Volgens Johannes 17:1-26

17  Nadat Jezus die dingen had gezegd, sloeg hij zijn ogen op naar de hemel en zei: ‘Vader, de tijd is gekomen. Verheerlijk uw zoon zodat uw zoon u verheerlijkt.+  U hebt hem autoriteit gegeven over alle mensen,+ zodat hij eeuwig leven kan geven+ aan iedereen die u hem hebt gegeven.+  Dit betekent eeuwig leven,+ dat ze u leren kennen, de enige ware God,+ en ook degene die u hebt gestuurd, Jezus Christus.+  Ik heb u op aarde verheerlijkt+ door het werk te voltooien dat u me te doen hebt gegeven.+  En nu, Vader, verheerlijk mij aan uw zijde met de eer* die ik naast u had voordat de wereld er was.+  Ik heb uw naam openbaar gemaakt aan de mensen die u mij uit de wereld hebt gegeven.+ Ze waren van u, en u hebt ze aan mij gegeven. Ze hebben zich aan uw woord gehouden.  Ze weten nu dat alles wat u me hebt gegeven, van u komt.  Want ik heb hun de woorden doorgegeven die u mij hebt gegeven.+ Ze hebben ze aanvaard en weten nu echt dat ik als uw vertegenwoordiger ben gekomen,+ en ze geloven dat u me hebt gestuurd.+  Ik doe een verzoek voor hen. Ik doe geen verzoek voor de wereld, maar voor hen die u me gegeven hebt, want ze zijn van u. 10  Alles wat ik heb, is van u en wat u hebt, is van mij,+ en ik ben onder hen verheerlijkt. 11  Ik ben al niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld,+ en ik kom naar u toe. Heilige Vader, waak over hen+ ter wille van uw naam, die u mij gegeven hebt, zodat zij één mogen zijn zoals wij één zijn.+ 12  Toen ik bij hen was, waakte ik steeds over hen+ ter wille van uw naam, die u mij gegeven hebt. Ik heb hen beschermd, en niet één van hen is vernietigd,+ behalve de zoon van vernietiging,+ zodat de Schrift vervuld zou worden.+ 13  Maar nu kom ik naar u toe, en ik vertel deze dingen in de wereld, zodat ze compleet vervuld zullen zijn van mijn vreugde.+ 14  Ik heb uw woord aan hen doorgegeven, maar de wereld heeft hen gehaat,+ omdat ze geen deel van de wereld zijn,+ net zoals ik geen deel van de wereld ben. 15  Ik vraag u niet om hen uit de wereld weg te nemen, maar om over hen te waken vanwege de goddeloze.+ 16  Ze zijn geen deel van de wereld,+ net zoals ik geen deel van de wereld ben.+ 17  Heilig hen door de waarheid.+ Uw woord is waarheid.+ 18  Ik heb hen de wereld in gestuurd, zoals u mij de wereld in hebt gestuurd.+ 19  En ik heilig mij voor hen, zodat ook zij door waarheid geheiligd worden. 20  Ik doe niet alleen voor hen een verzoek, maar ook voor iedereen die door hun woord in mij gelooft, 21  zodat ze allemaal één zullen zijn,+ net zoals u, Vader, in eendracht met mij bent en ik in eendracht met u ben,+ dat ook zij in eendracht met ons zijn, zodat de wereld gelooft dat u mij hebt gestuurd. 22  Ik heb ze de eer* gegeven die u mij hebt gegeven, zodat ze één zullen zijn net zoals wij één zijn.+ 23  Ik ben in eendracht met hen en u bent in eendracht met mij, zodat ze volmaakt één worden gemaakt.+ Daardoor zal de wereld weten dat u mij hebt gestuurd en dat u van hen houdt net zoals u van mij houdt. 24  Vader, ik wil dat degenen die u mij hebt gegeven, bij mij zijn waar ik ben,+ zodat ze mijn glorie* mogen zien die u me hebt gegeven, omdat u al vóór de grondlegging van de wereld van mij hield.+ 25  Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet leren kennen,+ maar ik ken u,+ en zij weten nu dat u me hebt gestuurd. 26  Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en zal hem bekendmaken,+ zodat de liefde die u voor mij hebt in hen zal zijn en ik in eendracht zal zijn met hen.’+

Voetnoten

Of ‘heerlijkheid’.
Of ‘heerlijkheid’.
Of ‘heerlijkheid’.

