Volgens Johannes 6:1-71

6  Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, ook het Meer van Tibe̱rias genoemd.+  Een grote menigte bleef hem volgen,+ omdat ze de wonderen* zagen die hij deed — dat hij de zieken genas.+  Daarom ging Jezus een berg op, waar hij met zijn discipelen ging zitten.  Het was kort voor het Pascha,+ het feest van de Joden.  Toen Jezus opkeek en zag dat er een grote menigte naar hem toe kwam, zei hij tegen Fili̱ppus:+ ‘Waar zullen we brood kopen om deze mensen te eten te geven?’+  Hij vroeg dat om hem op de proef te stellen, want hij wist al wat hij ging doen.  Fili̱ppus antwoordde: ‘Al kopen we voor 200 denarii brood, dan is dat nog te weinig om iedereen zelfs maar een klein stukje te geven.’  Een van zijn discipelen, Andre̱as, de broer van Simon Petrus, zei tegen hem:  ‘Er is hier een jongetje met vijf gerstebroden en twee visjes. Maar wat hebben we daaraan voor zo veel mensen?’+ 10  Jezus zei: ‘Laat de mensen gaan zitten.’ Er was daar veel gras, en ze gingen zitten. Er waren ongeveer 5000 mannen.+ 11  Jezus pakte het brood, sprak een dankgebed uit en deelde het uit aan de mensen die daar zaten. Hetzelfde deed hij met de visjes, en ze kregen zo veel ze maar wilden. 12  Toen ze genoeg hadden gegeten, zei hij tegen zijn discipelen: ‘Verzamel het eten dat over is, zodat er niets verloren gaat.’ 13  Ze verzamelden het dus en vulden 12 manden met wat was overgebleven nadat iedereen van de vijf gerstebroden had gegeten. 14  Toen de mensen het wonder* zagen dat hij had gedaan, zeiden ze: ‘Dit moet wel de Profeet zijn die in de wereld zou komen.’+ 15  Maar Jezus wist dat ze hem wilden dwingen mee te gaan om hun koning te worden. Daarom trok hij zich weer op de berg terug,+ helemaal alleen.+ 16  Toen het avond werd, daalden zijn discipelen af naar het meer.+ 17  Ze stapten in een boot en vertrokken naar de overkant van het meer, naar Kape̱rnaüm. Het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar ze toe gekomen.+ 18  Ook waaide er een sterke wind waardoor het meer onstuimig werd.+ 19  Maar toen ze ongeveer vijf of zes kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer lopen en dicht bij de boot komen. Ze werden bang, 20  maar hij zei tegen ze: ‘Ik ben het, wees niet bang!’+ 21  Toen waren ze bereid hem aan boord te nemen, en kort daarna kwam de boot aan land op de plaats waar ze naartoe wilden.+ 22  De volgende dag was de menigte nog aan de andere kant van het meer. Ze hadden gezien dat er maar één bootje was en dat Jezus niet met zijn discipelen aan boord was gegaan, maar dat zijn discipelen zonder hem waren vertrokken. 23  Maar er kwamen boten uit Tibe̱rias aan, dicht bij de plaats waar ze het brood hadden gegeten nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken. 24  Toen de menigte zag dat Jezus en ook zijn discipelen daar niet waren, stapten ze in de boten en gingen ze naar Kape̱rnaüm om Jezus te zoeken. 25  Ze vonden hem aan de overkant van het meer en vroegen: ‘Rabbi,+ wanneer bent u hier gekomen?’ 26  Jezus antwoordde: ‘Echt, ik verzeker jullie: jullie zoeken me niet omdat jullie wonderen* hebben gezien, maar omdat jullie volop van de broden hebben kunnen eten.+ 27  Werk niet voor het voedsel dat bederft+ maar voor het voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft.+ Dat zal de Mensenzoon jullie geven, want op hem heeft de Vader, God zelf, zijn zegel van goedkeuring gedrukt.’+ 28  Ze vroegen hem: ‘Wat moeten we doen? Hoe kunnen we het werk van God doen?’ 29  Jezus antwoordde: ‘Dit is het werk van God: dat je gelooft in degene die hij gestuurd heeft.’+ 30  Toen zeiden ze: ‘Welk teken kunt u ons laten zien+ zodat we u geloven? Welk werk kunt u doen? 31  Onze voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten,+ zoals geschreven staat: “Hij gaf ze brood uit de hemel te eten.”’+ 32  Jezus zei tegen ze: ‘Echt, ik verzeker jullie: het is niet Mozes die jullie het brood uit de hemel heeft gegeven. Mijn Vader geeft jullie het echte brood uit de hemel. 33  Want het brood van God is degene die neerdaalt uit de hemel en leven geeft aan de wereld.’+ 34  Daarom zeiden ze tegen hem: ‘Heer, geef ons altijd dit brood.’ 35  Jezus zei tegen ze: ‘Ik ben het brood van het leven. Wie bij mij komt zal geen honger meer krijgen, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.