Volgens Lukas 9:1-62

9  Hij riep de twaalf bij elkaar en gaf hun macht en gezag over alle demonen+ en om ziekten te genezen.+  Daarna zond hij ze uit om Gods Koninkrijk te prediken en zieken te genezen.  Hij zei tegen ze: ‘Neem niets mee voor de reis — geen staf, geen voedselzak, geen brood, geen geld en ook geen extra kleren.+  Maar als je ergens een huis binnengaat, blijf daar dan tot je weer verdergaat.+  En als mensen je niet willen ontvangen, verlaat dan die stad en schud het stof van je voeten, als een getuigenis tegen hen.’+  Ze gingen op weg en trokken het gebied door, van dorp naar dorp. Overal maakten ze het goede nieuws bekend en genazen ze zieken.+  Herodes, de districtsregeerder, hoorde wat er allemaal gebeurde. Hij raakte in grote verwarring, want sommigen zeiden dat Johannes uit de dood was opgewekt,+  anderen dat Eli̱a was verschenen en weer anderen dat een van de profeten uit de oudheid was opgestaan.+  Herodes zei: ‘Johannes heb ik laten onthoofden.+ Over wie hoor ik al die verhalen dan?’ Daarom zocht hij naar een gelegenheid om hem te ontmoeten.+ 10  Toen de apostelen terugkwamen, vertelden ze Jezus wat ze allemaal hadden gedaan.+ Daarna trok hij zich alleen met hen terug en ging naar de stad Bethsa̱ïda.+ 11  Maar de mensen kwamen erachter en volgden hem. Hij ontving hen vriendelijk en vertelde hun over Gods Koninkrijk. Ook genas hij degenen die genezing nodig hadden.+ 12  Tegen het einde van de dag kwamen de twaalf naar hem toe en zeiden: ‘Stuur de menigte weg, dan kunnen ze in de omliggende dorpen en op het land op zoek gaan naar voedsel en onderdak, want we zijn hier op een afgelegen plek.’+ 13  Maar hij zei: ‘Geven jullie ze maar iets te eten.’+ Ze antwoordden: ‘We hebben hier alleen maar vijf broden en twee vissen. Of we moeten zelf eten gaan kopen voor al die mensen.’ 14  Er waren ongeveer 5000 mannen. Hij zei tegen zijn discipelen: ‘Laat ze in groepen van ongeveer 50 gaan zitten.’ 15  Dat deden ze en iedereen ging zitten. 16  Daarna nam hij de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel en zegende ze. Hij brak ze en gaf ze aan de discipelen zodat die ze aan de menigte konden uitdelen. 17  Alle mensen aten tot ze genoeg hadden. Toen werden de overgebleven stukken opgehaald: 12 manden vol.+ 18  Later had hij zich afgezonderd om te bidden. De discipelen kwamen naar hem toe* en hij vroeg hun: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’+ 19  Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper. Anderen zeggen Eli̱a, en weer anderen zeggen dat een van de profeten uit de oudheid is opgestaan uit de dood.’+ 20  Toen vroeg hij: ‘Maar wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘De Christus van God.’+ 21  Daarop gebood hij ze uitdrukkelijk om dat aan niemand te vertellen+ 22  en zei verder: ‘De Mensenzoon moet veel lijden ondergaan en door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden verworpen worden, en hij moet gedood worden+ en op de derde dag worden opgewekt.’+ 23  Vervolgens zei hij tegen hen allemaal: ‘Als iemand mijn volgeling wil worden, moet hij zichzelf wegcijferen,+ elke dag zijn martelpaal opnemen en mij altijd volgen.+ 24  Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest ter wille van mij, zal het redden.+ 25  Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of zichzelf schade toebrengt?+ 26  Want als iemand zich voor mij en voor mijn woorden schaamt, zal de Mensenzoon zich voor hem schamen wanneer hij komt met zijn macht* en die van de Vader en van de heilige engelen.+ 27  Ik verzeker jullie dat sommigen van degenen die hier staan niet zullen sterven voordat ze Gods Koninkrijk hebben gezien.’+ 28  Ongeveer acht dagen nadat hij dat had gezegd, nam hij Petrus, Johannes en Jakobus mee en ging de berg op om te bidden.+ 29  En terwijl hij aan het bidden was, veranderde de aanblik van zijn gezicht en werd zijn kleding stralend wit.* 30  Opeens waren er twee mannen met hem in gesprek. Het waren Mozes en Eli̱a. 31  Ze verschenen met grote pracht* en begonnen over zijn vertrek te praten en dat dit in Jeruzalem zou moeten plaatsvinden.