ‘Paal’; zie ook aantekeningen bij Mt 10:38 en 16:24, waar de term in een figuurlijke betekenis wordt gebruikt.)

martelpaal: Zie aantekening bij Mt 27:32.

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

Rond het derde uur: Dat wil zeggen rond 9.00 uur. In de eerste eeuw had een dag voor de Joden 12 uur, te beginnen met zonsopgang rond 6.00 uur (Jo 11:9). Het derde uur was dus rond 9.00 uur, het zesde uur rond 12.00 uur en het negende uur rond 15.00 uur. Omdat de mensen geen nauwkeurige uurwerken hadden, werd meestal alleen de geschatte tijd van een gebeurtenis vermeld (Jo 1:39; 4:6; 19:14; Han 10:3, 9).

het zesde uur: Dat wil zeggen rond 12.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

een duisternis: In het parallelverslag van Lukas wordt nog toegevoegd dat er ‘geen zonlicht’ was (Lu 23:44, 45). De duisternis was een wonder en werd door God veroorzaakt. Het kan geen zonsverduistering geweest zijn. Die vindt namelijk altijd plaats bij nieuwemaan, maar het was nu de paschatijd en dus vollemaan. Bovendien hield de duisternis drie uur aan, veel langer dus dan een totale zonsverduistering, die nooit langer dan zo’n acht minuten duurt.

het negende uur: Dat wil zeggen rond 15.00 uur. (Zie aantekening bij Mt 20:3.)

Eli, Eli, lama sabachthani?: Sommigen denken dat deze woorden Aramees zijn, maar waarschijnlijk waren ze eigentijds Hebreeuws, enigszins beïnvloed door het Aramees. Uit de Griekse transliteratie van deze woorden die door Mattheüs en Markus zijn opgetekend, kan niet worden opgemaakt wat de oorspronkelijke taal was.

Mijn God, mijn God: Door tot zijn hemelse Vader te roepen en hem als zijn God te erkennen, vervulde Jezus Ps 22:1. Jezus’ uitroep kan de omstanders hebben doen denken aan de vele dingen die in de rest van Ps 22 over hem geprofeteerd waren: dat hij bespot zou worden, dat zijn handen en voeten aangevallen zouden worden en dat zijn kleren verloot en verdeeld zouden worden (Ps 22:6-8, 16, 18).

Eli, Eli, lama sabachthani?: Zie aantekening bij Mt 27:46.

Mijn God, mijn God: Zie aantekening bij Mt 27:46.

Elia: Van de Hebreeuwse naam die ‘mijn God is Jehovah’ betekent.

zure wijn: Of ‘wijnazijn’. Waarschijnlijk werd hiermee een lichte, wrange of zure wijn bedoeld die in het Latijn als acetum (azijn) bekendstond, of als posca wanneer de wijn met water verdund was. Dit was een goedkope drank die arme mensen, onder wie Romeinse soldaten, meestal dronken om hun dorst te lessen. De Septuaginta gebruikt het Griekse oxos ook in Ps 69:21, waar werd geprofeteerd dat de Messias ‘azijn’ te drinken zou krijgen.

rieten stok: In het verslag van Johannes wordt het een ‘hysopstengel’ genoemd (Jo 19:29; zie Woordenlijst ‘Hysop’).

zure wijn: Zie aantekening bij Mt 27:48.

rieten stok: Zie aantekening bij Mt 27:48.

hij gaf de geest: Of ‘hij blies de laatste adem uit’, ‘hij hield op met ademen’. Het woord geest (Grieks: pneuma) kan hier worden opgevat als de ‘adem’ of ‘levenskracht’, wat wordt ondersteund door het gebruik van het Griekse werkwoord ekpneo (lett.: ‘uitademen’) in het parallelverslag in Mr 15:37 (waar het wordt weergegeven met ‘blies de laatste adem uit’). Sommigen denken dat het gebruik van het Griekse woord dat met ‘geven’ is vertaald erop duidt dat Jezus vrijwillig zijn doodsstrijd opgaf, aangezien alles was volbracht (Jo 19:30). Bereidwillig ‘heeft hij zijn leven uitgestort in de dood’ (Jes 53:12; Jo 10:11).

blies de laatste adem uit: Of ‘gaf de geest’. (Zie aantekening bij Mt 27:50.)

