Handelingen van apostelen 1:1-26

1  In het eerste verslag, Theo̱filus, heb ik geschreven over alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin+  tot aan de dag dat hij in de hemel werd opgenomen.+ Daarvóór had hij door middel van heilige geest instructies gegeven aan de apostelen die hij had uitgekozen.+  Nadat hij had geleden, liet hij door veel overtuigende bewijzen aan hen zien dat hij in leven was.+ Gedurende 40 dagen werd hij door hen gezien en hij praatte over het Koninkrijk van God.+  Terwijl hij met hen samenkwam, gaf hij hun de opdracht: ‘Ga niet weg uit Jeruzalem,+ maar blijf wachten op wat de Vader heeft beloofd,+ waarover ik jullie heb verteld.  Want Johannes doopte met water, maar jullie zullen over enkele dagen met heilige geest worden gedoopt.’+  Toen ze bijeengekomen waren, vroegen ze hem: ‘Heer, herstel je in deze tijd het koninkrijk voor Israël?’+  Hij antwoordde: ‘Het komt jullie niet toe de tijden of tijdperken te kennen die de Vader onder zijn eigen gezag heeft geplaatst.+  Maar jullie zullen kracht ontvangen wanneer de heilige geest op jullie komt,+ en jullie zullen getuigen+ van mij zijn in Jeruzalem,+ in heel Judea en Sama̱ria,+ en tot in de meest afgelegen delen van de aarde.’+  Nadat hij die dingen had gezegd, werd hij voor hun ogen omhooggeheven, en een wolk onttrok hem aan het gezicht.+ 10  Terwijl hij omhoogging en ze naar de hemel tuurden, stonden er plotseling twee mannen in witte* kleren+ naast hen, 11  die zeiden: ‘Mannen van Galilea, waarom staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die vanuit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde manier komen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’ 12  Toen gingen ze terug naar Jeruzalem.+ Ze kwamen van een berg die de Olijfberg wordt genoemd en die dicht bij Jeruzalem ligt, op een sabbatsreis afstand. 13  Bij aankomst gingen ze naar de bovenkamer waar ze verbleven. Het waren Petrus en Johannes en Jakobus en Andre̱as, Fili̱ppus en Thomas, Bartholome̱üs en Mattheüs, Jakobus, de zoon van Alfe̱üs, Simon de ijverige en Judas, de zoon van Jakobus.+ 14  Ze hielden eensgezind aan in gebed, samen met een aantal vrouwen+ en met Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers.+ 15  In die dagen stond Petrus te midden van de broeders op (er waren ongeveer 120 personen bij elkaar). Hij zei: 16  ‘Mannen, broeders, de heilige geest heeft via David een profetie uitgesproken over Judas,+ die de weg heeft gewezen aan degenen die Jezus gevangennamen. Dat Schriftgedeelte moest vervuld worden.+ 17  Hij was een van ons+ en had een aandeel aan deze dienende taak.* 18  (Met het loon voor onrechtvaardigheid+ kocht deze man een veld. Hij viel voorover,* zijn lichaam barstte open en al zijn ingewanden kwamen naar buiten.+ 19  Dat werd bekend bij alle inwoners van Jeruzalem en daarom werd het veld in hun taal Akeldama genoemd, wat ‘bloedveld’ betekent.) 20  In het boek Psalmen staat namelijk: “Laat zijn woonplaats verlaten worden en laat niemand er wonen.”+ En ook: “Laat iemand anders zijn opzienersambt overnemen.”+ 21  Daarom moeten we een van de mannen kiezen die met ons zijn opgetrokken in de hele periode dat de Heer Jezus onder ons was, 22  vanaf het moment dat hij door Johannes gedoopt werd+ tot de dag dat hij vanuit ons midden werd opgenomen.+ Hij moet samen met ons getuigen* van zijn opstanding.’+ 23  Dus stelden ze er twee voor: Jozef, die Ba̱rsabbas en ook Ju̱stus werd genoemd, en Matthi̱as. 24  Toen baden ze en zeiden: ‘Jehovah, u kent het hart van alle mensen.+ Wijs van deze twee mannen degene aan die u hebt uitgekozen 25  om deze heilige dienst en dit apostelschap over te nemen, die Judas de rug heeft toegekeerd om zijn eigen weg* te gaan.’+ 26  Toen wierpen ze het lot,+ en het lot viel op Matthi̱as. Hij werd aan de 11 apostelen toegevoegd.

Voetnoten

Of ‘glanzende’.
Of ‘deze dienst’.
Of mogelijk ‘zwol op’.
Of ‘een getuige worden’.
Lett.: ‘naar zijn eigen plaats’.

Aantekeningen

het eerste verslag: Lukas verwijst hier naar zijn evangelieverslag over Jezus’ leven. In dat verslag focuste hij op ‘alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin’. In het boek Handelingen gaat Lukas verder waar hij gebleven is en tekent hij op wat Jezus’ volgelingen zeiden en deden. De stijl en bewoordingen van de verslagen komen overeen, en beide verslagen zijn gericht aan Theofilus. Er wordt niet expliciet gezegd of Theofilus een discipel van Christus was. (Zie aantekening bij Lu 1:3.) Lukas begint het boek Handelingen met een samenvatting van de gebeurtenissen aan het eind van zijn evangelie, en geeft daarmee duidelijk aan dat dit tweede verslag een vervolg is op het eerste. Maar in deze samenvatting gebruikt hij soms iets andere bewoordingen en vermeldt hij andere details. (Vergelijk Lu 24:49 met Han 1:1-12.)

sleutels van het Koninkrijk van de hemel: Als in de Bijbel staat dat iemand (letterlijke of figuurlijke) sleutels kreeg, werd hem een mate van gezag toevertrouwd (1Kr 9:26, 27; Jes 22:20-22). Zo werd ‘sleutel’ een symbool voor gezag en verantwoordelijkheid. Petrus gebruikte de ‘sleutels’ die hem werden toevertrouwd om voor de Joden (Han 2:22-41), de Samaritanen (Han 8:14-17) en de heidenen (Han 10:34-38) de gelegenheid te openen om Gods geest te ontvangen en het Koninkrijk van de hemel binnen te gaan.