Aantekeningen

vlees: Of ‘mens’. Het Griekse woord sarx wordt hier gebruikt in de betekenis van een fysiek wezen, een levend wezen van vlees. Toen Jezus als mens werd geboren, was hij niet langer een geest. Het was niet zo dat hij alleen maar een vleselijk lichaam aannam, zoals engelen in het verleden hadden gedaan (Ge 18:1-3; 19:1; Joz 5:13-15). Daarom kon Jezus zichzelf terecht ‘de Mensenzoon’ noemen (Jo 1:51; 3:14; zie aantekening bij Mt 8:20).

alle mensen: Lett.: ‘alle vlees’. Deze uitdrukking staat ook in Lu 3:6, een citaat uit Jes 40:5, waar een Hebreeuwse term met dezelfde betekenis wordt gebruikt. (Vergelijk de aantekening bij Jo 1:14.)

dat ze u leren kennen: Of ‘dat ze kennis van u in zich opnemen’, ‘dat ze ermee doorgaan u te kennen’. De grondbetekenis van het Griekse werkwoord ginosko is ‘kennen’ en het werkwoord wordt hier in de tegenwoordige tijd gebruikt om het voortduren van de handeling uit te drukken. Het kan duiden op een proces om ‘kennis van iemand in zich op te nemen’, ‘iemand te leren kennen’, ‘iemand beter te leren kennen’. Het kan ook de gedachte omvatten van voortdurende inspanning om iemand die je al kent nog beter te leren kennen. In deze context duidt het op het verdiepen van een persoonlijke band met God door steeds meer kennis van God en Christus op te doen en steeds meer vertrouwen in hen te krijgen. Daarvoor is duidelijk meer nodig dan weten wie iemand is of wat zijn naam is. Je moet ook weten waar iemand wel en niet van houdt en wat zijn normen en waarden zijn (1Jo 2:3; 4:8).

de grondlegging van de wereld: Of ‘het begin van de wereld’. Het Griekse woord voor grondlegging is vertaald met ‘voortbrengen’ in Heb 11:11, waar het wordt gebruikt in combinatie met ‘nageslacht’. De uitdrukking ‘grondlegging van de wereld’ duidt hier blijkbaar op de conceptie en geboorte van de kinderen die Adam en Eva kregen. Jezus brengt de grondlegging van de wereld in verband met Abel, kennelijk de eerste loskoopbare mens van wie de naam vanaf de grondlegging van de wereld opgeschreven was in de boekrol van het leven (Lu 11:50, 51; Opb 17:8). Deze woorden van Jezus in gebed tot zijn Vader bevestigen ook dat God lang geleden — voordat Adam en Eva nageslacht kregen — van zijn eniggeboren Zoon hield.

wereld: Het Griekse kosmos duidt hier kennelijk op de mensenwereld. (Vergelijk de aantekening bij Jo 17:24.)

naam: De persoonlijke naam van God, die bestaat uit de vier Hebreeuwse letters יהוה (JHWH) en in het Nederlands wordt weergegeven als ‘Jehovah’. In de Nieuwewereldvertaling komt de naam 6979 keer voor in de Hebreeuwse Geschriften en 237 keer in de Griekse Geschriften. (Zie voor meer informatie over Gods naam in de Griekse Geschriften App. A5 en App. C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is (Opb 3:4, vtn.).

wereld: In deze context duidt het Griekse woord kosmos op de mensenwereld uitgezonderd Gods aanbidders, de onrechtvaardige menselijke samenleving die van God vervreemd is. Van de evangelieschrijvers vermeldt alleen Johannes Jezus’ uitspraak dat zijn volgelingen geen deel van de wereld zijn of niet bij de wereld horen. Dezelfde gedachte wordt nog twee keer geuit in Jezus’ laatste gebed met zijn trouwe apostelen (Jo 17:14, 16).

