Volgens Johannes 18:1-40

18  Nadat Jezus die dingen had gezegd, ging hij met zijn discipelen naar de overkant van het Ki̱drondal.+ Daar gingen hij en zijn discipelen een tuin in.+  Maar ook Judas, zijn verrader,+ kende die plek, omdat Jezus er vaak met zijn discipelen was samengekomen.  Judas ging ernaartoe met een groep soldaten en beambten van de overpriesters en van de farizeeën. Ze kwamen daar met fakkels, lampen en wapens.+  Jezus wist wat er allemaal met hem zou gebeuren. Daarom stapte hij naar voren en zei: ‘Wie zoeken jullie?’  Ze antwoordden: ‘Jezus de Nazarener.’+ ‘Ik ben het’, zei hij. Ook Judas, zijn verrader, stond bij hen.+  Toen Jezus zei: ‘Ik ben het’, deinsden ze achteruit en vielen op de grond.+  ‘Wie zoeken jullie?’, vroeg hij hun nog eens. Ze zeiden: ‘Jezus de Nazarener.’  Jezus antwoordde: ‘Ik heb jullie al gezegd dat ik het ben. Als jullie mij zoeken, laat deze mannen dan gaan.’  Zo zou in vervulling gaan wat hij had gezegd: ‘Van degenen die u mij hebt gegeven, heb ik er niet één verloren laten gaan.’+ 10  Simon Petrus trok het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.+ De slaaf heette Ma̱lchus. 11  Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek het zwaard in de schede.+ Zou ik de beker niet drinken die de Vader mij heeft gegeven?’+ 12  De soldaten, de bevelhebber en de beambten van de Joden grepen* Jezus en boeiden hem. 13  Ze brachten hem eerst naar A̱nnas, want hij was de schoonvader van Ka̱jafas,+ die dat jaar hogepriester was.+ 14  Ka̱jafas was degene die de Joden had geadviseerd dat het beter voor hen was dat één mens stierf voor het volk.+ 15  Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus.+ Die discipel was een bekende van de hogepriester, en hij ging met Jezus de binnenplaats van de hogepriester op. 16  Maar Petrus bleef buiten bij de deur* staan. De andere discipel, die een bekende van de hogepriester was, ging daarom naar buiten, sprak met de portier en nam Petrus mee naar binnen. 17  Het dienstmeisje dat portier was, zei tegen Petrus: ‘Ben jij soms ook een discipel van die man?’ ‘Nee, ik niet’, zei hij.+ 18  De slaven en de beambten stonden zich te warmen rond een houtskoolvuur, dat ze hadden aangelegd omdat het koud was. Ook Petrus stond zich erbij te warmen. 19  De overpriester ondervroeg Jezus over zijn discipelen en over zijn leer. 20  Jezus antwoordde hem: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb altijd onderwijs gegeven in synagogen en in de tempel,+ waar alle Joden bij elkaar komen, en ik heb nooit iets in het geheim gezegd. 21  Waarom ondervraagt u mij? Ondervraag de mensen die hebben gehoord wat ik hun verteld heb. Zij weten wat ik heb gezegd.’ 22  Nadat Jezus die dingen had gezegd, gaf een van de beambten die erbij stond hem een klap in het gezicht+ en zei: ‘Is dat een manier om de overpriester te antwoorden?’ 23  Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds heb gezegd, zeg* dan wat er verkeerd was. Maar als het juist was wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24  Daarna stuurde A̱nnas hem geboeid naar Ka̱jafas, de hogepriester.+ 25  Simon Petrus stond zich daar te warmen. Toen zeiden ze tegen hem: ‘Ben jij soms ook een discipel van hem?’ ‘Nee,’ ontkende hij, ‘ik niet.’+ 26  Een van de slaven van de hogepriester, die familie was van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen,+ zei: ‘Ik heb je toch in de tuin bij hem gezien?’ 27  Maar weer ontkende Petrus het, en onmiddellijk kraaide er een haan.+ 28  Toen brachten ze Jezus van Ka̱jafas naar het verblijf van de gouverneur.+ Het was vroeg in de morgen. Zelf gingen ze het verblijf van de gouverneur niet binnen, want dan zouden ze verontreinigd worden+ en het Pascha niet kunnen eten. 29  Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg hun: ‘Waar beschuldigen jullie deze man van?’ 30  Ze antwoordden hem: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u hebben overgeleverd.’ 31  Daarop zei Pilatus: ‘Neem hem dan zelf mee en oordeel hem volgens jullie wet.’+ Maar de Joden zeiden: ‘We hebben niet het recht om iemand te doden.’+ 32  Zo zou de uitspraak van Jezus worden vervuld die hij had gedaan om aan te geven hoe hij zou sterven.+ 33  Pilatus ging het gouverneursverblijf weer binnen, riep Jezus en vroeg hem: ‘Bent u de Koning van de Joden?’+ 34  Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dat uit uzelf of hebben anderen u over mij verteld?’ 35  Daarop zei Pilatus: ‘Ik ben toch geen Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt u gedaan?’ 36  Jezus antwoordde:+ ‘Mijn Koninkrijk is geen deel van deze wereld.+ Als mijn Koninkrijk een deel van deze wereld was, zouden mijn dienaren hebben gevochten, zodat ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden.+ Maar mijn Koninkrijk is nu eenmaal niet van hier.’ 37  Toen zei Pilatus tegen hem: ‘U bent dus toch een koning?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt zelf dat ik een koning ben.+ Hiervoor ben ik geboren en hiervoor ben ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid.+ Iedereen die aan de kant van de waarheid staat, luistert naar mijn stem.’+ 38  Daarop zei Pilatus: ‘Wat is waarheid?’ Na dat te hebben gezegd, ging hij weer naar buiten. Hij zei tegen de Joden: ‘Ik vind niets waaraan hij schuldig is.+ 39  Maar het is bij jullie gebruikelijk dat ik op het Pascha iemand vrijlaat.+ Willen jullie dat ik de Koning van de Joden vrijlaat?’ 40  Toen schreeuwden ze weer: ‘Nee, niet hem maar Bara̱bbas!’ Bara̱bbas was een misdadiger.*+