+ 36  Maar zoals ik tegen jullie heb gezegd: jullie hebben mij gezien en toch geloven jullie niet.+ 37  Iedereen die de Vader mij geeft, zal bij mij komen, en wie bij mij komt, zal ik nooit wegsturen.+ 38  Want ik ben niet uit de hemel neergedaald+ om mijn eigen wil te doen, maar de wil van hem die mij heeft gestuurd.+ 39  Dit is de wil van hem die mij heeft gestuurd: dat ik van alle mensen die hij mij heeft gegeven,+ niemand verloren laat gaan, maar dat ik hen op de laatste dag uit de dood opwek.+ 40  Want dit is de wil van mijn Vader: dat iedereen die de Zoon erkent en in hem gelooft, eeuwig leven krijgt+ en dat ik hem op de laatste dag uit de dood opwek.’+ 41  Toen gingen de Joden over hem mopperen omdat hij had gezegd: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald.’+ 42  Ze zeiden: ‘Is dit niet Jezus, de zoon van Jozef? We kennen zijn vader en moeder toch?+ Hoe kan hij dan zeggen: “Ik ben uit de hemel neergedaald”?’ 43  Jezus antwoordde: ‘Houd op met dat gemopper onder elkaar. 44  Iemand kan alleen bij mij komen als de Vader, die mij heeft gestuurd, hem trekt,+ en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken.+ 45  In de Profeten staat geschreven: “Ze zullen allemaal door Jehovah worden onderwezen.”*+ Iedereen die naar de Vader heeft geluisterd en van hem heeft geleerd, komt bij mij. 46  Niet dat iemand de Vader heeft gezien+ — alleen hij die van God komt, die heeft de Vader gezien.+ 47  Echt, ik verzeker jullie: wie gelooft, heeft eeuwig leven.+ 48  Ik ben het brood van het leven.+ 49  Jullie voorouders hebben in de woestijn het manna gegeten en zijn toch gestorven.+ 50  Maar iedereen die eet van dit brood dat uit de hemel neerdaalt, zal niet sterven. 51  Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij eeuwig leven. En echt, het brood dat ik zal geven voor het leven van de wereld, is mijn vlees.’+ 52  Toen begonnen de Joden heftig met elkaar te discussiëren. Ze zeiden: ‘Hoe kan deze man ons zijn vlees te eten geven?’ 53  Daarom zei Jezus tegen hen: ‘Echt, ik verzeker jullie: als je het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, heb je geen leven in jezelf.+ 54  Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en ik zal hem op de laatste dag uit de dood opwekken.+ 55  Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. 56  Wie zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt, blijft in eendracht met mij en ik met hem.+ 57  Net zoals de levende Vader mij heeft gestuurd en ik leef dankzij de Vader, zo zal hij die zich met mij voedt, leven dankzij mij.+ 58  Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is anders dan wat jullie voorouders aten. Zij aten en zijn toch gestorven. Wie zich met dit brood voedt, zal eeuwig leven.’+ 59  Hij zei die dingen toen hij in een synagoge in Kape̱rnaüm onderwees. 60  Veel van zijn discipelen zeiden toen ze het hoorden: ‘Dit gaat echt te ver! Wie kan hiernaar luisteren?’ 61  Jezus wist dat zijn discipelen daarover mopperden en zei tegen ze: ‘Nemen jullie hier aanstoot aan?* 62  Wat zullen jullie dan zeggen als jullie de Mensenzoon zien opstijgen naar waar hij eerst was?+ 63  Het is de geest die leven geeft,+ het vlees is van geen enkel nut. Wat ik tegen jullie heb gezegd, is geest en leven.+ 64  Maar sommigen van jullie geloven niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie niet geloofden en wie hem zou verraden.+ 65  Hij zei verder: ‘Daarom heb ik tegen jullie gezegd: iemand kan alleen bij mij komen als het hem door de Vader gegeven is.’+ 66  Daardoor gingen veel van zijn discipelen terug naar de dingen die ze hadden achtergelaten+ en ze volgden hem niet meer. 67  Toen vroeg Jezus aan de twaalf: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’ 68  Simon Petrus antwoordde: ‘Heer, naar wie zouden we moeten gaan?+ Jij hebt woorden van eeuwig leven.+ 69  We geloven en zijn te weten gekomen dat je de Heilige van God bent.’+ 70  Jezus antwoordde hun: ‘Ik heb jullie alle twaalf zelf uitgekozen.+ Toch is een van jullie een lasteraar.’+ 71  Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iska̱riot, want die zou hem verraden, ook al was hij één van de twaalf.+

Voetnoten

Lett.: ‘tekenen’.
Lett.: ‘teken’.
Lett.: ‘tekenen’.
Of ‘door Jehovah onderwezen personen zijn’.
Of ‘worden jullie hierdoor tot struikelen gebracht?’