+ 32  Petrus en de anderen waren in slaap gevallen, maar toen ze wakker werden, zagen ze Jezus’ grote pracht+ en de twee mannen die bij hem stonden. 33  Toen die weg wilden gaan, zei Petrus tegen Jezus: ‘Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie tenten opzetten, één voor jou, één voor Mozes en één voor Eli̱a.’ Maar hij wist niet wat hij zei. 34  Terwijl hij nog sprak, vormde zich een wolk, die hen omhulde.+ Toen ze in de wolk terechtkwamen, werden ze bang. 35  Er kwam een stem+ uit de wolk, die zei: ‘Dit is mijn Zoon, degene die is uitverkoren.+ Luister naar hem.’+ 36  Op het moment dat de stem klonk, zagen ze dat Jezus weer alleen was. Maar ze hielden het stil en vertelden in die tijd niemand over de dingen die ze hadden gezien.+ 37  De volgende dag daalden ze de berg af en een grote menigte kwam hem tegemoet.+ 38  Een man in de menigte riep: ‘Meester, kom alstublieft naar mijn zoon kijken, want hij is mijn enige kind.+ 39  Er is een geest die bezit van hem neemt, en dan schreeuwt hij het plotseling uit. De geest laat hem stuiptrekken tot het schuim op zijn mond staat. Hij slaat hem bont en blauw en laat hem haast niet meer los.+ 40  Ik heb uw discipelen gesmeekt hem uit te drijven, maar dat konden ze niet.’ 41  Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovige en zondige* generatie!+ Hoelang moet ik nog bij jullie blijven en jullie nog verdragen? Breng je zoon hier.’+ 42  Toen de jongen dichterbij kwam, gooide de demon hem opnieuw op de grond en liet hem hevig stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas de jongen en gaf hem aan zijn vader terug. 43  Iedereen was diep onder de indruk van Gods grote macht.+ Terwijl de mensen nog onder de indruk waren van wat Jezus allemaal deed, zei hij tegen zijn discipelen: 44  ‘Luister goed en onthoud wat ik jullie zeg: de Mensenzoon zal worden verraden en aan mensen worden overgeleverd.’*+ 45  Maar ze begrepen niet wat hij bedoelde. Het bleef voor hen verborgen zodat ze het niet zouden begrijpen, maar ze durfden hem er niets over te vragen. 46  Toen kregen ze een meningsverschil over de vraag wie van hen de grootste was.+ 47  Omdat Jezus wist wat er in hun hart leefde, nam hij een kind bij zich, zette dat naast zich neer 48  en zei tegen ze: ‘Wie dit kind in mijn naam ontvangt, ontvangt ook mij, en wie mij ontvangt, ontvangt ook degene die mij heeft gestuurd.+ Want wie zich onder jullie als een mindere opstelt, die is groot.’+ 49  Johannes antwoordde: ‘Meester, we hebben iemand gezien die jouw naam gebruikt om demonen uit te drijven. We hebben geprobeerd hem tegen te houden, omdat hij jou niet samen met ons volgt.’*+ 50  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Probeer hem niet tegen te houden, want wie niet tegen jullie is, is vóór jullie.’ 51  Toen de tijd dichterbij kwam* dat hij in de hemel zou worden opgenomen,+ was hij vastbesloten om naar Jeruzalem te gaan.+ 52  Daarom stuurde hij een paar boodschappers vooruit. Ze gingen naar een Samaritaans dorp om zijn komst voor te bereiden. 53  Maar omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was, werd hij niet gastvrij ontvangen.+ 54  Toen de discipelen Jakobus en Johannes+ dat zagen, zeiden ze: ‘Heer,* wil je dat we om vuur uit de hemel vragen om hen te vernietigen?’+ 55  Maar hij draaide zich om en wees hen terecht. 56  Daarom gingen ze naar een ander dorp. 57  Terwijl ze onderweg waren, zei iemand tegen hem: ‘Ik zal u volgen, waar u ook naartoe gaat.’+ 58  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Vossen hebben holen en vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen.’+ 59  Toen zei hij tegen een ander: ‘Wees mijn volgeling.’ De man zei: ‘Heer, mag ik eerst teruggaan om mijn vader te begraven?’+ 60  Maar hij antwoordde: ‘Laat de doden+ hun doden begraven. Maar jij moet overal Gods Koninkrijk bekendmaken.’+ 61  En weer een ander zei: ‘Ik zal u volgen, Heer, maar mag ik eerst naar huis* om afscheid te nemen?’ 62  Jezus zei tegen hem: ‘Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en omkijkt naar de dingen die achter hem liggen,+ is geschikt voor Gods Koninkrijk.’+