Voetnoten

Of ‘arresteerden’.
Of ‘ingang’.
Of ‘getuig’.
Of ‘rover’.

Aantekeningen

het Kidrondal: Of ‘de winterstroom Kidron’. Het Kidrondal, dat in de Griekse Geschriften alleen hier wordt genoemd, ligt tussen Jeruzalem en de Olijfberg en loopt van N naar Z langs de oostkant van de stad. Het Kidrondal stond meestal droog, zelfs in de winter, behalve na heel zware regenval. Het Griekse woord cheimarros, dat hier met ‘dal’ is vertaald, betekent letterlijk ‘een winterstroom’, dat wil zeggen een stroom die gezwollen is door de stortregens in de winter. Het Griekse woord komt meer dan 80 keer voor in de Septuaginta als vertaling van het Hebreeuwse nachal (het equivalent voor ‘dal’), dat wordt gebruikt als het Kidrondal in de Hebreeuwse Geschriften wordt vermeld (2Sa 15:23; 1Kon 2:37). Deze woorden voor dal in het Hebreeuws en Grieks kunnen allebei op een rivier of stroom duiden (De 10:7; Job 6:15; Jes 66:12; Ez 47:5). Maar ze worden vaker gebruikt voor een dal dat is uitgesleten door een winterstroom en waar bij winterse neerslag water doorheen loopt (Nu 34:5; Joz 13:9; 17:9; 1Sa 17:40; 1Kon 15:13; 2Kr 33:14; Ne 2:15; Hgl 6:11). Beide woorden worden vaak weergegeven met ‘wadi’. (Zie Woordenlijst ‘Wadi’.)