Aantekeningen

het Meer van Galilea: Een zoetwatermeer in het noorden van Israël. (Het Griekse woord kan met zowel ‘zee’ als ‘meer’ worden vertaald.) Het werd ook het Meer van Kinnereth (Nu 34:11), het Meer van Gennesareth (Lu 5:1) en het Meer van Tiberias genoemd (Jo 6:1). Het ligt gemiddeld 210 m beneden zeeniveau. Het meer is 21 km lang, is 12 km breed en heeft een maximale diepte van zo’n 48 m. (Zie App. A7, kaart 3B, ‘Activiteit bij het Meer van Galilea’.)

het Meer van Galilea, ook het Meer van Tiberias genoemd: Het Meer van Galilea werd ook wel het Meer van Tiberias genoemd, naar de stad aan de westelijke oever die was vernoemd naar de Romeinse keizer Tiberius Caesar (Jo 6:23). De naam Meer van Tiberias komt hier voor en in Jo 21:1. (Zie aantekening bij Mt 4:18.)

het Pascha: Jezus begon met prediken na zijn doop in de herfst van 29, dus bij deze verwijzing naar een Pascha aan het begin van zijn bediening moet het gaan om het Pascha in de lente van het jaar 30. (Zie aantekening bij Lu 3:1 en App. A7.) Een vergelijking van de vier evangeliën wijst erop dat tijdens Jezus’ bediening op aarde vier keer het Pascha is gevierd, waaruit we kunnen opmaken dat zijn bediening drieënhalf jaar duurde. De synoptische evangeliën (Mattheüs, Markus en Lukas) vermelden alleen het laatste Pascha, toen Jezus stierf. Johannes vermeldt in zijn verslag specifiek drie paschafeesten (Jo 2:13; 6:4; 11:55), en naar een vierde wordt zeer waarschijnlijk in Jo 5:1 verwezen met de uitdrukking ‘een feest van de Joden’. Dit voorbeeld laat zien hoe het vergelijken van de evangeliën een vollediger beeld geeft van Jezus’ leven. (Zie aantekeningen bij Jo 5:1; 6:4 en 11:55.)

een feest van de Joden: Hoewel Johannes niet specifiek vermeldt welk feest het was, zijn er goede redenen voor de conclusie dat het gaat om het Pascha van het jaar 31. Johannes’ verslag heeft over het algemeen een chronologische volgorde. De context plaatst dit feest kort nadat Jezus had gezegd dat het ‘nog vier maanden’ duurde voordat de oogst kwam (Jo 4:35). Het oogstseizoen, in het bijzonder de gerstoogst, begon rond de tijd van het Pascha (14 nisan). Het lijkt er dus op dat Jezus’ woorden vier maanden daarvóór, rond de maand kislev (november/december), zijn uitgesproken. Twee andere feesten, het Inwijdingsfeest en het Poerim, vielen in de periode tussen kislev en nisan. Maar voor die feesten hoefden de Israëlieten niet naar Jeruzalem. In deze context lijkt het Pascha dus het meest waarschijnlijke ‘feest van de Joden’ waarvoor Jezus volgens Gods wet naar Jeruzalem zou moeten gaan (De 16:16). Het is waar dat Johannes maar een paar gebeurtenissen beschrijft voordat hij het volgende Pascha vermeldt (Jo 6:4), maar de tabel in App. A7 laat zien dat Johannes een verkort verslag van Jezus’ vroege bediening geeft en dat hij veel gebeurtenissen die al in de drie andere evangeliën staan niet vermeldt. De vele activiteiten van Jezus die in de drie andere evangeliën staan, ondersteunen de conclusie dat er inderdaad een jaarlijkse paschaviering zat tussen de gebeurtenissen in Jo 2:13 en die in Jo 6:4. (Zie App. A7 en aantekening bij Jo 2:13.)

het Pascha: Dat wil zeggen het Pascha van 33, blijkbaar het vierde Pascha dat in het evangelie van Johannes wordt vermeld. (Zie aantekeningen bij Jo 2:13; 5:1 en 6:4.)

het Pascha: Kennelijk het Pascha van 32, het derde Pascha tijdens Jezus’ bediening op aarde. (Zie aantekeningen bij Jo 2:13; 5:1; 11:55 en App. A7.)

denarii: Zie Woordenlijst en App. B14.