Voetnoten

Of mogelijk ‘voegden zich bij hem’, ‘waren bij hem’.
Of ‘heerlijkheid’.
Of ‘zo helder als een bliksemflits’.
Of ‘heerlijkheid’.
Of ‘ontwrichte’, ‘verdorven’.
Of ‘zal in de handen van mensen worden overgeleverd’.
Of ‘hij niet samen met ons een volgeling is’.
Lett.: ‘toen de dagen ten volle verstreken (werden vervuld)’.
Of ‘Meester’.
Of ‘mijn huisgenoten’.

Aantekeningen

sandalen: Dit lijkt te duiden op een extra paar sandalen, want Jezus zei dat ze geen sandalen moesten meenemen. Het was gebruikelijk om op een lange reis extra sandalen mee te nemen omdat de zolen konden slijten en de riempjes stuk konden gaan. Toen Jezus bij een eerdere gelegenheid vergelijkbare instructies gaf, zei hij tegen zijn discipelen dat ze wel de sandalen moesten ‘aandoen’ (of ‘onderbinden’) die ze al hadden (Mr 6:8, 9). En in Mt 10:9, 10 staat dat hij ze opdroeg geen sandalen ‘mee te nemen’ (of ‘aan te schaffen’), dat wil zeggen geen extra paar.

Neem niets mee voor de reis: Toen Jezus zijn apostelen op een predikingstocht stuurde ‘om Gods Koninkrijk te prediken’ (Lu 9:2), gaf hij instructies hoe ze dit allerbelangrijkste werk moesten doen. Zijn instructies staan in alle drie de synoptische evangeliën (Mt 10:8-10; Mr 6:8, 9; Lu 9:3). Hoewel er wat verschillen zijn in de bewoordingen, brengen alle instructies de boodschap over dat de apostelen zich niet mochten bezighouden met het verzamelen van extra spullen en dat Jehovah voor ze zou zorgen. In alle drie de verslagen staat dat de apostelen geen extra kleren (lett.: ‘twee kledingstukken’) moesten meenemen of dragen. Onder de Hebreeën was het kennelijk gebruikelijk om op reis een staf mee te nemen (Ge 32:10) en in Mr 6:8 wordt de apostelen gezegd ‘niets voor de reis mee te nemen behalve een staf’. De instructie in Lu 9:3 om geen staf mee te nemen, kan dus betekenen dat de apostelen wel een staf moesten meenemen maar dat ze geen extra staf moesten kopen of meenemen. Jezus zei dus tegen zijn discipelen dat ze niet veel extra bagage moesten meenemen die hen zou kunnen ophouden en dat Jehovah onderweg voor hen zou zorgen. (Zie aantekening bij Lu 10:4, waar Jezus vergelijkbare instructies geeft aan de 70 discipelen die hij er bij een andere gelegenheid op uit stuurt.)