een groep soldaten: Het Griekse speira dat hier wordt gebruikt, geeft aan dat het om Romeinse soldaten gaat. Van de vier evangelieschrijvers is Johannes de enige die vermeldt dat er Romeinse soldaten bij waren toen Jezus werd gearresteerd (Jo 18:12).

haalde uit naar de slaaf van de hogepriester: Dit voorval wordt door alle vier de evangelieschrijvers vermeld, en hun verslagen vullen elkaar aan (Mt 26:51; Mr 14:47; Lu 22:50). Alleen Lukas, ‘de geliefde arts’ (Kol 4:14), vermeldt dat Jezus ‘het oor aanraakte en hem genas’ (Lu 22:51). Johannes is de enige evangelieschrijver die vermeldt dat Simon Petrus het zwaard trok en dat de slaaf van wie het oor werd afgeslagen Malchus heette. Johannes was kennelijk de discipel die ‘een bekende van de hogepriester’ en van zijn huishouden was (Jo 18:15, 16), dus het is logisch dat hij de gewonde man in zijn evangelie bij naam noemt. Dat Johannes bekend was met het huishouden van de hogepriester blijkt ook uit Jo 18:26, waar Johannes uitlegt dat de slaaf die Petrus ervan beschuldigde een discipel van Jezus te zijn ‘familie was van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen’.

de beker drinken: In de Bijbel wordt ‘beker’ vaak figuurlijk gebruikt voor Gods wil, ‘het toegemeten deel’, voor een persoon. ‘De beker drinken’ betekent hier zich aan Gods wil onderwerpen. In dit geval hield de ‘beker’ niet alleen in dat Jezus zou lijden en sterven omdat hij vals werd beschuldigd van godslastering, maar ook dat hij tot onsterfelijk leven in de hemel zou worden gewekt.

laat deze beker aan mij voorbijgaan: In de Bijbel wordt ‘beker’ vaak figuurlijk gebruikt voor Gods wil, ‘het toegemeten deel’, voor een persoon. (Zie aantekening bij Mt 20:22.) Jezus maakte zich ongetwijfeld veel zorgen over de smaad die God zou ondervinden wegens zijn dood als iemand die beschuldigd werd van godslastering en opruiing, en dat zette hem ertoe aan te bidden of deze ‘beker’ aan hem voorbij mocht gaan.

de beker (...) drinken: In de Bijbel wordt ‘beker’ vaak figuurlijk gebruikt voor Gods wil, ‘het toegemeten deel’, voor een persoon. ‘De beker drinken’ betekent hier zich aan Gods wil onderwerpen. In dit geval hield de ‘beker’ niet alleen in dat Jezus zou lijden en sterven omdat hij vals werd beschuldigd van godslastering, maar ook dat hij tot onsterfelijk leven in de hemel zou worden gewekt. (Zie aantekeningen bij Mt 20:22 en 26:39.)

de Joden: In het evangelie van Johannes brengt dit woord verschillende betekenissen over, afhankelijk van de context. Het kan slaan op het Joodse volk in het algemeen, op de inwoners van Judea of op degenen die in of bij Jeruzalem woonden. Het woord wordt ook specifieker gebruikt voor Joden die fanatiek vasthielden aan menselijke tradities die verband hielden met de wet van Mozes en die vaak ingingen tegen de geest van die wet (Mt 15:3-6). De voornaamsten van die ‘Joden’ waren de Joodse autoriteiten of religieuze leiders die Jezus vijandig gezind waren. In deze passage en enkele van de andere keren dat dit woord in Johannes 7 voorkomt, blijkt uit de context dat het gaat om de Joodse autoriteiten of religieuze leiders (Jo 7:13, 15, 35a).