Handelingen van apostelen: De Griekse titel Praxeis Apostolon komt voor in een aantal manuscripten uit de tweede eeuw, hoewel er geen aanwijzingen zijn dat het boek oorspronkelijk een titel had. Het boek is een vervolg op het evangelie dat door Lukas geschreven is. (Zie aantekening bij Han 1:1.) Het behandelt voornamelijk de activiteiten van Petrus en Paulus, niet die van alle apostelen. Het boek geeft een uitgebreid, betrouwbaar verslag van het spectaculaire begin en de snelle groei van de christelijke gemeente, eerst onder de Joden, dan onder de Samaritanen en ten slotte onder de heidenen. (Zie aantekening bij Mt 16:19.) Ook geeft het de historische achtergrond van de geïnspireerde brieven in de Griekse Geschriften.

geachte: Het Grieks voor ‘geachte’ (kratistos) wordt gebruikt als een officiële term voor het aanspreken van hooggeplaatste personen (Han 23:26; 24:3; 26:25). Sommige geleerden denken dat het gebruik van deze term erop duidt dat Theofilus een hoge positie had voordat hij een christen werd. Anderen denken dat de Griekse term gewoon een vriendelijke of beleefde aanspreekvorm was of een uiting van groot respect. Kennelijk was Theofilus een christen, want hij was al ‘mondeling onderwezen’ over Jezus Christus en zijn bediening (Lu 1:4). Lukas’ verslag zou dan een bevestiging zijn van de betrouwbaarheid van het mondelinge onderwijs. Maar er is ook een andere uitleg mogelijk. Sommigen denken dat Theofilus een geïnteresseerde was die zich later bekeerde, terwijl anderen denken dat zijn naam, die ‘geliefd door God’, ‘vriend van God’ betekent, een pseudoniem was voor christenen in het algemeen. Als Lukas Theofilus aan het begin van de Handelingen van apostelen aanspreekt, gebruikt hij niet de uitdrukking geachte (Han 1:1).

geachte: Het Grieks voor ‘geachte’ (kratistos) wordt gebruikt als een officiële term voor het aanspreken van hooggeplaatste personen (Han 23:26; 24:3; 26:25). Sommige geleerden denken dat het gebruik van deze term erop duidt dat Theofilus een hoge positie had voordat hij een christen werd. Anderen denken dat de Griekse term gewoon een vriendelijke of beleefde aanspreekvorm was of een uiting van groot respect. Kennelijk was Theofilus een christen, want hij was al ‘mondeling onderwezen’ over Jezus Christus en zijn bediening (Lu 1:4). Lukas’ verslag zou dan een bevestiging zijn van de betrouwbaarheid van het mondelinge onderwijs. Maar er is ook een andere uitleg mogelijk. Sommigen denken dat Theofilus een geïnteresseerde was die zich later bekeerde, terwijl anderen denken dat zijn naam, die ‘geliefd door God’, ‘vriend van God’ betekent, een pseudoniem was voor christenen in het algemeen. Als Lukas Theofilus aan het begin van de Handelingen van apostelen aanspreekt, gebruikt hij niet de uitdrukking geachte (Han 1:1).

het eerste verslag: Lukas verwijst hier naar zijn evangelieverslag over Jezus’ leven. In dat verslag focuste hij op ‘alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin’. In het boek Handelingen gaat Lukas verder waar hij gebleven is en tekent hij op wat Jezus’ volgelingen zeiden en deden. De stijl en bewoordingen van de verslagen komen overeen, en beide verslagen zijn gericht aan Theofilus. Er wordt niet expliciet gezegd of Theofilus een discipel van Christus was. (Zie aantekening bij Lu 1:3.) Lukas begint het boek Handelingen met een samenvatting van de gebeurtenissen aan het eind van zijn evangelie, en geeft daarmee duidelijk aan dat dit tweede verslag een vervolg is op het eerste. Maar in deze samenvatting gebruikt hij soms iets andere bewoordingen en vermeldt hij andere details. (Vergelijk Lu 24:49 met Han 1:1-12.)

Theofilus: Het evangelie van Lukas en de Handelingen van apostelen zijn gericht aan deze man. In Lu 1:3 wordt hij aangesproken met ‘geachte Theofilus’. (Zie de aantekening bij Lu 1:3 voor meer informatie over deze aanspreekvorm en de achtergrond van Theofilus.)

het Koninkrijk van God: Het hoofdthema van de hele Bijbel, Jehovah’s Koninkrijk, treedt in Handelingen sterk op de voorgrond (Han 8:12; 14:22; 19:8; 20:25; 28:31). Het boek benadrukt dat de apostelen ‘een grondig getuigenis’ gaven over dat Koninkrijk en hun dienst grondig uitvoerden (Han 2:40; 5:42; 8:25; 10:42; 20:21, 24; 23:11; 26:22; 28:23).