geld: Lett.: ‘zilver’, dat wil zeggen zilver dat als geld werd gebruikt.

blijf daar dan tot je die plaats verlaat: Jezus gaf zijn discipelen de instructie om bij hun bezoek aan een stad in het huis te blijven waar hun gastvrijheid was verleend en ‘niet steeds van het ene huis naar het andere te gaan’ (Lu 10:1-7). Door niet naar een huis te gaan waar de gastheer ze meer gemak, ontspanning of materiële dingen kon bieden, zouden ze tonen dat die dingen ondergeschikt waren aan hun opdracht om te prediken.

blijf daar: Zie aantekening bij Mr 6:10.

schud het stof van je voeten: Vrome Joden die terugkwamen van een reis door heidens gebied schudden ‘onrein’ stof van hun sandalen voordat ze weer op Joods grondgebied kwamen. Maar Jezus had blijkbaar een andere betekenis in gedachten toen hij zijn discipelen deze instructies gaf. Met dit gebaar zouden de discipelen de verantwoordelijkheid afwijzen voor de consequenties, die van God zouden komen. Een vergelijkbare uitdrukking komt voor in Mt 10:14 en Mr 6:11. Markus voegt daaraan de uitdrukking ‘als een getuigenis voor hen’ toe en Lukas voegt als een getuigenis tegen hen toe. Paulus en Barnabas pasten deze instructie toe in Antiochië in Pisidië (Han 13:51). Toen Paulus in Korinthe iets vergelijkbaars deed door zijn kleren uit te schudden, zei hij bij wijze van uitleg: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen. Ik ben rein’ (Han 18:6).

Herodes: Dat wil zeggen Herodes Antipas, de zoon van Herodes de Grote. (Zie Woordenlijst.)

districtsregeerder: Lett.: ‘tetrarch’ (betekent ‘heerser over een vierde’ van een provincie), een term die werd gebruikt voor een ondergeschikte districtsregeerder of vazalvorst die alleen met toestemming van de Romeinse overheid regeerde. De tetrarchie van Herodes Antipas bestond uit Galilea en Perea. (Vergelijk de aantekening bij Mr 6:14.)

Herodes: Zie aantekening bij Mt 14:1.

districtsregeerder: Zie aantekening bij Mt 14:1.

had hij zich afgezonderd om te bidden: Dit vond plaats in de buurt van Cesarea Filippi (Mt 16:13; Mr 8:27). Alleen Lukas vermeldt dat Jezus zich afzonderde om te bidden.

de Doper: Of ‘de Onderdompelaar’. Werd blijkbaar gebruikt als een soort bijnaam, wat aangeeft dat doop door onderdompeling in water kenmerkend was voor Johannes. De Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus schreef over ‘Johannes, bijgenaamd de Doper’.

Johannes: Het Nederlandse equivalent van de Hebreeuwse naam Johanan, die ‘Jehovah heeft gunst getoond’, ‘Jehovah is goedgunstig geweest’ betekent.

Elia: Van de Hebreeuwse naam die ‘mijn God is Jehovah’ betekent.

Johannes de Doper: Zie aantekening bij Mt 3:1.

Elia: Zie aantekening bij Mt 11:14.

zichzelf wegcijferen: Of ‘zichzelf verloochenen’, ‘ieder recht op zichzelf opgeven’. Hieruit blijkt iemands bereidheid om zichzelf volledig te verloochenen of het eigendomsrecht op zichzelf aan God af te staan. De Griekse uitdrukking kan worden weergegeven als ‘nee tegen zichzelf zeggen’, wat passend is omdat het kan inhouden dat iemand nee moet zeggen tegen zijn eigen verlangens, ambities of comfort (2Kor 5:14, 15). Mattheüs gebruikt hetzelfde Griekse werkwoord als hij beschrijft hoe Petrus zegt dat hij Jezus niet kent (Mt 26:34, 35, 75).