gordijn: Dit prachtig versierde gordijn vormde in de tempel de scheiding tussen het heilige en het allerheiligste. Volgens de Joodse traditie was dit zware gordijn zo’n 18 m hoog, 9 m breed en 7 cm dik. Door het gordijn in tweeën te scheuren, liet Jehovah niet alleen zien dat hij woedend was op de moordenaars van zijn Zoon maar ook dat het nu mogelijk was de hemel zelf binnen te gaan (Heb 10:19, 20; zie Woordenlijst).

heiligdom: Het Griekse naos slaat hier op het centrale gebouw met het heilige en het allerheiligste.

gordijn: Zie aantekening bij Mt 27:51.

heiligdom: Zie aantekening bij Mt 27:51.

een lijfwacht: De Griekse term die hier wordt gebruikt is spekoulator, een leenwoord van het Latijnse speculator, dat kon duiden op een lijfwacht, een boodschapper en soms een scherprechter. In de Griekse Geschriften zijn Griekse equivalenten te vinden voor zo’n 30 Latijnse woorden. Dit zijn militaire, juridische, monetaire en huishoudelijke termen. Ze komen het meest in Markus en Mattheüs voor, en Markus gebruikt ze meer dan elke andere Bijbelschrijver. Dat ondersteunt de opvatting dat hij zijn evangelie in Rome schreef en vooral voor niet-Joden, met name voor de Romeinen. (Zie aantekening bij Jo 19:20.)

legerofficier: Of ‘centurio’, dat wil zeggen iemand die in het Romeinse leger het bevel had over zo’n 100 soldaten. Het kan zijn dat deze hoge officier erbij was toen Jezus terechtstond voor Pilatus en de Joden heeft horen zeggen dat Jezus beweerde Gods Zoon te zijn (Mr 15:16; Jo 19:7). Markus gebruikt hier het Griekse woord kenturion, een Latijns leenwoord dat ook in Mr 15:44, 45 voorkomt. (Zie Inleiding tot Markus en aantekeningen bij Mr 6:27 en Jo 19:20.)

Maria Magdalena: Haar bijnaam Magdalena (betekent ‘uit of van Magdala’) komt waarschijnlijk van de plaats Magdala aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, ongeveer halverwege tussen Kapernaüm en Tiberias. Sommigen denken dat Maria uit Magdala kwam of er woonde. (Zie aantekeningen bij Mt 15:39 en Lu 8:2.)

Maria Magdalena: Zie aantekening bij Mt 27:56.

Jakobus de Mindere: Een van Jezus’ apostelen en de zoon van Alfeüs (Mt 10:2, 3; Mr 3:18; Lu 6:15; Han 1:13). Mogelijk werd deze Jakobus ‘de Mindere’ genoemd omdat hij jonger of kleiner was dan de andere apostel Jakobus, de zoon van Zebedeüs.

Joses: Uit het Hebreeuws, een verkorte vorm van Josifja, wat ‘mag Jah toevoegen (vermeerderen)’, ‘Jah heeft toegevoegd (vermeerderd)’ betekent. In enkele manuscripten staat hier ‘Jozef’, maar de meeste oude manuscripten vermelden ‘Joses’. (Vergelijk het parallelverslag in Mt 27:56.)

Salomé: Waarschijnlijk van het Hebreeuwse woord voor vrede. Salomé was een discipel van Jezus. Uit een vergelijking van Mt 27:56 met Mr 3:17 en 15:40 zou je kunnen opmaken dat Salomé de moeder was van de apostelen Jakobus en Johannes. Mattheüs vermeldt namelijk ‘de moeder van de zonen van Zebedeüs’ en Markus noemt haar ‘Salomé’. Een vergelijking met Jo 19:25 lijkt erop te wijzen dat Salomé de zus van Jezus’ moeder Maria was. In dat geval zouden Jakobus en Johannes volle neven van Jezus zijn geweest. Verder kun je uit Mt 27:55, 56, Mr 15:41 en Lu 8:3 opmaken dat Salomé een van de vrouwen was die met Jezus waren meegekomen en die hun eigen middelen gebruikten om hem van dienst te zijn.

voorbereidingsdag: Kennelijk schreef Markus voornamelijk met een niet-Joods publiek in gedachten, want hij verklaart dat het hier om de dag vóór de sabbat gaat, een uitleg die je in de andere evangelieverslagen niet vindt (Mt 27:62; Lu 23:54; Jo 19:31). Op die dag bereidden de Joden zich op de sabbat voor door extra maaltijden klaar te maken en werk af te maken dat niet tot na de sabbat kon wachten. In dit geval viel voorbereidingsdag op 14 nisan. (Zie Woordenlijst.)