Ik heb uw naam openbaar gemaakt: Of ‘ik heb uw naam bekendgemaakt’. Jezus’ volgelingen kenden en gebruikten Gods naam al. Ze zagen en lazen hem in de boekrollen van de Hebreeuwse Geschriften die in hun synagogen beschikbaar waren. Ze zagen en lazen hem ook in de Septuaginta — een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften, die bij het onderwijs werd gebruikt. (Zie App. A5 en C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Zie aantekening bij Mt 6:9; vergelijk Opb 3:4, vtn.) Jezus maakte Gods naam niet alleen bekend door die te gebruiken maar ook door de Persoon achter de naam te openbaren: zijn voornemens, activiteiten en eigenschappen. Omdat Jezus ‘dicht bij de Vader’ was geweest, kon hij als geen ander duidelijk maken wie de Vader is (Jo 1:18; Mt 11:27). Zo kreeg Gods ‘naam’ meer betekenis voor Jezus’ eerste volgelingen.

wereld: In deze context duidt het Griekse kosmos kennelijk op de mensenwereld die van God vervreemd is en die losstaat van de ware volgelingen van Christus, zijn gemeente. (Zie aantekening bij Jo 15:19.)

hebben zich aan uw woord gehouden: Of ‘hebben uw woord gehoorzaamd’, ‘hebben uw woord nageleefd’. Zoals het Griekse tereo in deze context wordt gebruikt, kan het ook gedefinieerd worden als ‘volharden in gehoorzaamheid’, ‘in het oog houden’.

naam: De persoonlijke naam van God, die bestaat uit de vier Hebreeuwse letters יהוה (JHWH) en in het Nederlands wordt weergegeven als ‘Jehovah’. In de Nieuwewereldvertaling komt de naam 6979 keer voor in de Hebreeuwse Geschriften en 237 keer in de Griekse Geschriften. (Zie voor meer informatie over Gods naam in de Griekse Geschriften App. A5 en App. C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is (Opb 3:4, vtn.).

Ik heb uw naam openbaar gemaakt: Of ‘ik heb uw naam bekendgemaakt’. Jezus’ volgelingen kenden en gebruikten Gods naam al. Ze zagen en lazen hem in de boekrollen van de Hebreeuwse Geschriften die in hun synagogen beschikbaar waren. Ze zagen en lazen hem ook in de Septuaginta — een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften, die bij het onderwijs werd gebruikt. (Zie App. A5 en C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Zie aantekening bij Mt 6:9; vergelijk Opb 3:4, vtn.) Jezus maakte Gods naam niet alleen bekend door die te gebruiken maar ook door de Persoon achter de naam te openbaren: zijn voornemens, activiteiten en eigenschappen. Omdat Jezus ‘dicht bij de Vader’ was geweest, kon hij als geen ander duidelijk maken wie de Vader is (Jo 1:18; Mt 11:27). Zo kreeg Gods ‘naam’ meer betekenis voor Jezus’ eerste volgelingen.

één: Of ‘in eenheid’. Wat Jezus hier zegt, laat zien dat hij en zijn Vader in eenheid de schapen beschermen en naar eeuwig leven leiden. Die herderlijke zorg is een gezamenlijke taak van de Vader en de Zoon. Ze hebben dezelfde zorg voor de schapen en laten niet toe dat iemand ze uit hun handen rooft (Jo 10:27-29; vergelijk Ez 34:23, 24). Johannes maakt in zijn evangelie vaak melding van de eenheid tussen de Vader en de Zoon, de eenheid in samenwerking, wil en doel. Het Griekse woord voor één is hier niet mannelijk (wat op ‘één persoon’ duidt) maar onzijdig (wat op ‘één ding’ duidt). Dit ondersteunt de gedachte dat Jezus en zijn Vader één zijn in daden en samenwerking, en niet één en dezelfde persoon (Jo 5:19; 14:9, 23). Dat Jezus het niet had over gelijkheid van goddelijkheid maar over eenheid in doel en daden, wordt bevestigd als we deze woorden vergelijken met zijn gebed in Johannes 17 (Jo 10:25-29; 17:2, 9-11). Dat is vooral duidelijk als hij bidt of zijn volgelingen ‘één mogen zijn zoals wij één zijn’ (Jo 17:11). In hoofdstuk 10 en hoofdstuk 17 gaat het dus om dezelfde soort eenheid. (Zie 1Kor 3:8 en aantekeningen bij Jo 17:11, 21, waar het Griekse woord voor één op een vergelijkbare manier wordt gebruikt.)