De vastgestelde tijd is aangebroken: Of ‘de vastgestelde tijd is vervuld’. In deze context is ‘de vastgestelde tijd’ (Grieks: kairos) de tijd waarop volgens de voorzegging in de Schrift Jezus’ bediening op aarde zou beginnen en mensen de gelegenheid zouden krijgen in het goede nieuws te geloven. Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt voor de ‘tijd’ van inspectie die met Jezus’ bediening aanbrak (Lu 12:56; 19:44) en de ‘vastgestelde tijd’ van zijn dood (Mt 26:18, vtn.).

vastgestelde tijd van de heidenen: Of ‘tijd van de volken’. Het Griekse woord kairos (waarvan het meervoud hier vertaald is met ‘vastgestelde tijd’) kan duiden op een tijdstip, een vastgestelde periode of een tijd met bepaalde kenmerkende verschijnselen (Mt 13:30; 21:34; Mr 11:13). Het wordt gebruikt voor ‘de vastgestelde tijd’ waarop Jezus’ bediening zou beginnen (Mr 1:15) en de ‘vastgestelde tijd’ van zijn dood (Mt 26:18, vtn.). Het woord kairos wordt ook gebruikt voor toekomstige tijden of tijdperken in Gods regeling of tijdschema, vooral in verband met Christus’ aanwezigheid en zijn Koninkrijk (Han 1:7; 3:19; 1Th 5:1). Gezien de manier waarop kairos in de Bijbel wordt gebruikt, duidt de uitdrukking ‘vastgestelde tijd van de heidenen’ kennelijk niet op een vage of onbepaalde tijd, maar op een vastgestelde tijd met een begin en een eind. De term ‘heidenen’ of ‘volken’ is een weergave van het meervoud van het Griekse ethnos, dat door de Bijbelschrijvers vaak specifiek gebruikt werd voor de niet-Joodse volken.

tijden of tijdperken: Hier worden twee aspecten van tijd genoemd. Het meervoud van het Griekse chronos, dat met tijden is weergegeven, kan op een niet-gespecificeerde tijdsperiode duiden, die lang of kort kan zijn. Het Griekse kairos (waarvan het meervoud hier is weergegeven met tijdperken en dat soms is vertaald met ‘vastgestelde tijd’) wordt vaak gebruikt voor toekomstige tijdsperioden in Gods regeling of tijdschema, vooral in verband met Christus’ aanwezigheid en zijn Koninkrijk (Han 3:19; 1Th 5:1; zie aantekeningen bij Mr 1:15 en Lu 21:24).

onder zijn eigen gezag: Of ‘onder zijn eigen rechtsmacht’. Deze term duidt erop dat Jehovah zich het recht voorbehoudt om ‘de tijden of tijdperken’ vast te stellen voor de vervulling van zijn voornemens. Hij is de Grote Tijdsbepaler. Voordat Jezus stierf, zei hij dat zelfs de Zoon op dat moment niet wist op welke dag of welk uur het einde zou komen, maar dat ‘alleen de Vader’ dat wist (Mt 24:36; Mr 13:32).

zette de geest hem ertoe aan (...) te gaan: Of ‘bewoog de actieve kracht hem ertoe (...) te gaan’. Het Griekse pneuma verwijst hier naar Gods geest, die als een aandrijvende kracht kan werken en iemand ertoe kan aanzetten dingen te doen in overeenstemming met Gods wil (Lu 4:1; zie Woordenlijst).

als getuige: Of ‘tot (voor) een getuigenis’. Het Griekse zelfstandig naamwoord voor getuige (marturia) komt twee keer zo vaak voor in het evangelie van Johannes als in de drie andere evangeliën bij elkaar. Het verwante werkwoord, dat wordt vertaald met getuigen (martureo), komt in Johannes’ evangelie 39 keer voor — en maar 2 keer in de andere evangeliën (Mt 23:31; Lu 4:22, vtn.). Dit Griekse werkwoord wordt zo vaak in verband met Johannes de Doper gebruikt dat hij volgens sommigen ‘Johannes de Getuige’ moet worden genoemd (Jo 1:8, 15, 32, 34; 3:26; 5:33; zie aantekening bij Jo 1:19). In Johannes’ evangelie wordt dit werkwoord vaak ook gebruikt in verband met Jezus’ bediening. Van Jezus wordt vaak gezegd dat hij ‘getuigt’ (Jo 8:14, 17, 18). Vooral interessant zijn Jezus’ woorden tot Pontius Pilatus: ‘Hiervoor ben ik geboren en hiervoor ben ik in de wereld gekomen: om te getuigen van de waarheid’ (Jo 18:37). In de Openbaring aan Johannes wordt Jezus ‘de Trouwe Getuige’ en ‘de trouwe en ware getuige’ genoemd (Opb 1:5; 3:14).

getuigen: De Griekse woorden voor ‘getuigen’ (martureo) en ‘getuigenis’, ‘getuige’ (marturia en martus) worden in de Griekse Geschriften in verschillende betekenissen gebruikt. De grondbetekenis is het getuigen van feiten die iemand persoonlijk of uit de eerste hand kent, maar ze kunnen ook de gedachte omvatten van ‘verklaren’, ‘bevestigen’, ‘gunstig spreken over’. Jezus getuigde van waarheden waarvan hij overtuigd was en verkondigde ze. Maar daarnaast bevestigde hij door zijn manier van leven de waarheid van het profetische woord en de beloften van zijn Vader (2Kor 1:20). Gods voornemen in verband met het Koninkrijk en de Messiaanse Regeerder ervan was in detail voorspeld. Jezus heeft door zijn hele leven op aarde, dat eindigde in zijn offerdood, alle profetieën over hem vervuld, inclusief de schaduwen of voorafbeeldingen in het wetsverbond (Kol 2:16, 17; Heb 10:1). Er kan dus gezegd worden dat Jezus in woord en daad ‘getuigde van de waarheid’.