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. In het klassieke Grieks werd het woord stauros voornamelijk gebruikt voor een rechtopstaande paal. Soms werd het figuurlijk gebruikt voor het lijden, de schande, de martelingen en zelfs de dood die iemand onderging omdat hij een volgeling van Jezus was. (Zie Woordenlijst.)

zichzelf wegcijferen: Of ‘zichzelf verloochenen’, ‘ieder recht op zichzelf opgeven’. Hieruit blijkt iemands bereidheid om zichzelf volledig te verloochenen of het eigendomsrecht op zichzelf aan God af te staan. De Griekse uitdrukking kan worden weergegeven als ‘nee tegen zichzelf zeggen’, wat passend is omdat het kan inhouden dat iemand nee moet zeggen tegen zijn eigen verlangens, ambities of comfort (2Kor 5:14, 15). Lukas gebruikt hetzelfde Griekse werkwoord en een verwant werkwoord als hij beschrijft hoe Petrus zegt dat hij Jezus niet kent (Lu 22:34, 57, 61; zie aantekening bij Mt 16:24).

martelpaal: Zie aantekening bij Mt 16:24.

leven: Of ‘ziel’. (Zie Woordenlijst.)

Ongeveer acht dagen nadat hij dat had gezegd: In de verslagen van Mattheüs en Markus staat ‘zes dagen later’ (Mt 17:1; Mr 9:2). Lukas vermeldt het aantal dagen vanuit een ander perspectief dan Mattheüs en Markus. Kennelijk telt hij de dag mee waarop Jezus de belofte deed (Lu 9:27) en de dag waarop de transfiguratie plaatsvond. Mattheüs en Markus tellen zes hele dagen als de tussenliggende periode. Het is interessant dat Lukas vermeldt dat het om een schatting gaat: ‘ongeveer acht dagen’.

te bidden: Alleen Lukas vermeldt in verband met Jezus’ transfiguratie dit detail over het gebed. In het volgende vers zegt hij ook dat Jezus ‘aan het bidden was’ (Lu 9:29). Andere voorbeelden van gebeden van Jezus die alleen Lukas vermeldt, staan in Lu 3:21; 5:16; 6:12; 9:18; 11:1 en 23:46.

zijn vertrek: Of ‘zijn heengaan’. Het Griekse woord exodos dat hier wordt gebruikt komt ook voor in 2Pe 1:15 (vertrek) en in Heb 11:22 (uittocht). Jezus’ vertrek of uittocht omvatte kennelijk zowel zijn dood als zijn daaropvolgende opstanding tot leven in de hemel.

klonk er een stem uit de hemel: De eerste van de drie keer in de evangeliën waar wordt gezegd dat Jehovah met hoorbare stem tot mensen spreekt. (Zie aantekeningen bij Lu 9:35 en Jo 12:28.)

een stem: De derde van de drie keer in de evangeliën waar wordt gezegd dat Jehovah rechtstreeks tot mensen spreekt. De eerste keer was bij Jezus’ doop in het jaar 29 en wordt vermeld in Mt 3:16, 17; Mr 1:11 en Lu 3:22. De tweede keer was bij Jezus’ transfiguratie in het jaar 32 en staat in Mt 17:5; Mr 9:7 en Lu 9:35. De derde keer was in het jaar 33, kort vóór Jezus’ laatste Pascha, en wordt alleen in het evangelie van Johannes vermeld. Jehovah reageerde op Jezus’ verzoek dat zijn Vader Zijn eigen naam zou verheerlijken.