Heilige Vader: Deze uitdrukking komt in de Bijbel alleen hier voor en wordt als aanspreekvorm voor Jehovah gebruikt. De uitdrukking wordt nooit gebruikt voor een mens. (Vergelijk Mt 23:9.)

uw naam, die u mij gegeven hebt: De naam Jezus komt overeen met de Hebreeuwse naam Jesua, een verkorte vorm van Jehosua, dat ‘Jehovah is redding’ betekent. In overeenstemming daarmee beklemtoont Jezus in dit hoofdstuk twee keer dat hij de naam Jehovah heeft bekendgemaakt (Jo 17:6, 26). In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie, zijn eigenschappen en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Zie aantekeningen bij Mt 6:9 en Jo 17:6.) Jezus droeg dus een naam waarin Gods naam ligt opgesloten, maar kennelijk had hij ook in andere opzichten de naam Jehovah gekregen. Jezus was bijvoorbeeld een volmaakte afspiegeling van de persoonlijkheid van zijn Vader (Jo 14:9). Bovendien kwam Jezus in de naam van zijn Vader en deed hij krachtige werken in die naam (Jo 5:43; 10:25).

één: Of ‘in eenheid’. Jezus bad of zijn ware volgelingen ‘één’ mochten zijn in hun samenwerking aan hetzelfde doel, net zoals hij en zijn Vader ‘één’ zijn door hun samenwerking en eenheid van denken. De gedachten die in dit gebed worden geuit, doen denken aan Jezus’ woorden in Jo 10:30. Daar zegt hij dat hij en de Vader ‘één zijn’ wat betreft de zorg voor zijn discipelen, zijn ‘schapen’, die zijn Vader hem heeft gegeven (Jo 10:25-30; 17:2, 9). Het Griekse woord voor één is hier onzijdig (wat op ‘één ding’ duidt) en niet mannelijk (wat op ‘één persoon’ duidt). (Zie aantekening bij Jo 10:30.)

iemand die Gehenna verdient: Lett.: ‘een zoon van Gehenna’, dat wil zeggen iemand die de eeuwige vernietiging verdient. (Zie Woordenlijst.)

de zoon van vernietiging: In deze context slaat de uitdrukking op Judas Iskariot. Door zijn opzettelijke verraad van de Zoon van God moest hij de eeuwige vernietiging ondergaan en zou hij geen opstanding waard zijn. Dezelfde uitdrukking wordt in 2Th 2:3 gebruikt voor ‘de mens van wetteloosheid’. In de oorspronkelijke talen van de Bijbel wordt het woord voor ‘zoon (zonen) van’ soms in figuurlijke zin gebruikt voor iemand die een bepaalde gedragslijn volgt of een bepaalde karakteristieke eigenschap vertoont. Voorbeelden zijn uitdrukkingen als ‘zonen van de Allerhoogste’, ‘zonen van het licht en zonen van de dag’, ‘zonen van het Koninkrijk’, ‘zonen van de goddeloze’ en ‘zoon van de Duivel’ (Lu 6:35; 1Th 5:5; Mt 13:38; Han 13:10). In lijn daarmee kan de uitdrukking ‘zoon van’ worden gebruikt in verband met het oordeel of de afloop waartoe een bepaalde gedragslijn of karakteristieke eigenschap leidt. De uitdrukking die in 2Sa 12:5 is vertaald met ‘verdient de dood’, is letterlijk ‘is een zoon van de dood’. In Mt 23:15 wordt letterlijk de uitdrukking ‘een zoon van Gehenna’ gebruikt voor iemand die de eeuwige vernietiging verdient. Kennelijk was dat wat Jezus bedoelde toen hij Judas Iskariot ‘de zoon van vernietiging’ noemde. (Zie aantekening bij Mt 23:15 en Woordenlijst ‘Gehenna’.)

Heilig hen: Of ‘maak hen heilig’, ‘zonder hen af’, dat wil zeggen voor heilige dienst voor God. Als Jezus’ volgelingen gehoorzaam zijn aan de waarheid van Gods Woord, worden ze geheiligd of gezuiverd (1Pe 1:22). Op die manier zullen ze opvallen als ‘geen deel van de wereld’, die niet aan Gods waarheid vasthoudt (Jo 17:16).