de bevelhebber: De Griekse term chiliarchos (chiliarch) betekent letterlijk ‘heerser over duizend’ soldaten. Het duidt op een Romeinse krijgstribuun. Elk Romeins legioen had zes tribunen. Het legioen was niet in zes legerafdelingen verdeeld, maar elke tribuun voerde een zesde van de tijd het commando over het hele legioen. Zo’n legerofficier had grote autoriteit. Hij kon bijvoorbeeld centurio’s benoemen en toewijzen. Het Griekse woord kon ook duiden op hoge legerofficieren in het algemeen. Er was een Romeinse bevelhebber bij de soldaten die Jezus arresteerden.

de Joden: Kennelijk wordt hier verwezen naar de Joodse autoriteiten of religieuze leiders. (Zie aantekening bij Jo 7:1.)

overpriester Annas en (...) Kajafas: Bij het specificeren van het begin van de bediening van Johannes de Doper heeft Lukas het over de tijd waarin de Joodse priesterschap werd gedomineerd door twee machtige mannen. Annas werd rond 6/7 n.Chr. tot hogepriester benoemd door Quirinius, de Romeinse gouverneur van Syrië, en bleef in functie tot ongeveer 15 n.Chr. Nadat Annas door de Romeinen was afgezet en zijn ambtstitel was kwijtgeraakt, had hij als voormalig hogepriester en als toonaangevende spreekbuis van de Joodse hiërarchie blijkbaar nog steeds veel macht en invloed. Vijf van zijn zonen hebben de functie van hogepriester bekleed, en zijn schoonzoon Kajafas was hogepriester van ongeveer 18 n.Chr. tot ongeveer 36 n.Chr. Dus hoewel Kajafas in 29 n.Chr. de hogepriester was, kon Annas terecht ‘overpriester’ worden genoemd vanwege zijn dominante positie (Jo 18:13, 24; Han 4:6).

Ze brachten hem eerst naar Annas: Alleen Johannes vermeldt specifiek dat Jezus naar Annas werd gebracht. Annas was rond 6/7 n.Chr. tot hogepriester benoemd door Quirinius, de Romeinse gouverneur van Syrië, en bleef in functie tot ongeveer 15 n.Chr. Nadat Annas door de Romeinen was afgezet en zijn ambtstitel was kwijtgeraakt, had hij als voormalig hogepriester en als toonaangevende spreekbuis van de Joodse hiërarchie blijkbaar nog steeds veel macht en invloed. Vijf van zijn zonen hebben de functie van hogepriester bekleed, en zijn schoonzoon Kajafas was hogepriester van ongeveer 18 n.Chr. tot ongeveer 36 n.Chr. Die periode omvatte dat jaar, dat wil zeggen het gedenkwaardige jaar 33, waarin Jezus werd terechtgesteld. (Zie aantekening bij Lu 3:2.)

degene van wie Jezus veel hield: Dit is de eerste van de vijf keer dat er een discipel wordt vermeld ‘van wie Jezus veel hield’ of ‘aan wie Jezus gehecht was’ (Jo 19:26; 20:2; 21:7, 20). Algemeen wordt aangenomen dat dit de apostel Johannes is, de zoon van Zebedeüs en de broer van Jakobus (Mt 4:21; Mr 1:19; Lu 5:10). Eén reden daarvoor is dat de apostel Johannes in dit evangelie niet bij naam wordt genoemd, afgezien van de aanduiding ‘de zonen van Zebedeüs’ in Jo 21:2. Een andere aanwijzing is te vinden in Jo 21:20-24, waar de uitdrukking ‘de discipel van wie Jezus veel hield’ wordt gebruikt voor de schrijver van dit evangelie. Bovendien zei Jezus over die apostel: ‘Als het mijn wil is dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat dan aan?’ Dit impliceert dat die persoon veel langer zou leven dan Petrus en de andere apostelen, wat zeker gold voor de apostel Johannes. (Zie aantekeningen bij Jo Titel; 1:6 en 21:20.)

de discipel van wie hij veel hield: Dit is de tweede van de vijf keer dat er een discipel wordt vermeld ‘van wie Jezus veel hield’ of ‘aan wie Jezus gehecht was’ (Jo 13:23; 20:2; 21:7, 20). Algemeen wordt aangenomen dat dit de apostel Johannes is. (Zie aantekening bij Jo 13:23.)