Er kwam een stem uit de wolk: De tweede van de drie keer in de evangeliën waar wordt gezegd dat Jehovah rechtstreeks tot mensen spreekt. (Zie aantekeningen bij Lu 3:22 en Jo 12:28.)

een eniggeboren zoon: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘uniek’. Het wordt in de Bijbel gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. (Zie aantekeningen bij Lu 7:12; 8:42 en 9:38.) In de geschriften van Johannes wordt deze term uitsluitend voor Jezus gebruikt (Jo 3:16, 18; 1Jo 4:9), maar nooit in verband met Jezus’ menselijke geboorte of zijn bestaan als mens. In plaats daarvan gebruikt Johannes de term voor Jezus in zijn voormenselijke bestaan als de Logos, het Woord, degene die ‘in het begin bij God was’, nog ‘voordat de wereld er was’ (Jo 1:1, 2; 17:5, 24). Jezus is de ‘eniggeboren zoon’ omdat hij Jehovah’s Eerstgeborene is en de enige die rechtstreeks door hem is geschapen. Andere geestelijke wezens worden wel ‘zonen van de ware God’ en ‘zonen van God’ genoemd (Ge 6:2, 4; Job 1:6; 2:1; 38:4-7), maar al die zonen zijn door Jehovah geschapen via die eerstgeboren Zoon (Kol 1:15, 16). Samenvattend kunnen we zeggen dat monogenes op twee dingen duidt: Jezus is ‘de enige in zijn soort’, ‘uniek’, ‘onvergelijkelijk’ en hij is de enige zoon die rechtstreeks en uitsluitend door God is gemaakt (1Jo 5:18; zie aantekening bij Heb 11:17).

enige: Het Griekse woord monogenes, traditioneel vertaald met ‘eniggeboren’, is wel gedefinieerd als ‘de enige in zijn soort’, ‘de enige echte’, ‘de enige of het enige lid van een klasse of soort’, ‘uniek’. Het wordt gebruikt voor de relatie van een zoon of dochter tot zijn of haar ouders. In deze context wordt het gebruikt voor een enig kind. Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de enige zoon van een weduwe in Naïn en Jaïrus’ enige dochter (Lu 7:12; 8:41, 42). De Griekse Septuaginta gebruikt monogenes als het gaat om Jefta’s dochter, over wie wordt gezegd: ‘Ze was zijn enige kind. Hij had verder geen zonen of dochters’ (Re 11:34). In de geschriften van de apostel Johannes wordt monogenes vijf keer gebruikt in verband met Jezus. (Zie aantekeningen bij Jo 1:14 en 3:16 voor de betekenis van de term als die op Jezus wordt toegepast.)

Gods grote macht: Of ‘de grootheid (majesteit) van God’. Als Jezus mensen genas, vestigde hij niet de aandacht op zichzelf als genezer maar schreef hij die wonderen toe aan Gods macht.

dat hij in de hemel zou worden opgenomen: Lett.: ‘van zijn opneming’. Het Griekse woord analempsis komt alleen hier in de Griekse Geschriften voor en wordt meestal toegepast op Jezus’ hemelvaart. Het verwante werkwoord wordt gebruikt in Han 1:2, 11, 22.

het doel van zijn reis was: Lett.: ‘zijn gezicht ging naar [of ‘was gericht op’]’. (Vergelijk Lu 9:51.) Vergelijkbare uitdrukkingen zijn in de Hebreeuwse Geschriften te vinden in de betekenis van gericht zijn op een doel of wens (1Kon 2:15, vtn.; 2Kon 12:17, vtn.) en brengen de gedachte over van een sterke wil en vastbeslotenheid (2Kr 20:3, vtn.; Da 11:17, vtn.).

Heer: In sommige manuscripten staat dit woord niet, maar het gebruik ervan wordt ondersteund door een aantal oude, gezaghebbende manuscripten.

om mijn vader te begraven: Deze woorden betekenen waarschijnlijk niet dat de man net zijn vader verloren had en vroeg of hij eerst regelingen mocht treffen voor de begrafenis. Anders zou deze man waarschijnlijk niet hier met Jezus in gesprek zijn. In het Midden-Oosten was het de gewoonte om een familielid dat overleden was snel te begraven, meestal nog dezelfde dag. De vader van de man was misschien ziek of bejaard, maar niet dood. En Jezus zou niet tegen de man hebben gezegd dat hij een vader die ziek was of hulp nodig had in de steek moest laten, dus er moeten andere familieleden geweest zijn die de vader konden verzorgen (Mr 7:9-13). De man zei eigenlijk: ‘Ik wil je wel volgen, maar niet zolang mijn vader nog leeft. Wacht tot mijn vader gestorven is en ik hem begraven heb.’ Maar vanuit Jezus’ standpunt miste de man een kans om de belangen van Gods Koninkrijk op de eerste plaats te stellen (Lu 9:60, 62).