Uw woord is waarheid: In Jehovah’s Woord worden dingen gepresenteerd zoals ze echt zijn. Het onthult zijn eigenschappen, voornemens en geboden en laat zien wat de echte toestand van de mensheid is. In harmonie met Jezus’ gebed laat Gods Woord van waarheid zien wat de vereisten zijn om door Jehovah te worden geheiligd of afgezonderd voor zijn dienst en dan in die geheiligde toestand te blijven.

heilig mij: Of ‘zonder mij af’, ‘houd mij heilig’. Jezus was heilig toen hij als mens werd geboren (Lu 1:35) en dat bleef hij tijdens zijn hele leven op aarde (Han 4:27; Heb 7:26). Jezus’ onberispelijke manier van leven, waaronder zijn loskoopoffer, maakte het voor zijn volgelingen mogelijk om geheiligd te worden, afgezonderd voor Gods dienst. Daarom kon Jezus in gebed tegen zijn Vader zeggen dat hij zich heiligde voor hen. Jezus’ volgelingen worden door waarheid geheiligd als ze nauwkeurig in zijn voetstappen treden en leven naar de waarheden die hij onderwees en naar de waarheden die in Gods Woord, de Bijbel, staan (Jo 17:17; 2Ti 2:20, 21; Heb 12:14). Toch worden ze niet geheiligd op grond van hun eigen verdienste maar via Jezus Christus (Ro 3:23-26; Heb 10:10).

één: Of ‘in eenheid’. Wat Jezus hier zegt, laat zien dat hij en zijn Vader in eenheid de schapen beschermen en naar eeuwig leven leiden. Die herderlijke zorg is een gezamenlijke taak van de Vader en de Zoon. Ze hebben dezelfde zorg voor de schapen en laten niet toe dat iemand ze uit hun handen rooft (Jo 10:27-29; vergelijk Ez 34:23, 24). Johannes maakt in zijn evangelie vaak melding van de eenheid tussen de Vader en de Zoon, de eenheid in samenwerking, wil en doel. Het Griekse woord voor één is hier niet mannelijk (wat op ‘één persoon’ duidt) maar onzijdig (wat op ‘één ding’ duidt). Dit ondersteunt de gedachte dat Jezus en zijn Vader één zijn in daden en samenwerking, en niet één en dezelfde persoon (Jo 5:19; 14:9, 23). Dat Jezus het niet had over gelijkheid van goddelijkheid maar over eenheid in doel en daden, wordt bevestigd als we deze woorden vergelijken met zijn gebed in Johannes 17 (Jo 10:25-29; 17:2, 9-11). Dat is vooral duidelijk als hij bidt of zijn volgelingen ‘één mogen zijn zoals wij één zijn’ (Jo 17:11). In hoofdstuk 10 en hoofdstuk 17 gaat het dus om dezelfde soort eenheid. (Zie 1Kor 3:8 en aantekeningen bij Jo 17:11, 21, waar het Griekse woord voor één op een vergelijkbare manier wordt gebruikt.)

één: Of ‘in eenheid’. Jezus bad of zijn ware volgelingen ‘één’ mochten zijn in hun samenwerking aan hetzelfde doel, net zoals hij en zijn Vader ‘één’ zijn door hun samenwerking en eenheid van denken. De gedachten die in dit gebed worden geuit, doen denken aan Jezus’ woorden in Jo 10:30. Daar zegt hij dat hij en de Vader ‘één zijn’ wat betreft de zorg voor zijn discipelen, zijn ‘schapen’, die zijn Vader hem heeft gegeven (Jo 10:25-30; 17:2, 9). Het Griekse woord voor één is hier onzijdig (wat op ‘één ding’ duidt) en niet mannelijk (wat op ‘één persoon’ duidt). (Zie aantekening bij Jo 10:30.)