De discipel van wie Jezus veel hield: Dit is de vierde van de vijf keer dat er een discipel wordt vermeld ‘van wie Jezus veel hield’ of ‘aan wie Jezus gehecht was’ (Jo 13:23; 19:26; 20:2; 21:7, 20). Algemeen wordt aangenomen dat dit de apostel Johannes is, de zoon van Zebedeüs en de broer van Jakobus (Mt 4:21; Mr 1:19; Lu 5:10; Jo 21:2; zie voor de redenatie hierachter de aantekeningen bij Jo 13:23 en 21:20).

de discipel van wie Jezus veel hield: Dit is de laatste van de vijf keer dat er een discipel wordt vermeld ‘van wie Jezus veel hield’ of ‘aan wie Jezus gehecht was’ (Jo 13:23; 19:26; 20:2; 21:7, 20). Algemeen wordt aangenomen dat dit de apostel Johannes is, de zoon van Zebedeüs en de broer van Jakobus (Mt 4:21; Mr 1:19; Lu 5:10; Jo 21:2). Zoals de context van Jo 21:20-24 laat zien, was ‘de discipel van wie Jezus veel hield’ ook ‘de discipel (...) die deze dingen heeft opgeschreven’, oftewel de schrijver van het evangelie van Johannes. (Zie aantekeningen bij Jo Titel; 1:6 en 13:23.)

een andere discipel: Kennelijk de apostel Johannes. Dit zou passen bij Johannes’ kenmerkende stijl om zichzelf in zijn evangelie niet bij naam te noemen. (Zie aantekeningen bij Jo 13:23; 19:26; 20:2; 21:7 en 21:20.) Bovendien worden Johannes en Petrus samen genoemd in het verslag over de gebeurtenissen na de opstanding in Jo 20:2-8. De Bijbel legt niet uit hoe het kon dat Johannes, een discipel uit Galilea, een bekende van de hogepriester was, maar hierdoor kon Johannes langs de portier op de binnenplaats komen en kon hij ook Petrus daar krijgen (Jo 18:16).

houtskoolvuur: Houtskool is een zwart, broos en poreus product, meestal het residu van onvolledig verbrand hout. In de oudheid maakte men houtskool door een stapel hout met aarde te bedekken en dan dagenlang te laten smeulen, waarbij net genoeg lucht werd toegelaten om de gassen te verbranden. Zo werd relatief zuivere koolstof gemaakt. Dit proces kostte veel tijd en aandacht, maar houtskool was een veelgevraagde brandstof die intense, langdurige hitte gaf zonder rook. Houtskool werd in een open vuur of in een bekken gebruikt om zich te warmen (Jes 47:14; Jer 36:22). Omdat houtskool een gelijkmatige hitte afgeeft en zonder vlammen of rook brandt, is het ideaal om op te koken (Jo 21:9).

naar Kajafas, de hogepriester: Zie voor de mogelijke locatie van het huis van Kajafas App. B12.

verblijf van de gouverneur: Het Griekse praitorion (ontleend aan het Latijnse praetorium) duidt op de officiële residentie van Romeinse gouverneurs. In Jeruzalem was de residentie waarschijnlijk het paleis dat gebouwd was door Herodes de Grote. Het lag in de NW-hoek van de bovenstad, dat wil zeggen het zuidelijke deel van Jeruzalem. (Zie voor de locatie App. B12.) Pilatus verbleef alleen bij bepaalde gelegenheden zoals feesten in Jeruzalem aangezien er altijd onrust dreigde. Zijn vaste residentie was in Cesarea.

verblijf van de gouverneur: Zie aantekening bij Mt 27:27.