om mijn vader te begraven: Deze woorden betekenen waarschijnlijk niet dat de man net zijn vader verloren had en vroeg of hij eerst regelingen mocht treffen voor de begrafenis. Anders zou deze man waarschijnlijk niet hier met Jezus in gesprek zijn. In het Midden-Oosten was het de gewoonte om een familielid dat overleden was snel te begraven, meestal nog dezelfde dag. De vader van de man was misschien ziek of bejaard, maar niet dood. En Jezus zou niet tegen de man hebben gezegd dat hij een vader die ziek was of hulp nodig had in de steek moest laten, dus er moeten andere familieleden geweest zijn die de vader konden verzorgen (Mr 7:9-13). De man zei eigenlijk: ‘Ik wil je wel volgen, maar niet zolang mijn vader nog leeft. Wacht tot mijn vader gestorven is en ik hem begraven heb.’ Maar vanuit Jezus’ standpunt miste de man een kans om de belangen van Gods Koninkrijk op de eerste plaats te stellen (Lu 9:60, 62).

Laat de doden hun doden begraven: Zoals uit de aantekening bij Lu 9:59 blijkt, is de vader van de man met wie Jezus praat waarschijnlijk ziek of bejaard, maar niet dood. Daarom zegt Jezus kennelijk: ‘Laat degenen die geestelijk dood zijn hun doden begraven’, waarmee hij bedoelt dat de man andere familieleden voor zijn vader moet laten zorgen totdat die sterft en begraven moet worden. Door Jezus te volgen zou de man de weg naar het eeuwige leven kiezen en zich niet bevinden onder degenen die in Gods ogen geestelijk dood zijn. In zijn antwoord laat Jezus uitkomen dat het om geestelijk in leven te blijven essentieel is om Gods Koninkrijk op de eerste plaats te stellen en het overal bekend te maken.

Media

Staf en voedselzak
Staf en voedselzak

In het oude Israël gebruikten mensen een stok of staf voor allerlei doelen, bijvoorbeeld om op te leunen (Ex 12:11; Za 8:4; Heb 11:21), om zich te verdedigen of te beschermen (2Sa 23:21), om te dorsen (Jes 28:27) en om olijven te oogsten of uit de boom te slaan (De 24:20; Jes 24:13). Een voedselzak was een tas, meestal van leer, die over de schouder werd gedragen door reizigers, herders, boeren en anderen. Er werd voedsel, kleding en dergelijke in meegenomen. Toen Jezus zijn apostelen op een predikingstocht stuurde, gaf hij ze onder andere instructies over een staf en voedselzak. De apostelen mochten die niet meenemen en mochten zich niet laten afleiden door iets extra’s te halen. Jehovah zou voor ze zorgen. (In de aantekeningen bij Lu 9:3 en 10:4 wordt uitgelegd hoe Jezus’ instructies opgevat moeten worden.)

Munt van Herodes Antipas
Munt van Herodes Antipas

Op deze foto’s zijn de twee kanten afgebeeld van een munt van een koperlegering. Deze munt is geslagen in de tijd van Jezus’ bediening. Dat was in opdracht van Herodes Antipas, de tetrarch of districtsregeerder van Galilea en Perea. Waarschijnlijk trok Jezus op zijn reis naar Jeruzalem door Perea, het gebied van Herodes, toen de farizeeën hem vertelden dat Herodes hem wilde doden. Jezus noemde Herodes daarop ‘die vos’. (Zie aantekening bij Lu 13:32.) Aangezien Herodes voornamelijk Joden als onderdanen had, stonden er op de munten die hij liet slaan emblemen zoals palmtakken (1) en kransen (2), afbeeldingen waar de Joden geen aanstoot aan zouden nemen.