Er waren ongeveer 5000 mannen: Alleen Mattheüs vermeldt bij dit wonder de ‘vrouwen en kinderen’ (Mt 14:21). Het totale aantal mensen dat door dit wonder gevoed werd, kan ruim boven de 15.000 liggen.

wereld: Het Griekse woord kosmos duidt hier op de mensenwereld. In deze context lijkt de uitdrukking in de wereld komen niet te slaan op Jezus’ geboorte als mens maar vooral op het feit dat hij er bij zijn doop op uitging onder de mensheid. Na zijn doop voerde hij de bediening uit die hem was toegewezen en was hij een lichtdrager voor de mensenwereld. (Vergelijk Jo 3:17, 19; 6:14; 9:39; 10:36; 11:27; 12:46 en 1Jo 4:9.)

de Profeet: Veel Joden in de eerste eeuw verwachtten dat de profeet zoals Mozes uit De 18:15, 18 de Messias zou zijn. In deze context lijkt de uitdrukking in de wereld komen te duiden op de verwachte komst van de Messias. Alleen Johannes vermeldt de gebeurtenissen die in dit vers staan. (Zie aantekening bij Jo 1:9.)

dwingen (...) hun koning te worden: Alleen Johannes vermeldt dit incident. Jezus weigerde resoluut om betrokken te raken bij de politiek van zijn land. Hij wilde het koningschap alleen aanvaarden op Gods manier en op Gods tijd. Later beklemtoonde Jezus dat zijn volgelingen hetzelfde standpunt moesten innemen (Jo 15:19; 17:14, 16; 18:36).

het Meer van Galilea: Een zoetwatermeer in het noorden van Israël. (Het Griekse woord kan met zowel ‘zee’ als ‘meer’ worden vertaald.) Het werd ook het Meer van Kinnereth (Nu 34:11), het Meer van Gennesareth (Lu 5:1) en het Meer van Tiberias genoemd (Jo 6:1). Het ligt gemiddeld 210 m beneden zeeniveau. Het meer is 21 km lang, is 12 km breed en heeft een maximale diepte van zo’n 48 m. (Zie App. A7, kaart 3B, ‘Activiteit bij het Meer van Galilea’.)

het Meer van Galilea, ook het Meer van Tiberias genoemd: Het Meer van Galilea werd ook wel het Meer van Tiberias genoemd, naar de stad aan de westelijke oever die was vernoemd naar de Romeinse keizer Tiberius Caesar (Jo 6:23). De naam Meer van Tiberias komt hier voor en in Jo 21:1. (Zie aantekening bij Mt 4:18.)

het meer: Dat wil zeggen het Meer van Galilea. (Zie aantekeningen bij Mt 4:18 en Jo 6:1.)

het Meer van Galilea: Een zoetwatermeer in het noorden van Israël. (Het Griekse woord kan met zowel ‘zee’ als ‘meer’ worden vertaald.) Het werd ook het Meer van Kinnereth (Nu 34:11), het Meer van Gennesareth (Lu 5:1) en het Meer van Tiberias genoemd (Jo 6:1). Het ligt gemiddeld 210 m beneden zeeniveau. Het meer is 21 km lang, is 12 km breed en heeft een maximale diepte van zo’n 48 m. (Zie App. A7, kaart 3B, ‘Activiteit bij het Meer van Galilea’.)

ongeveer vijf of zes kilometer: Lett.: ‘ongeveer 25 of 30 stadie’. Een stadie (Grieks: stadion) is een lengtemaat van 185 m, een achtste van een Romeinse mijl. Aangezien het Meer van Galilea zo’n 12 km breed is, zijn de discipelen misschien midden op het meer geweest (Mr 6:47; zie aantekening bij Mt 4:18 en ook App. A7 en B14).

Tiberias: Een stad aan de westelijke oever van het Meer van Galilea, zo’n 15 km ten Z van Kapernaüm en iets ten N van enkele warmwaterbronnen die in de oudheid beroemd waren. De stad werd tussen 18 en 26 n.Chr. gebouwd door Herodes Antipas, die er zijn nieuwe hoofdstad en residentie van maakte. Hij vernoemde de stad naar Tiberius Caesar, de Romeinse keizer van die tijd, en de plaats wordt nog steeds Tiberias (Hebr.: Teverja) genoemd. Hoewel het de grootste stad in de regio was, is dit de enige vermelding ervan in de Bijbel. Er wordt nergens gezegd dat Jezus Tiberias heeft bezocht, wat misschien te maken had met de grote buitenlandse invloed. (Vergelijk Mt 10:5-7.) Volgens Josephus was Tiberias op een begraafplaats gebouwd en wilden veel Joden er om die reden aanvankelijk niet wonen (Nu 19:11-14). Na de Joodse opstand in de tweede eeuw werd Tiberias rein verklaard en werd de stad het centrum van Joodse geleerdheid en de zetel van het Sanhedrin. De Misjna en de Palestijnse (Jeruzalemse) Talmoed werden hier samengesteld, en ook de masoretische tekst die later werd gebruikt om de Hebreeuwse Geschriften te vertalen. (Zie App. B10.)