vroeg in de morgen: Dat wil zeggen de ochtend van 14 nisan, de dag van Jezus’ proces en dood. Het Pascha was de avond ervoor begonnen, en zoals uit de andere evangelieverslagen blijkt, hadden Jezus en de apostelen op die avond de paschamaaltijd gegeten (Mt 26:18-20; Mr 14:14-17; Lu 22:15). Met het eten van het Pascha moet in dit vers dus de maaltijd op 15 nisan bedoeld worden, de eerste dag van het Feest van het Ongezuurde Brood. In Jezus’ tijd werden het Pascha (14 nisan) en het Feest van het Ongezuurde Brood (15-21 nisan) soms samen het Pascha genoemd (Lu 22:1).

Bent u de Koning van de Joden?: Geen enkele koning in het Romeinse Rijk kon zonder toestemming van caesar regeren. Blijkbaar wilde Pilatus Jezus daarom vooral ondervragen over zijn koningschap.

Bent u de Koning van de Joden?: Zie aantekening bij Mt 27:11.

Je zegt het zelf: Een Joods idioom dat hier wordt gebruikt om te bevestigen wat degene die de vraag stelde had gezegd. Jezus zei eigenlijk: ‘Jij zegt het en wat je zegt is waar.’ Met zijn antwoord wees hij er kennelijk op dat Judas met zijn eigen woorden toegaf verantwoordelijk te zijn voor het verraden van Jezus. Judas moet ergens na dit voorval de kamer hebben verlaten voordat Jezus de herdenking van het Avondmaal van de Heer instelde, zoals blijkt uit een vergelijking met het verslag in Jo 13:21-30. Hier in het verslag van Mattheüs wordt Judas voor het eerst weer vermeld in Mt 26:47, samen met de menigte in de hof van Gethsemané.

U zegt het zelf: Jezus ontweek de vraag van Kajafas niet, want hij erkende dat de hogepriester het gezag had om hem onder ede een verklaring te laten afleggen (Mt 26:63). Deze uitspraak was blijkbaar een Joods idioom waarmee een bewering werd bevestigd. Dat wordt ondersteund door het parallelverslag van Markus, waar Jezus antwoordde: ‘Ik ben het’ (Mr 14:62; zie aantekeningen bij Mt 26:25 en 27:11).

U zegt zelf dat ik een koning ben: Hiermee bevestigt Jezus dat hij een koning is (Mt 27:11; vergelijk de aantekeningen bij Mt 26:25, 64). Maar Jezus is geen koning in de betekenis die Pilatus eraan geeft, want Jezus’ Koninkrijk is ‘geen deel van deze wereld’ en vormt dus geen bedreiging voor Rome (Jo 18:33-36).

getuigen: De Griekse woorden voor ‘getuigen’ (martureo) en ‘getuigenis’, ‘getuige’ (marturia en martus) worden in de Griekse Geschriften in verschillende betekenissen gebruikt. De grondbetekenis is het getuigen van feiten die iemand persoonlijk of uit de eerste hand kent, maar ze kunnen ook de gedachte omvatten van ‘verklaren’, ‘bevestigen’, ‘gunstig spreken over’. Jezus getuigde van waarheden waarvan hij overtuigd was en verkondigde ze. Maar daarnaast bevestigde hij door zijn manier van leven de waarheid van het profetische woord en de beloften van zijn Vader (2Kor 1:20). Gods voornemen in verband met het Koninkrijk en de Messiaanse Regeerder ervan was in detail voorspeld. Jezus heeft door zijn hele leven op aarde, dat eindigde in zijn offerdood, alle profetieën over hem vervuld, inclusief de schaduwen of voorafbeeldingen in het wetsverbond (Kol 2:16, 17; Heb 10:1). Er kan dus gezegd worden dat Jezus in woord en daad ‘getuigde van de waarheid’.

de waarheid: Jezus had het niet over waarheid in het algemeen maar over de waarheid in verband met Gods voornemens. Een belangrijk element van Gods voornemen is dat Jezus, de ‘zoon van David’, als Hogepriester en Regeerder van Gods Koninkrijk dient (Mt 1:1). Jezus legde uit dat het bekendmaken van de waarheid over dat Koninkrijk een belangrijke reden was voor zijn komst naar de mensenwereld, zijn leven op aarde en zijn bediening. De engelen verkondigden een vergelijkbare boodschap vóór en ten tijde van Jezus’ geboorte in Bethlehem in Judea, de stad waar David geboren was (Lu 1:32, 33; 2:10-14).