Arimathea: De naam van deze stad komt van een Hebreeuws woord dat ‘hoogte’ betekent. In Lu 23:51 wordt het ‘een stad van de Judeeërs’ genoemd. (Zie App. B10.)

Sanhedrin: Dat wil zeggen de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

Jozef: Het eigen karakter van elke evangelieschrijver blijkt uit de verschillende details die ze over Jozef vermelden. De belastinginner Mattheüs zegt dat hij ‘een rijke man’ was. Markus, die vooral voor de Romeinen schrijft, noemt hem ‘een vooraanstaand lid van de Raad’ dat Gods Koninkrijk verwachtte. Lukas, de sympathieke arts, zegt dat hij ‘een goede en rechtvaardige man’ was die niet had ingestemd met wat de Raad Jezus had aangedaan. En alleen Johannes vermeldt dat hij ‘uit angst voor de Joden in het geheim een discipel van Jezus was’ (Mt 27:57-60; Mr 15:43-46; Lu 23:50-53; Jo 19:38-42).

Arimathea: Zie aantekening bij Mt 27:57.

lid van de Raad: Of ‘raadsheer’, dat wil zeggen raadslid van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. (Zie aantekening bij Mt 26:59 en Woordenlijst.)

graf: Of ‘herinneringsgraf’. Geen natuurlijke grot, maar een grafkamer of -kelder die was uitgehouwen in de zachte kalksteenrotsen. In zulke graven waren vaak nissen of holten uitgehouwen waar lichamen in gelegd konden worden. (Zie Woordenlijst.)

graf: Zie aantekening bij Mt 27:60.

een steen: Blijkbaar een ronde steen, want in het vers staat dat de steen op zijn plek werd gerold en Mr 16:4 zegt dat die bij Jezus’ opstanding ‘al was weggerold’. De steen kan wel een ton of meer hebben gewogen. Volgens Mattheüs’ verslag was het ‘een grote steen’ (Mt 27:60).

Media

Sanhedrin
Sanhedrin

De Joodse Hoge Raad, ook het Grote Sanhedrin genoemd, telde 71 leden en zetelde in Jeruzalem. (Zie Woordenlijst.) Volgens de Misjna zaten de leden in drie rijen in een halve cirkel en waren er twee griffiers aanwezig om de beslissingen van het gerechtshof vast te leggen. Sommige architectonische kenmerken op de afbeelding zijn gebaseerd op overblijfselen in Jeruzalem van wat volgens sommigen de raadskamer uit de eerste eeuw was. (Zie Appendix B12, kaart ‘Jeruzalem en omgeving’.)

1. Hogepriester

2. Leden Sanhedrin

3. Gedaagde

4. Griffiers

Spijker in hielbeen
Spijker in hielbeen

Dit is een foto van een replica van een menselijk hielbeen dat met een ijzeren spijker van 11,5 cm is doorboord. Het oorspronkelijke bot is in 1968 gevonden bij opgravingen in het noorden van Jeruzalem en dateert uit de tijd van de Romeinen. Het vormt archeologisch bewijs dat er bij terechtstellingen waarschijnlijk spijkers werden gebruikt om de veroordeelde aan een houten paal te nagelen. Misschien hebben de Romeinse soldaten spijkers als deze gebruikt om Jezus aan de paal te nagelen. Het bot is gevonden in een ossuarium, een stenen kist waarin de droge botten van een overledene werden gelegd nadat het vlees vergaan was. Dat duidt erop dat iemand die aan een paal terechtgesteld was, een begrafenis kon krijgen.

Grafkamer
Grafkamer

De Joden begroeven hun doden gewoonlijk in een grot of in een ruimte die in de rotsen was uitgehakt. Deze graven bevonden zich meestal buiten de steden, met uitzondering van de graven van de koningen. De Joodse graven die gevonden zijn, vallen op door hun eenvoud. Kennelijk kwam dat doordat het geloof van de Joden geen verering van de doden toestond en niet het idee ondersteunde dat iemand na de dood voortleefde in een geestenwereld.