één: Of ‘in eenheid’. Jezus bad of zijn ware volgelingen ‘één’ mochten zijn, in eenheid samenwerkend aan hetzelfde doel, net zoals hij en zijn Vader ‘één’ zijn door hun samenwerking en eenheid van denken (Jo 17:22). In 1Kor 3:6-9 beschrijft Paulus zo’n eenheid onder christenen die met elkaar en met God samenwerken. (Zie 1Kor 3:8 en aantekeningen bij Jo 10:30 en 17:11.)

volmaakt één worden gemaakt: Of ‘volledig verenigd worden’. In dit vers brengt Jezus volmaakte eenheid in verband met de liefde van de Vader. Dat is in overeenstemming met Kol 3:14, waar staat: ‘Liefde is een volmaakte band van eenheid.’ Die volmaakte eenheid is relatief. Het betekent niet dat alle verschillen in persoonlijkheid, bekwaamheden, gewoonten en geweten verdwijnen. Het betekent dat Jezus’ volgelingen verenigd zijn in hun daden, geloof en onderwijs (Ro 15:5, 6; 1Kor 1:10; Ef 4:3; Fil 1:27).

de grondlegging van de wereld: Of ‘het begin van de wereld’. Het Griekse woord voor grondlegging is vertaald met ‘voortbrengen’ in Heb 11:11, waar het wordt gebruikt in combinatie met ‘nageslacht’. De uitdrukking ‘grondlegging van de wereld’ duidt hier blijkbaar op de conceptie en geboorte van de kinderen die Adam en Eva kregen. Jezus brengt de grondlegging van de wereld in verband met Abel, kennelijk de eerste loskoopbare mens van wie de naam vanaf de grondlegging van de wereld opgeschreven was in de boekrol van het leven (Lu 11:50, 51; Opb 17:8). Deze woorden van Jezus in gebed tot zijn Vader bevestigen ook dat God lang geleden — voordat Adam en Eva nageslacht kregen — van zijn eniggeboren Zoon hield.

Ik heb uw naam openbaar gemaakt: Of ‘ik heb uw naam bekendgemaakt’. Jezus’ volgelingen kenden en gebruikten Gods naam al. Ze zagen en lazen hem in de boekrollen van de Hebreeuwse Geschriften die in hun synagogen beschikbaar waren. Ze zagen en lazen hem ook in de Septuaginta — een Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften, die bij het onderwijs werd gebruikt. (Zie App. A5 en C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Zie aantekening bij Mt 6:9; vergelijk Opb 3:4, vtn.) Jezus maakte Gods naam niet alleen bekend door die te gebruiken maar ook door de Persoon achter de naam te openbaren: zijn voornemens, activiteiten en eigenschappen. Omdat Jezus ‘dicht bij de Vader’ was geweest, kon hij als geen ander duidelijk maken wie de Vader is (Jo 1:18; Mt 11:27). Zo kreeg Gods ‘naam’ meer betekenis voor Jezus’ eerste volgelingen.

naam: De persoonlijke naam van God, die bestaat uit de vier Hebreeuwse letters יהוה (JHWH) en in het Nederlands wordt weergegeven als ‘Jehovah’. In de Nieuwewereldvertaling komt de naam 6979 keer voor in de Hebreeuwse Geschriften en 237 keer in de Griekse Geschriften. (Zie voor meer informatie over Gods naam in de Griekse Geschriften App. A5 en App. C.) In de Bijbel duidt het woord naam soms ook op de persoon zelf, zijn reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is (Opb 3:4, vtn.).

Ik heb hun uw naam bekendgemaakt: Aan het eind van zijn gebed herhaalt Jezus de gedachte die in Jo 17:6 staat. (Zie aantekening bij Jo 17:6.) In Jo 17:26 wordt een ander Grieks werkwoord gebruikt (gnorizo: bekendmaken), maar het brengt dezelfde gedachte over als het werkwoord in Jo 17:6 (faneroo: openbaar maken, onthullen), dat ook vertaald kan worden met ‘bekendmaken’. (Zie vtn. bij Jo 17:6.) In de Bijbel kan het bekendmaken van een naam inhouden dat niet alleen de naam zelf wordt onthuld maar ook waar de naam voor staat — iemands reputatie en alles wat hij zelf zegt dat hij is. (Zie aantekening bij Mt 6:9; vergelijk Opb 3:4, vtn.) Jezus maakte Gods naam niet alleen bekend door die te gebruiken maar ook door de Persoon achter de naam te openbaren: zijn voornemens, activiteiten en eigenschappen. Jezus voegt er hier nog aan toe en zal hem bekendmaken, wat ook kan worden weergegeven met ‘en zal ermee doorgaan hem bekend te maken’. Zo zou Gods naam steeds meer betekenis krijgen voor zijn volgelingen.

Media