Manden
Manden

In de Bijbel worden verschillende woorden gebruikten om diverse soorten manden te beschrijven. Het Griekse woord dat wordt gebruikt voor de 12 manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus door een wonder zo’n 5000 mannen gevoed had, geeft aan dat het misschien om een relatief kleine tenen mand ging. Maar er wordt een ander Grieks woord gebruikt voor de zeven manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus zo’n 4000 mannen had gevoed (Mr 8:8, 9). Dit woord duidt op een grote mand, en hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de mand waarin ze Paulus door een opening in de stadsmuur van Damaskus naar beneden lieten zakken (Han 9:25).

Hermon
Hermon

De Hermon bij Cesarea Filippi is met 2814 m de hoogste berg in de omgeving van Israël. De besneeuwde toppen bevorderen de condensatie van waterdamp, waardoor er veel dauw ontstaat die de plantengroei tijdens het lange, droge seizoen in leven houdt (Ps 133:3). De smeltende sneeuw is de voornaamste bron van de rivier de Jordaan. De Hermon is een van de mogelijke locaties van Jezus’ transfiguratie (Mt 17:2).

Uitzicht op de Hermon vanuit het Hulavallei-natuurreservaat
Uitzicht op de Hermon vanuit het Hulavallei-natuurreservaat

De Hermon ligt aan de noordelijke grens van het beloofde land en heeft meerdere toppen, waarvan de hoogste 2814 m boven zeeniveau is. Deze toppen vormen het zuidelijke deel van het Anti-Libanongebergte. Misschien heeft Jezus op de Hermon zijn transfiguratie ondergaan.

Vossenholen en vogelnesten
Vossenholen en vogelnesten

Jezus had geen vaste verblijfplaats en hij vergeleek zijn situatie met die van vossen die holen hebben en van vogels die nesten hebben. De vossen op deze afbeelding (Vulpes vulpes) komen niet alleen voor in het Midden-Oosten, maar ook in Afrika, Azië, Europa en Noord-Amerika en inmiddels ook in Australië. Meestal graven vossen een hol in de grond, maar soms gebruiken ze een natuurlijke spleet of nemen ze een (verlaten) hol in van een ander dier. De vogel op de afbeelding, een Cetti’s zanger (Cettia cetti), is een van de naar schatting 470 soorten die in de loop van een jaar in Israël kunnen worden aangetroffen. De vogels maken hun nesten in bomen, in holle boomstammen en op kliffen, met materialen als twijgen, bladeren, zeewier, wol, stro, mos en veren. Het landschap is heel divers — van koude bergtoppen tot diepe, smoorhete valleien en van droge woestijnen tot kustvlakten — en dat komt allemaal samen ten zuidoosten van de Middellandse Zee. Deze omstandigheden vormen een aantrekkelijk leefgebied voor zowel standvogels als trekvogels.

Ploegen
Ploegen

Ploegen werd vaak in de herfst gedaan als de grond, die door de hete zomerzon hard en droog werd, door de regen zachter was geworden. (Zie App. B15.) Sommige ploegen bestonden eenvoudig uit een spits toelopend stuk hout, misschien met een metalen punt, dat aan een ander stuk hout bevestigd was en door een of meer dieren werd getrokken. Na het ploegen werd de grond ingezaaid. In de Hebreeuwse Geschriften wordt het ploegen, waarmee velen vertrouwd waren, vaak in beeldspraak gebruikt (Re 14:18; Jes 2:4; Jer 4:3; Mi 4:3). Jezus gebruikte vaak landbouwwerkzaamheden om belangrijke lessen te illustreren. Hij had het bijvoorbeeld over het werk van een ploeger om te laten uitkomen hoe belangrijk het is dat een discipel zich volledig op zijn dienst richt (Lu 9:62). Als een ploeger zich laat afleiden van zijn werk, trekt hij kromme voren. Zo wordt een discipel van Christus die zich laat afleiden van zijn verantwoordelijkheden en ze niet nakomt, ongeschikt voor Gods Koninkrijk.