Wat is waarheid?: Pilatus doelde met zijn vraag blijkbaar op waarheid in het algemeen en niet specifiek op ‘de waarheid’ waar Jezus het net over had gehad (Jo 18:37). Als de vraag oprecht was geweest, had Jezus die ongetwijfeld beantwoord. Maar waarschijnlijk was het een retorisch bedoelde vraag die een sceptische of cynische houding verraadde, alsof Pilatus wilde zeggen: ‘Waarheid? Wat is dat? Er is geen waarheid!’ Pilatus wacht niet eens op een antwoord maar loopt weg naar buiten, naar de Joden.

bij jullie gebruikelijk dat ik (...) iemand vrijlaat: Het gebruik om een gevangene vrij te laten wordt ook in Mt 27:15 en Mr 15:6 vermeld. Kennelijk was het een Joodse traditie, want Pilatus zei tegen de Joden: ‘Het is bij jullie gebruikelijk.’ Er is in de Hebreeuwse Geschriften geen basis of precedent voor deze gewoonte. Maar blijkbaar was deze traditie onder de Joden ontstaan tegen de tijd dat Jezus op aarde kwam. De Romeinen zullen de gewoonte niet vreemd hebben gevonden, want er zijn aanwijzingen dat ze zelf ook gevangenen vrijlieten om de mensen tevreden te stellen.

Media

Kidrondal
Kidrondal

Het Kidrondal (Nahal Qidron) ligt tussen Jeruzalem en de Olijfberg en loopt van N naar Z langs de oostkant van de stad. Het dal begint ergens ten N van de muren van Jeruzalem. Eerst is het breed en ondiep, maar verderop wordt het smaller en dieper. Tegenover de zuidkant van het voormalige tempelterrein is het dal naar schatting 30 m diep en 120 m breed, maar kennelijk was het in Jezus’ tijd dieper. Het dal loopt verder door de woestijn van Judea naar de Dode Zee. Jezus stak dit dal over op weg naar de hof van Gethsemané nadat hij op 14 nisan 33 het Avondmaal had ingesteld (Jo 18:1).

1. Kidrondal

2. Tempelberg

3. Olijfberg (het getoonde gedeelte is vol graven)

Oudst bekende fragment van de Griekse Geschriften
Oudst bekende fragment van de Griekse Geschriften

Op de afbeelding zijn de voor- en achterkant te zien van Papyrus Rylands 457 (P52), een fragment van een heel vroeg afschrift van een deel van Johannes’ evangelie. Het fragment is in 1920 uit Egypte meegenomen en is ondergebracht in de John Rylands University Library in Manchester (Engeland). Op de ene kant staat een deel van Jo 18:31-33 en op de andere kant een deel van Jo 18:37, 38. Dat het fragment op beide kanten beschreven is, bewijst dat het deel uitmaakte van een codex. Het fragment is 9 bij 6 cm groot. Veel geleerden beschouwen het als het oudste beschikbare Griekse manuscript van de christelijke Griekse Geschriften en dateren het op de eerste helft van de tweede eeuw. Het evangelie van Johannes is rond 98 geschreven, dus dit afschrift is waarschijnlijk maar enkele tientallen jaren later gemaakt. De tekst van dit fragment komt heel nauw overeen met latere, completere Griekse manuscripten die de basis vormen voor moderne vertalingen van de Griekse Geschriften.