voedsel dat bederft (...) voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft: Jezus begreep dat sommige mensen alleen maar met hem en zijn discipelen omgingen vanwege de materiële voordelen. Hoewel letterlijk voedsel mensen van dag tot dag in leven houdt, maakt ‘voedsel’ uit Gods Woord het voor mensen mogelijk eeuwig te leven. Jezus spoort de menigte aan te werken voor ‘het voedsel dat goed blijft en eeuwig leven geeft’, dat wil zeggen moeite te doen om hun geestelijke behoeften te vervullen en geloof te tonen in wat ze leren (Mt 4:4; 5:3; Jo 6:28-39).

Onze voorouders hebben (...) het manna gegeten: De Joden wilden een Messiaanse Koning die hun letterlijk voedsel kon geven. Dat probeerden ze te rechtvaardigen door Jezus eraan te herinneren dat God hun voorouders in de woestijn (de Sinaïwoestijn) manna had gegeven. Ze citeerden uit Ps 78:24 en noemden het manna, waarin door een wonder was voorzien, het brood [of: ‘koren’] uit de hemel. Toen ze Jezus om een ‘teken’ vroegen (Jo 6:30), hebben ze misschien gedacht aan het wonder dat hij de dag ervoor had gedaan, toen hij vijf gerstebroden en twee visjes vermenigvuldigde tot er genoeg voedsel was om duizenden mensen te eten te geven (Jo 6:9-12).

de wereld is via hem ontstaan: Het Griekse woord kosmos (wereld) slaat hier op de mensenwereld, zoals blijkt uit de rest van het vers, waarin wordt gezegd dat de wereld hem niet kende. In niet-religieuze geschriften werd dit Griekse woord soms gebruikt voor het universum en de schepping in het algemeen. Misschien heeft Paulus het woord in die betekenis gebruikt toen hij tot Griekse toehoorders sprak (Han 17:24). Maar in de Griekse Geschriften slaat de term meestal op de mensenwereld of een deel ervan. Het is waar dat Jezus heeft meegewerkt aan het scheppen van alle dingen, waaronder de hemel, de aarde en alles daarop. Maar in dit vers ligt de focus op zijn rol in het ontstaan van de mensheid (Ge 1:26; Jo 1:3; Kol 1:15-17).

de wereld: In de Griekse Geschriften slaat het Griekse woord kosmos over het algemeen op de mensenwereld of een deel ervan. (Zie aantekening bij Jo 1:10.) In Jo 1:29 wordt gezegd dat Jezus, het Lam van God, ‘de zonde van de wereld’ wegneemt. In Jo 6:33 wordt Jezus beschreven als het brood van God, Jehovah’s kanaal om de mensheid leven en zegeningen te geven.

het brood van het leven: Deze uitdrukking komt maar twee keer in de Bijbel voor (Jo 6:35, 48). In deze context slaat leven op ‘eeuwig leven’ (Jo 6:40, 47, 54). Tijdens dit gesprek noemt Jezus zichzelf ‘het echte brood uit de hemel’ (Jo 6:32), ‘het brood van God’ (Jo 6:33) en ‘het levende brood’ (Jo 6:51). Hij wijst erop dat de Israëlieten in de woestijn manna kregen (Ne 9:20), maar hoewel dit voedsel van God kwam, hield het hen niet eeuwig in leven (Jo 6:49). In contrast daarmee hebben Christus’ trouwe volgelingen manna uit de hemel, ‘het brood van het leven’ (Jo 6:48-51, 58), waardoor het voor hen mogelijk wordt eeuwig te leven. Ze ‘eten van dit brood’ door te geloven in de verlossende kracht van het vlees en bloed dat Jezus heeft geofferd.