nog grotere dingen: Jezus zegt niet dat de wonderen die zijn discipelen zouden doen groter zouden zijn dan zijn eigen wonderen. In plaats daarvan erkent hij nederig dat hun predikings- en onderwijzingswerk een grotere omvang zou hebben dan dat van hem. Zijn volgelingen zouden een groter gebied bewerken, meer mensen bereiken en langer prediken dan hij. Jezus’ woorden laten duidelijk zien dat hij verwachtte dat zijn volgelingen zijn werk zouden voortzetten.

op de hele bewoonde aarde (...) alle volken: Beide uitdrukkingen laten de omvang van de prediking uitkomen. In een ruime betekenis slaat het Griekse woord voor ‘bewoonde aarde’ (oikoumene) op de aarde als woonplaats van de mensheid (Lu 4:5; Han 17:31; Ro 10:18; Opb 12:9; 16:14). In de eerste eeuw werd het woord ook gebruikt voor het enorme Romeinse Rijk waarover de Joden waren verspreid (Lu 2:1; Han 24:5). In algemene zin slaat het Griekse woord voor volk (ethnos) op een groep mensen die min of meer aan elkaar verwant zijn door bloed en die een gemeenschappelijke taal hebben. Zo’n nationale of etnische groep woont vaak in een afgebakend geografisch gebied.

overal in de wereld (...) gepredikt: In overeenstemming met zijn profetie in Mt 24:14 voorspelt Jezus hier dat het goede nieuws in de hele wereld verkondigd zou worden en dat het ook zou omvatten wat de vrouw uit toewijding had gedaan. God inspireerde drie evangelieschrijvers ertoe te vermelden wat ze deed (Mr 14:8, 9; Jo 12:7; zie aantekening bij Mt 24:14).

mensen uit alle volken: Lett.: ‘alle volken’. Uit de context blijkt dat de uitdrukking slaat op personen uit alle volken, aangezien het Griekse voornaamwoord voor ‘ze’ in de uitdrukking doop ze mannelijk is en verwijst naar mensen, niet naar ‘volken’, dat in het Grieks onzijdig is. Deze opdracht om ‘mensen uit alle volken’ te bereiken was nieuw. De Bijbel laat zien dat heidenen vóór Jezus’ bediening welkom waren in Israël als ze Jehovah wilden aanbidden (1Kon 8:41-43). Maar met dit gebod geeft Jezus zijn discipelen de opdracht om ook tot niet-Joden te prediken, waarmee hij laat uitkomen dat christenen wereldwijd discipelen moeten maken (Mt 10:1, 5-7; Opb 7:9; zie aantekening bij Mt 24:14).

de heilige geest: Of ‘de heilige actieve kracht’. In het boek Handelingen komt de uitdrukking ‘heilige geest’ 41 keer voor, en er zijn minstens 15 andere plaatsen waar het woord geest (Grieks: pneuma) verwijst naar Gods heilige geest. (Zie bijvoorbeeld Han 2:4, 17, 18; 5:9; 11:28 en 21:4; zie ook Woordenlijst ‘Geest’.) Zo maakt dit Bijbelboek steeds opnieuw duidelijk dat het internationale predikings- en onderwijzingswerk dat Jezus’ volgelingen zouden doen, alleen met de hulp van Gods actieve kracht uitgevoerd kon worden. (Vergelijk de aantekening bij Mr 1:12.)

getuigen van mij: Als trouwe Joden waren Jezus’ eerste discipelen al getuigen van Jehovah en getuigden ze ervan dat Jehovah de enige ware God is (Jes 43:10-12; 44:8). Maar nu moesten de discipelen getuigen zijn van Jehovah en Jezus. Ze moesten vertellen over Jezus’ belangrijke rol in de heiliging van Jehovah’s naam door middel van Zijn Messiaanse Koninkrijk, een nieuw aspect van Jehovah’s voornemen. Handelingen gebruikt de Griekse woorden voor ‘getuige’ (martus), ‘getuigen’ (martureo), ‘grondig getuigenis geven’ (diamarturomai) en verwante woorden vaker dan elk ander Bijbelboek, met uitzondering van het evangelie van Johannes. (Zie aantekening bij Jo 1:7.) Een getuige zijn en een grondig getuigenis geven over Gods voornemens — met inbegrip van zijn Koninkrijk en de belangrijke rol van Jezus — is een thema dat als een rode draad door het boek Handelingen loopt (Han 2:32, 40; 3:15; 4:33; 5:32; 8:25; 10:39; 13:31; 18:5; 20:21, 24; 22:20; 23:11; 26:16; 28:23). Sommige christenen in de eerste eeuw konden uit persoonlijke ervaring getuigen van de historische feiten over Jezus’ leven, dood en opstanding (Han 1:21, 22; 10:40, 41). Degenen die later in Jezus gingen geloven, legden getuigenis af door de betekenis van zijn leven, dood en opstanding te verkondigen (Han 22:15; zie aantekening bij Jo 18:37).

tot in de meest afgelegen delen van de aarde: Of ‘tot de uiteinden (het uiterste) van de aarde’. Dezelfde Griekse uitdrukking wordt in Han 13:47 gebruikt in een profetie die geciteerd wordt uit Jes 49:6, waar de Griekse Septuaginta deze uitdrukking ook gebruikt. Jezus’ uitspraak in Han 1:8 doet denken aan die profetie, waarin voorspeld werd dat Jehovah’s dienaar ‘een licht voor de volken’ zou zijn zodat redding ‘tot de uiteinden van de aarde’ zou reiken. Dat stemt overeen met Jezus’ eerdere opmerking dat zijn volgelingen ‘grotere dingen’ zouden doen dan hij. (Zie aantekening bij Jo 14:12.) Jezus’ uitspraak past ook bij zijn beschrijving van de wereldwijde omvang van het christelijke predikingswerk. (Zie aantekeningen bij Mt 24:14; 26:13 en 28:19.)

mannen in witte kleren: Dit duidt op engelen. (Vergelijk Lu 24:4, 23.) In het boek Handelingen komt het Griekse woord voor engel (aggelos) 21 keer voor, te beginnen bij Han 5:19.

op een opvallende manier: Lett.: ‘met opvallende waarneembaarheid’. De Griekse uitdrukking die hier wordt gebruikt, komt maar één keer in de Griekse Geschriften voor en is afgeleid van een werkwoord dat ‘in de gaten houden’, ‘waarnemen’ betekent. Volgens sommige geleerden werd de uitdrukking in medische geschriften gebruikt voor het kijken naar de symptomen van een ziekte. Zoals het woord hier wordt gebruikt, lijkt het de gedachte over te brengen dat het Koninkrijk van God niet komt op een manier die voor iedereen duidelijk is.

de hemel: Het Griekse ouranos komt in dit vers drie keer voor en kan duiden op de letterlijke hemel (de lucht) of op de geestelijke hemel.

zal op dezelfde manier komen: Het Griekse woord voor komen (erchomai) komt in de Bijbel vaak voor, in allerlei betekenissen. In sommige contexten duidt het op Jezus’ komst als Rechter tijdens de grote verdrukking om het oordeel uit te spreken en te voltrekken (Mt 24:30; Mr 13:26; Lu 21:27). Maar dit Griekse woord wordt ook gebruikt voor andere gebeurtenissen in verband met Jezus (Mt 16:28; 21:5, 9; 23:39; Lu 19:38). In welke betekenis ‘komen’ hier wordt gebruikt, wordt dus bepaald door de context. De engelen zeiden dat Jezus op dezelfde ‘manier’ (Grieks: tropos) zou ‘komen’ of terugkomen als hij was gegaan. Het woord tropos duidt niet op dezelfde gedaante of hetzelfde lichaam, maar op dezelfde manier. Zoals uit de context blijkt, werd de manier waarop Jezus vertrok niet waargenomen door de wereld in het algemeen. Alleen de apostelen waren zich ervan bewust dat Jezus de omgeving van de aarde verliet om terug te gaan naar zijn Vader in de hemel. Jezus had aangegeven dat zijn terugkeer als Koning van ‘het Koninkrijk van God’ niet zou plaatsvinden op een manier die duidelijk was voor iedereen — alleen zijn discipelen zouden ervan weten (zie aantekening bij Lu 17:20). De komst die in Opb 1:7 wordt vermeld is anders. Bij die gelegenheid ‘zal elk oog hem zien’ (Opb 1:7). In de context van Han 1:11 slaat ‘komen’ dus kennelijk op Jezus’ onzichtbare komst in Koninkrijksmacht als zijn aanwezigheid begint (Mt 24:3).

een sabbatsreis: Dat wil zeggen de afstand die een Israëliet op de sabbat mocht afleggen. De uitdrukking wordt hier in verband gebracht met de afstand tussen de Olijfberg en de stad Jeruzalem. De wet beperkte reizen op de sabbat maar vermeldde niet specifiek welke afstand afgelegd mocht worden (Ex 16:29). Na verloop van tijd stelden rabbijnse bronnen de afstand die een Jood mocht afleggen vast op 2000 el (890 m). Die interpretatie was gebaseerd op Nu 35:5: ‘Meet buiten de stad (...) 2000 el’, en op Joz 3:3, 4, waar staat dat de Israëlieten een afstand van zo’n 2000 el moesten bewaren tot ‘de ark van het verbond’. De rabbi’s redeneerden dat een Israëliet op de sabbat minstens die afstand mocht afleggen om in de tabernakel Jehovah te aanbidden (Nu 28:9, 10). Josephus stelt de afstand tussen Jeruzalem en de Olijfberg één keer op vijf stadie (925 m) en een andere keer op zes stadie (1110 m). Mogelijk komt dat doordat hij beide keren uitgaat van een ander vertrekpunt. In ieder geval is de afstand ongeveer gelijk aan de sabbatsreis zoals de rabbi’s die hadden vastgesteld. Bovendien komt de afstand overeen met Lukas’ opmerking in dit vers.

de ijverige: Een aanduiding waarmee de apostel Simon wordt onderscheiden van de apostel Simon Petrus (Lu 6:14, 15). Het Griekse woord zelotes dat hier en in Lu 6:15 wordt gebruikt betekent ‘zeloot’, ‘ijveraar’. De verslagen in Mt 10:4 en Mr 3:18 gebruiken de aanduiding ‘de Kananeeër’, een term die ook ‘zeloot’, ‘ijveraar’ betekent en naar men denkt uit het Hebreeuws of het Aramees komt. Het is mogelijk dat Simon ooit lid was van de zeloten, een Joodse groepering die tegen de Romeinen was, maar het kan ook zijn dat hij deze aanduiding kreeg vanwege zijn ijver en enthousiasme.