Ik weet dat hij zal opstaan: Martha dacht dat Jezus het had over de opstanding in de toekomst, op de laatste dag. (Zie aantekening bij Jo 6:39.) Haar geloof in die leerstelling was opmerkelijk. Sommige religieuze leiders van die tijd, de sadduceeën, zeiden dat er geen opstanding zou komen, ook al wordt dat in de geïnspireerde Schrift duidelijk geleerd (Da 12:13; Mr 12:18). En de farizeeën geloofden in de onsterfelijkheid van de ziel. Maar Martha wist dat Jezus de opstandingshoop onderwees en zelfs mensen uit de dood had opgewekt, hoewel geen van hen zo lang dood was geweest als Lazarus nu was.

dat ik hen op de laatste dag uit de dood opwek: Jezus zegt vier keer dat hij mensen op de laatste dag uit de dood zal opwekken (Jo 6:40, 44, 54). In Jo 11:24 heeft ook Martha het over ‘de opstanding op de laatste dag’. (Vergelijk Da 12:13; zie aantekening bij Jo 11:24.) In Jo 12:48 wordt deze ‘laatste dag’ in verband gebracht met een tijd van oordeel, die kennelijk de duizendjarige regering van Christus zal omvatten. Dan zal hij de mensheid oordelen, met inbegrip van iedereen die uit de dood wordt opgewekt (Opb 20:4-6).

eeuwig leven: Bij deze gelegenheid wordt de uitdrukking ‘eeuwig leven’ vier keer gebruikt door Jezus (Jo 6:27, 40, 47, 54) en één keer door een van zijn discipelen (Jo 6:68). De uitdrukking ‘eeuwig leven’ komt in het evangelie van Johannes 17 keer voor, vergeleken met 8 keer in de andere drie evangeliën bij elkaar.

hem trekt: Het Griekse werkwoord dat hier met ‘trekt’ is weergegeven, wordt ook gebruikt voor het binnenhalen van een net met vissen (Jo 21:6, 11), maar het impliceert niet dat God mensen tegen hun wil trekt. Dit werkwoord kan ook ‘aantrekken’ betekenen. Jezus’ uitspraak is misschien een zinspeling op Jer 31:3, waar Jehovah tegen zijn volk zei: ‘Ik heb je met loyale liefde tot me getrokken.’ (De Septuaginta gebruikt hier hetzelfde Griekse werkwoord.) Volgens Jo 12:32 trekt Jezus op een vergelijkbare manier alle soorten mensen tot zich. De Bijbel laat zien dat Jehovah mensen een vrije wil heeft gegeven. Iedereen heeft de keus om hem wel of niet te dienen (De 30:19, 20). God trekt personen die in hun hart de goede instelling hebben voorzichtig tot zich (Ps 11:5; Spr 21:2; Han 13:48). Dat doet Jehovah via de boodschap van de Bijbel en via zijn heilige geest. De profetie in Jes 54:13, geciteerd in Jo 6:45, is van toepassing op degenen die door de Vader getrokken worden. (Vergelijk Jo 6:65.)

Jehovah: In dit citaat uit Jes 54:13 komt Gods naam (weergegeven met vier Hebreeuwse medeklinkers, getranslitereerd als JHWH) voor in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst. De beschikbare Griekse manuscripten van het evangelie van Johannes gebruiken hier het woord theos (misschien vanwege de term die in Jes 54:13 in exemplaren van de Septuaginta wordt gebruikt), wat verklaart waarom in de meeste vertalingen ‘God’ staat. Maar gezien de overeenkomsten met de Hebreeuwse Geschriften wordt hier in de hoofdtekst Gods naam gebruikt.

heeft leven in zichzelf: Of ‘heeft in zichzelf de gave van het leven’. Jezus heeft ‘leven in zichzelf’ omdat zijn Vader hem krachten heeft gegeven die Hij oorspronkelijk alleen zelf had. Een van die krachten is ongetwijfeld het gezag om mensen de kans te geven een goede reputatie bij God te krijgen en op die manier leven te krijgen. Een andere is het vermogen om leven te geven door doden op te wekken. Ongeveer een jaar nadat Jezus deze uitspraak deed, zei hij dat zijn volgelingen leven in zichzelf konden hebben. (Zie voor de betekenis van de uitdrukking ‘leven in jezelf’ in verband met Jezus’ volgelingen de aantekening bij Jo 6:53.)

leven in jezelf: In Jo 5:26 zei Jezus dat hij ‘leven in zichzelf’ heeft net zoals zijn Vader ‘leven in zichzelf’ heeft. (Zie aantekening bij Jo 5:26.) Nu, ongeveer een jaar later, gebruikt Jezus dezelfde uitdrukking in verband met zijn volgelingen. Hier stelt hij ‘leven in jezelf’ hebben gelijk aan ‘eeuwig leven’ krijgen (Jo 6:54). In deze context betekent de uitdrukking ‘leven in zichzelf hebben’ kennelijk niet dat ze het vermogen hebben om leven te geven maar dat ze de volheid van het leven binnengaan, oftewel volledig leven. Gezalfde christenen komen volledig tot leven wanneer ze tot onsterfelijk leven in de hemel worden opgewekt. Trouwe personen met de aardse hoop zullen volledig leven nadat ze de laatste beproeving hebben doorstaan die meteen na het einde van Christus’ duizendjarige regering zal plaatsvinden (1Kor 15:52, 53; Opb 20:5, 7-10).