broers: Het Griekse adelfos kan in de Bijbel duiden op een geestelijke band, maar hier wordt het gebruikt voor Jezus’ halfbroers, de jongere zonen van Jozef en Maria. Sommigen die geloven dat Maria na de geboorte van Jezus maagd bleef, beweren dat adelfos hier op neven duidt. Maar in de Griekse Geschriften wordt een afzonderlijk woord gebruikt voor ‘neef’ (Grieks: anepsios in Kol 4:10) en een andere uitdrukking voor ‘de zoon van Paulus’ zus’ (Han 23:16). En in Lu 21:16 wordt het meervoud van de Griekse woorden adelfos en suggenes gebruikt (weergegeven als ‘broers’ en ‘familie’). Uit die voorbeelden blijkt dat de termen voor familierelaties in de Griekse Geschriften niet willekeurig of zonder onderscheid worden gebruikt.

zijn broers: Dat wil zeggen Jezus’ halfbroers. De vier evangeliën, Handelingen van apostelen en twee van Paulus’ brieven hebben het over ‘de broers van de Heer’, ‘de broer van de Heer’, ‘zijn broers’ en ‘zijn zussen’ en vermelden de namen van vier van de ‘broers’: Jakobus, Jozef, Simon en Judas (1Kor 9:5; Ga 1:19; Mt 12:46; 13:55, 56; Mr 3:31; Lu 8:19; Jo 2:12). Deze broers en zussen werden allemaal geboren na de wonderbaarlijke geboorte van Jezus. De meeste Bijbelgeleerden maken uit de aanwijzingen op dat Jezus minstens vier broers en twee zussen had en dat zij natuurlijke nakomelingen van Jozef en Maria waren. (Zie aantekening bij Mt 13:55.)

broers: Het Griekse adelfos kan in de Bijbel duiden op een geestelijke band, maar hier wordt het gebruikt voor Jezus’ halfbroers, de jongere zonen van Jozef en Maria. Sommigen die geloven dat Maria na de geboorte van Jezus maagd bleef, beweren dat adelfos hier op neven duidt. Maar in de Griekse Geschriften wordt een afzonderlijk woord gebruikt voor ‘neef’ (Grieks: anepsios in Kol 4:10) en een andere uitdrukking voor ‘de zoon van Paulus’ zus’ (Han 23:16). En in Lu 21:16 wordt het meervoud van de Griekse woorden adelfos en suggenes gebruikt (weergegeven als ‘broers’ en ‘familie’). Uit die voorbeelden blijkt dat de termen voor familierelaties in de Griekse Geschriften niet willekeurig of zonder onderscheid worden gebruikt.

zijn broers: Dat wil zeggen Jezus’ halfbroers. De vier evangeliën, Handelingen van apostelen en twee van Paulus’ brieven hebben het over ‘de broers van de Heer’, ‘de broer van de Heer’, ‘zijn broers’ en ‘zijn zussen’ en vermelden de namen van vier van de ‘broers’: Jakobus, Jozef, Simon en Judas (1Kor 9:5; Ga 1:19; Mt 12:46; 13:55, 56; Mr 3:31; Lu 8:19; Jo 2:12). Deze broers en zussen werden allemaal geboren na de wonderbaarlijke geboorte van Jezus. De meeste Bijbelgeleerden maken uit de aanwijzingen op dat Jezus minstens vier broers en twee zussen had en dat zij natuurlijke nakomelingen van Jozef en Maria waren. (Zie aantekening bij Mt 13:55.)

de broeders: Soms worden mannelijke christenen aangeduid met ‘broeder’ en vrouwelijke christenen met ‘zuster’ (1Kor 7:14, 15). In andere gevallen, bijvoorbeeld in deze context, gebruikt de Bijbel ‘broeders’ voor zowel mannen als vrouwen (Han 1:13, 14). ‘Broeders’ was een gebruikelijke begroeting voor gemengde groepen en was over het algemeen niet alleen op mannen van toepassing (Ro 1:13; 1Th 1:4). De term wordt in die betekenis in de meeste geïnspireerde christelijke brieven gebruikt. In het voorgaande vers (Han 1:14) wordt de meervoudsvorm van adelfos gebruikt voor Jezus’ halfbroers, de jongere zonen van Jozef en Maria. (Zie aantekeningen bij Mt 13:55 en Han 1:14.)

personen: Lett.: ‘menigte van namen’. Het Griekse woord voor naam (onoma) duidt in deze context op een persoon. Het wordt op dezelfde manier gebruikt in Opb 3:4, vtn.

Mannen, broeders: Anders dan in het voorgaande vers wordt ‘broeders’ hier gebruikt in combinatie met het Griekse woord voor mannen (aner). Omdat de context gaat over het uitkiezen van degene die Judas Iskariot als apostel zou vervangen, kan deze combinatie erop duiden dat alleen de mannelijke leden van de gemeente werden aangesproken.

viel voorover, zijn lichaam barstte open: In Mattheüs’ verslag over de dood van Judas staat dat Judas ‘zich ophing’, wat duidelijk maakt hoe hij zelfmoord pleegde (Mt 27:5). Lukas beschrijft hier het resultaat. Uit de twee verslagen kunnen we opmaken dat Judas zich in de buurt van een afgrond probeerde op te hangen maar dat het touw of de boomtak op een bepaald moment is afgebroken zodat hij naar beneden stortte en zijn lichaam op de rotsen eronder openbarstte. Aangezien Jeruzalem in een steile, rotsachtige omgeving ligt, is dat een aannemelijke conclusie.

opzieners: Het Griekse woord voor opziener (episkopos) is verwant aan het werkwoord episkopeo, dat ‘goed opletten’ betekent (Heb 12:15), en aan het zelfstandig naamwoord episkope, dat de betekenis heeft van ‘inspectie’ (Lu 19:44, Kingdom Interlinear; 1Pe 2:12), ‘opziener zijn’ (1Ti 3:1) of ‘opzienersambt’ (Han 1:20). De opziener was dus degene die gemeenteleden bezocht, inspecteerde en leiding gaf. De grondgedachte van het Griekse woord is beschermend opzicht. Opzieners in de christelijke gemeente hebben de taak om in geestelijk opzicht zorg te dragen voor hun geloofsgenoten. Paulus gebruikt hier het woord opzieners als hij tot de ouderlingen van de gemeente in Efeze spreekt (Han 20:17). In zijn brief aan Titus gebruikt hij het woord opziener als hij de vereisten beschrijft voor ouderlingen in de christelijke gemeente (Tit 1:5, 7). Beide termen slaan dus op dezelfde positie. ‘Ouderling’ (presbuteros) benadrukt de geestelijke volwassenheid van degene die is aangesteld en ‘opziener’ (episkopos) benadrukt de taken die erbij horen. Dit verslag over Paulus’ bijeenkomst met de ouderlingen uit Efeze laat duidelijk zien dat er in die gemeente meerdere opzieners waren. Er was geen vastgesteld aantal opzieners per gemeente. Het aantal ouderlingen hing af van het aantal geestelijk rijpe mannen in die gemeente. Toen Paulus aan de christenen in Filippi schreef, had hij het ook over de ‘opzieners’ daar (Fil 1:1), wat erop wijst dat ze als een lichaam dienden en toezicht hielden op wat er in die gemeente gebeurde. (Zie aantekening bij Han 1:20.)

zijn opzienersambt: Of ‘zijn taak als opziener’. Het Griekse woord dat hier wordt gebruikt (episkope) is verwant aan het Griekse zelfstandig naamwoord voor opziener (episkopos) en het werkwoord episkopeo, dat in Heb 12:15 vertaald is met ‘let goed op’. Petrus citeerde Ps 109:8 als ondersteuning voor zijn aanbeveling om iemand aan te stellen ter vervanging van de ontrouwe apostel Judas. In dat gedeelte staat in de Hebreeuwse tekst peqoeddah, dat kan worden vertaald met ‘opzienersambt’, ‘toezicht’ of ‘opzieners’ (Nu 4:16; Jes 60:17). In Ps 109:8 in de Septuaginta (108:8, LXX) is dit Hebreeuwse woord vertaald met hetzelfde Griekse woord dat Lukas hier in Han 1:20 gebruikte. Deze geïnspireerde uitspraak van Petrus maakt duidelijk dat de apostelen een ambt of taak als opziener hadden. Ze waren rechtstreeks door Jezus aangesteld (Mr 3:14). Op de dag van Pinksteren 33 begon de christelijke gemeente, die binnen één dag van zo’n 120 naar zo’n 3000 leden groeide, met 12 opzieners (Han 1:15; 2:41). Daarna werden anderen als opziener aangesteld om te helpen bij de zorg voor de groeiende gemeente. Maar het opzienerschap van de apostelen bleef iets bijzonders, want het was blijkbaar Jehovah’s voornemen dat de 12 apostelen de toekomstige ‘12 fundamentstenen’ van het Nieuwe Jeruzalem zouden vormen (Opb 21:14; zie aantekening bij Han 20:28).

onder ons was: Lett.: ‘onder ons in- en uitging’, een weergave van een Semitisch idioom dat duidt op het verrichten van dagelijkse activiteiten samen met anderen. Het kan ook worden vertaald met ‘onder ons leefde’. (Vergelijk De 28:6, 19; Ps 121:8, vtn.)

Matthias: De Griekse naam Maththias is waarschijnlijk een verkorte vorm van Mattathias en is afgeleid van de Hebreeuwse naam die wordt weergegeven met ‘Mattithja’ (1Kr 15:18), dat ‘geschenk van Jehovah’ betekent. Volgens Petrus’ woorden (Han 1:21, 22) was Matthias een volgeling van Christus gedurende Jezus’ hele bediening van drieënhalf jaar. Hij ging veel om met de apostelen en was waarschijnlijk een van de 70 discipelen die Jezus eropuit stuurde om te prediken (Lu 10:1). Nadat Matthias was uitgekozen, ‘werd hij aan de 11 apostelen toegevoegd’ (Han 1:26), en als in Handelingen direct daarna over ‘de apostelen’ of ‘de twaalf’ wordt gesproken, hoorde Matthias daarbij (Han 2:37, 43; 4:33, 36; 5:12, 29; 6:2, 6; 8:1, 14).

Jehovah: De beschikbare Griekse manuscripten gebruiken hier ‘Heer’ (Grieks: Kurios). Maar zoals in App. C wordt uitgelegd, zijn er goede redenen om aan te nemen dat in dit vers oorspronkelijk Gods naam stond en dat die later werd vervangen door de titel Heer. Daarom wordt hier in de hoofdtekst de naam Jehovah gebruikt.

u kent het hart van alle mensen: In de Hebreeuwse Geschriften wordt herhaaldelijk gezegd dat Jehovah God het hart van mensen kan lezen (De 8:2; 1Sa 16:7; 1Kon 8:39; 1Kr 28:9; Ps 44:21; Jer 11:20; 17:10). Het zal in deze context voor die Hebreeuwssprekende Joden dan ook heel natuurlijk zijn geweest om Gods naam te gebruiken in hun gebed. Het Griekse woord dat is vertaald met ‘u kent het hart van alle mensen’ (kardiognostes, lett.: ‘kenner van harten’) komt alleen hier voor en in Han 15:8, waar staat: ‘God, die het hart kent.’