zich met mijn vlees voedt en mijn bloed drinkt: De context wijst erop dat personen die zich voeden en drinken dat in figuurlijke zin doen door in Jezus Christus te geloven (Jo 6:35, 40). Jezus deed deze uitspraak in het jaar 32, dus hij had het niet over het Avondmaal van de Heer, dat hij een jaar later zou instellen. Hij zei dit vlak voor ‘het Pascha, het feest van de Joden’ (Jo 6:4), dus de aanwezigen zullen waarschijnlijk zijn herinnerd aan dat feest en aan de levensreddende rol van het bloed van het lam in de nacht dat Israël uit Egypte vertrok (Ex 12:24-27). Jezus beklemtoonde dat zijn bloed op een vergelijkbare manier een essentiële rol zou spelen om eeuwig leven mogelijk te maken voor zijn discipelen.

in eendracht met mij: Of ‘in mij’. Deze uitdrukking duidt op nauwe omgang, harmonie en eenheid.

een synagoge: Of mogelijk ‘openbare vergadering’. Het Griekse zelfstandig naamwoord sunagoge dat hier wordt gebruikt, betekent letterlijk ‘het bijeenbrengen’ of ‘een vergadering’. In de Griekse Geschriften slaat het meestal op de plaats of het gebouw waar de Joden bijeenkwamen voor Schriftlezing, onderwijs, preken en gebed. (Zie Woordenlijst.) In deze context kan het woord in een ruimere betekenis gebruikt zijn voor elke bijeenkomst die toegankelijk was voor het publiek, maar waarschijnlijk duidt het hier op ‘een synagoge’ waar Jezus een Joods publiek toesprak dat onder de wet van Mozes stond.

de betekenis: Lett.: ‘wat is’. Het Griekse woord estin (lett.: ‘is’) betekent hier ‘wil zeggen’, ‘betekent’. (Zie aantekening bij Mt 26:26.)

betekent: Het Griekse estin (letterlijk ‘is’) heeft hier de betekenis ‘symboliseert’, ‘staat voor’, ‘vertegenwoordigt’, ‘betekent’. Voor de apostelen was deze betekenis duidelijk, want Jezus’ volmaakte lichaam was daar vóór hen en dat gold ook voor het ongezuurde brood dat ze gingen eten. Het brood kon dus niet zijn letterlijke lichaam zijn. Het is interessant dat hetzelfde Griekse woord gebruikt wordt in Mt 12:7, waar veel Bijbelvertalingen het weergeven met ‘betekenis’.

de geest: Kennelijk duidt dit op Gods heilige geest. Jezus voegt eraan toe dat in tegenstelling tot de macht en wijsheid die God via zijn geest geeft, het vlees van geen enkel nut is. De macht en wijsheid van mensen, zoals die tot uiting komen in hun geschriften, filosofieën en leringen, kunnen dus niet tot eeuwig leven leiden.

het vlees: Deze term verwijst in ruime zin naar dingen die te maken hebben met de beperkingen van een vleselijk of menselijk bestaan, inclusief menselijke redenaties en prestaties. Het totaal van menselijke ervaring en wijsheid, met alle geschriften, filosofieën en leringen, is van geen enkel nut als middel om eeuwig leven te krijgen.

is geest en leven: Het Griekse woord voor ‘is’ (estin) kan hier ook met ‘betekent’ worden weergegeven. De zinsnede wordt dan ‘betekent geest en leven’. (Zie aantekeningen bij Mt 12:7 en 26:26.) Jezus geeft hier kennelijk aan dat wat hij zegt door heilige geest is geïnspireerd en leven geeft.

een lasteraar: Of ‘een duivel’. Het Griekse woord diabolos, dat meestal voor de Duivel wordt gebruikt, betekent ‘lasteraar’. In de paar andere gevallen waar het niet op de Duivel slaat, wordt het vertaald met ‘kwaadsprekers’ (2Ti 3:3) of ‘lasteraars’ (1Ti 3:11; Tit 2:3). Waar het woord voor de Duivel wordt gebruikt, wordt het in het Grieks bijna altijd voorafgegaan door het bepaald lidwoord. (Zie aantekening bij Mt 4:1 en Woordenlijst ‘Bepaald lidwoord’.) Hier wordt het woord gebruikt als beschrijving van Judas Iskariot, die een slechte eigenschap had ontwikkeld. Het is mogelijk dat Jezus op dit moment merkte dat Judas een verkeerde weg insloeg, waarmee Judas Satan later de kans gaf hem als medestander te gebruiken om Jezus te vermoorden (Jo 13:2, 11).