verdeelden ze zijn bovenkleren: Het verslag in Jo 19:23, 24 vermeldt aanvullende details die Mattheüs, Markus en Lukas niet noemen: Romeinse soldaten wierpen blijkbaar het lot over zowel het bovenkleed als het onderkleed, de soldaten verdeelden de bovenkleren in vieren (‘voor elke soldaat een deel’), ze verlootten het onderkleed omdat ze dat niet wilden verdelen, en het werpen van het lot over de kleding van de Messias was een vervulling van Ps 22:18. Het was blijkbaar de gewoonte dat de beulen de kleding van hun slachtoffers mochten houden, dus de kleren en bezittingen van misdadigers werden hun vóór hun terechtstelling afgenomen, wat de vernedering nog groter maakte.

wierpen ze het lot: Bij het nemen van beslissingen over allerlei onderwerpen wierpen aanbidders van Jehovah in voorchristelijke tijden het lot om na te gaan wat zijn wil was (Le 16:8; Nu 33:54; 1Kr 25:8; Sp 16:33; 18:18; zie Woordenlijst ‘Loten’). In de Griekse Geschriften wordt alleen in dit geval gezegd dat Jezus’ volgelingen het lot wierpen. De discipelen wierpen het lot om te bepalen welke van de twee kandidaten Judas Iskariot als apostel moest vervangen. Ze wisten dat ze Jehovah’s leiding daarbij nodig hadden. De 12 apostelen waren allemaal rechtstreeks door Jezus aangesteld nadat hij een hele nacht tot zijn Vader had gebeden (Lu 6:12, 13). Het is daarom betekenisvol dat de discipelen voordat ‘het lot op Matthias viel’ meerdere teksten doornamen en specifiek tot Jehovah baden of hij zijn keus wilde ‘aanwijzen’ (Han 1:20, 23, 24). Maar nergens in de Bijbel staat dat na Pinksteren 33 loting werd gebruikt om opzieners en hun assistenten uit te kiezen of om belangrijke beslissingen te nemen. Die methode was niet nodig toen de heilige geest eenmaal werkzaam was in de christelijke gemeente (Han 6:2-6; 13:2; 20:28; 2Ti 3:16, 17). Opzieners werden niet uitgekozen op basis van loting, maar omdat ze in hun leven de vrucht van de heilige geest aan de dag legden (1Ti 3:1-13; Tit 1:5-9). Ook in andere culturen was het gebruikelijk het lot te werpen (Es 3:7; Joë 3:3; Ob 11). De Romeinse soldaten verlootten bijvoorbeeld Jezus’ kleding, zoals was voorspeld in Ps 22:18. Kennelijk deden ze dat niet om een Bijbelprofetie te vervullen maar om er zelf beter van te worden (Jo 19:24; zie aantekening bij Mt 27:35).

aan (...) toegevoegd: Of ‘tot (...) gerekend’, dat wil zeggen dat Matthias net zo bezien werd als de andere 11 apostelen. Met Pinksteren waren er dus 12 apostelen die als fundament van het geestelijke Israël zouden dienen. Matthias zal een van ‘de twaalf’ zijn geweest die aanwezig waren toen Jezus na zijn opstanding verscheen (1Kor 15:4-8) en die later hielpen het probleem met de Griekssprekende discipelen op te lossen (Han 6:1, 2).

Media

Video Inleiding tot Handelingen
Video Inleiding tot Handelingen
Bethfagé, de Olijfberg en Jeruzalem
Bethfagé, de Olijfberg en Jeruzalem

In dit filmpje benaderen we Jeruzalem vanuit het oosten en gaan we vanuit het hedendaagse dorp et-Tur (naar verluidt het Bijbelse Bethfagé) naar een van de hoogste punten van de Olijfberg. Bethanië ligt ten oosten van Bethfagé op de oostelijke helling van de Olijfberg. Als Jezus en zijn discipelen in Jeruzalem waren, overnachtten ze meestal in Bethanië. Daar ligt tegenwoordig al-Eizariya (al-Izzariya), wat Arabisch is voor ‘de plaats van Lazarus’. Jezus verbleef ongetwijfeld in het huis van Martha, Maria en Lazarus (Mt 21:17; Mr 11:11; Lu 21:37; Jo 11:1). Als hij vanuit hun huis naar Jeruzalem ging, nam hij misschien een vergelijkbare route als in het filmpje getoond wordt. Toen hij op 9 nisan 33 op een ezelsveulen over de Olijfberg naar Jeruzalem reed, heeft hij waarschijnlijk vanuit Bethfagé de weg naar Jeruzalem gevolgd.

1. Weg van Bethanië naar Bethfagé

2. Bethfagé

3. Olijfberg

4. Kidrondal

5. Tempelberg

Bovenkamer
Bovenkamer

Sommige huizen in Israël hadden een bovenverdieping. Die ruimte kon bereikt worden via een ladder of houten trap in het huis of via een ladder of stenen trap aan de buitenkant. In een grote bovenkamer, mogelijk zoals die op de afbeelding, vierde Jezus met zijn discipelen het laatste Pascha en stelde hij de herdenking in van het Avondmaal van de Heer (Lu 22:12, 19, 20). Met Pinksteren 33 waren zo’n 120 discipelen kennelijk in een bovenkamer van een huis in Jeruzalem toen Gods geest op hen werd uitgestort (Han 1:15; 2:1-4).