Hij kende: Omdat Jezus kon onderscheiden wat de mensen om hem heen dachten en wat er in hen omging, is het duidelijk dat Judas geen verrader was toen hij als apostel werd uitgekozen (Mt 9:4; Mr 2:8; Jo 2:24, 25). Maar toen Judas later een slechte houding begon te ontwikkelen, merkte Jezus dat en begreep hij wie hem zou verraden. Terwijl Jezus wist dat Judas hem zou verraden, waste hij toch zijn voeten. (Zie aantekeningen bij Jo 6:64, 70.)

Jezus wist (...) wie hem zou verraden: Jezus had het over Judas Iskariot. Hij had een hele nacht tot zijn Vader gebeden voordat hij de 12 apostelen uitkoos (Lu 6:12-16). Judas was dus in het begin trouw aan God. Maar Jezus wist uit de profetieën in de Hebreeuwse Geschriften dat hij zou worden verraden door een goede vriend (Ps 41:9; 109:8; Jo 13:18, 19). Toen Judas de verkeerde weg op ging, merkte Jezus, die het hart en de gedachten kan lezen, die verandering op (Mt 9:4). Door zijn voorkennis te gebruiken, wist God dat een goede vriend van Jezus een verrader zou worden. Maar het past niet bij Gods eigenschappen en daden uit het verleden om te denken dat Judas degene moest zijn die zou falen, alsof dat voorbestemd was.

vanaf het begin: Met deze uitdrukking wordt niet verwezen naar Judas’ geboorte of naar het moment dat Jezus hem als apostel uitkoos na een hele nacht te hebben gebeden (Lu 6:12-16). Het slaat op het begin van Judas’ verraderlijke gedrag, dat door Jezus meteen werd opgemerkt (Jo 2:24, 25; Opb 1:1; 2:23; zie aantekeningen bij Jo 6:70 en 13:11). Dit laat ook zien dat Judas doelbewust en planmatig handelde en niet in een plotselinge opwelling. Het woord begin (Grieks: arche) kan in de Griekse Geschriften op verschillende dingen slaan, afhankelijk van de context. In 2Pe 3:4 slaat ‘begin’ bijvoorbeeld op het begin van de schepping. Maar in de meeste gevallen wordt het in een beperktere betekenis gebruikt. Petrus zei bijvoorbeeld dat de heilige geest op de heidenen kwam, ‘net zoals in het begin bij ons is gebeurd’ (Han 11:15). Petrus had het niet over het moment dat hij geboren werd of het moment dat hij als apostel werd uitgekozen. Hij had het over de dag van Pinksteren 33, dat wil zeggen ‘het begin’ van de uitstorting van de heilige geest met een specifiek doel (Han 2:1-4). Andere voorbeelden van hoe de context de betekenis van ‘begin’ kan beïnvloeden, zijn te vinden in Lu 1:2, Jo 15:27 en 1Jo 2:7.

Duivel: Van het Griekse diabolos, dat ‘lasteraar’ betekent (Jo 6:70; 2Ti 3:3). Het verwante werkwoord diaballo betekent ‘beschuldigen’, ‘aanklagen’ en is in Lu 16:1 vertaald met ‘werd beschuldigd’.

een lasteraar: Of ‘een duivel’. Het Griekse woord diabolos, dat meestal voor de Duivel wordt gebruikt, betekent ‘lasteraar’. In de paar andere gevallen waar het niet op de Duivel slaat, wordt het vertaald met ‘kwaadsprekers’ (2Ti 3:3) of ‘lasteraars’ (1Ti 3:11; Tit 2:3). Waar het woord voor de Duivel wordt gebruikt, wordt het in het Grieks bijna altijd voorafgegaan door het bepaald lidwoord. (Zie aantekening bij Mt 4:1 en Woordenlijst ‘Bepaald lidwoord’.) Hier wordt het woord gebruikt als beschrijving van Judas Iskariot, die een slechte eigenschap had ontwikkeld. Het is mogelijk dat Jezus op dit moment merkte dat Judas een verkeerde weg insloeg, waarmee Judas Satan later de kans gaf hem als medestander te gebruiken om Jezus te vermoorden (Jo 13:2, 11).

Media

Manden
Manden

In de Bijbel worden verschillende woorden gebruikten om diverse soorten manden te beschrijven. Het Griekse woord dat wordt gebruikt voor de 12 manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus door een wonder zo’n 5000 mannen gevoed had, geeft aan dat het misschien om een relatief kleine tenen mand ging. Maar er wordt een ander Grieks woord gebruikt voor de zeven manden waarin het overgebleven eten werd verzameld nadat Jezus zo’n 4000 mannen had gevoed (Mr 8:8, 9). Dit woord duidt op een grote mand, en hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de mand waarin ze Paulus door een opening in de stadsmuur van Damaskus naar beneden lieten zakken (Han 9:25).