Volgens Mattheüs 13:1-58

13  Nadat Jezus die dag het huis had verlaten, ging hij aan het meer zitten.  Er verzamelde zich zo’n grote menigte dat hij in een boot stapte en ging zitten, terwijl de menigte op de oever stond.+  Toen onderwees hij hun veel dingen door middel van illustraties.+ Hij zei: ‘Een zaaier ging op weg om te zaaien.+  Tijdens het zaaien vielen sommige zaadjes langs de weg, en er kwamen vogels die ze opaten.+  Andere zaadjes vielen op rotsgrond waar niet veel aarde was, en ze schoten meteen op omdat de grond niet diep was.+  Maar toen de zon opkwam, werden ze door de hitte verschroeid, en ze verdorden omdat ze geen wortels hadden.  Er waren ook zaadjes die tussen de distels vielen. De distels kwamen op en verstikten het zaad.+  Weer andere zaadjes vielen in goede aarde en leverden vrucht op: de een 100, de ander 60 en weer een ander 30 keer zo veel.+  Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren.’+ 10  De discipelen kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Waarom gebruik je illustraties als je hen toespreekt?’+ 11  Hij antwoordde: ‘Jullie hebben het voorrecht* de heilige geheimen+ van het Koninkrijk van de hemel te begrijpen, maar zij niet. 12  Want wie heeft, zal meer krijgen en zelfs overvloed hebben. Maar van wie niets heeft, zal zelfs wat hij heeft worden afgenomen.+ 13  Daarom gebruik ik illustraties als ik hen toespreek. Want ze kijken wel maar zien niets, en ze luisteren wel maar horen niets en begrijpen de betekenis niet.+ 14  Zij vormen de vervulling van de profetie van Jesaja: “Jullie zullen wel horen maar de betekenis niet begrijpen, en jullie zullen wel kijken maar niets zien.+ 15  Want het hart van dit volk is ongevoelig geworden,* hun oren hebben ze dichtgestopt* en hun ogen hebben ze gesloten. Daardoor zullen ze nooit met hun ogen zien en met hun oren horen en zullen ze niet met hun hart de betekenis begrijpen en terugkeren en door mij genezen worden.”+ 16  Maar jullie zijn gelukkig omdat jullie ogen zien en jullie oren horen.+ 17  Want ik verzeker jullie: veel profeten en rechtvaardigen hebben ernaar verlangd te zien wat jullie zien, maar hebben het niet gezien,+ en hebben ernaar verlangd te horen wat jullie horen, maar hebben het niet gehoord. 18  Luister nu naar de illustratie van de zaaier.+ 19  Als iemand het woord over het Koninkrijk hoort maar de betekenis ervan niet begrijpt, komt de goddeloze+ en rukt weg wat in zijn hart is gezaaid. Dat is het zaad dat langs de weg terechtkwam.+ 20  Het zaad dat op de rotsgrond valt, dat is degene die het woord hoort en het meteen met vreugde aanneemt.+ 21  Toch schiet het woord geen wortel in hem. Hij houdt het een tijdje vol, maar als er vanwege het woord vervolging of moeilijkheden ontstaan, struikelt hij meteen. 22  Het zaad dat tussen de distels terechtkomt, dat is degene die het woord hoort, maar de zorgen van deze wereld+ en de verleiding van rijkdom* verstikken het woord en het* kan geen vrucht dragen.+ 23  Het zaad dat in goede aarde valt, dat is degene die het woord hoort en de betekenis ervan begrijpt. Zo iemand draagt vrucht: de een 100, de ander 60 en weer een ander 30 keer zo veel.’+ 24  Hij vertelde hun nog een illustratie: ‘Het Koninkrijk van de hemel kan vergeleken worden met iemand die goed zaad op zijn akker zaaide.+ 25  Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging weer weg. 26  Toen de tarwe opkwam en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid op. 27  Daarom gingen de slaven naar de eigenaar toe en zeiden: “Meester, u hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat?” 28  Hij antwoordde: “Een vijand, een mens, heeft dat gedaan.”+ De slaven zeiden tegen hem: “Wilt u dat we het onkruid verzamelen?” 29  Hij zei: “Nee, want anders zouden jullie tijdens het verzamelen van het onkruid ook de tarwe eruit trekken. 30  Laat ze samen opgroeien tot de oogst, en in de oogsttijd zal ik de oogsters de opdracht geven: ‘Verzamel eerst het onkruid en bind het in bundels om het te verbranden. Breng daarna de tarwe bijeen in mijn voorraadschuur.’”’+ 31  Hij vertelde hun nog een illustratie: ‘Het Koninkrijk van de hemel is als een mosterdzaadje dat iemand op zijn akker zaaide.+ 32  Het is het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot het grootste van de tuingewassen en wordt een boom, zodat de vogels van de hemel in de takken komen nestelen.’ 33  Hij vertelde hun een andere illustratie: ‘Het Koninkrijk van de hemel is als zuurdesem die een vrouw door drie grote maten meel mengde, en uiteindelijk was de hele deegmassa gegist.’+ 34  Jezus vertelde de mensen al die dingen door middel van illustraties. Hij vertelde hun niets zonder illustraties,+ 35  zodat vervuld zou worden wat via de profeet was gezegd: ‘Ik zal mijn mond openen met illustraties, ik zal dingen verkondigen die vanaf de grondlegging verborgen zijn geweest.’+ 36  Nadat hij de menigte had laten weggaan, ging hij het huis binnen. Zijn discipelen kwamen naar hem toe en zeiden: ‘Wil je ons de illustratie van het onkruid op de akker uitleggen?’ 37  Hij antwoordde: ‘De zaaier van het goede zaad is de Mensenzoon. 38  De akker is de wereld.+ Het goede zaad, dat zijn de zonen van het Koninkrijk, maar het onkruid, dat zijn de zonen van de goddeloze.+ 39  De vijand die het onkruid zaaide, is de Duivel. De oogst betekent het einde van een tijdperk, en de oogsters zijn engelen. 40  Zoals het onkruid wordt verzameld en verbrand, zo zal het ook gaan aan het einde van het tijdperk.+ 41  De Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen alle struikelblokken en iedereen die wetteloos leeft, uit zijn Koninkrijk verzamelen 42  en in de brandende oven gooien.+ Daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43  In die tijd zullen de rechtvaardigen zo helder als de zon stralen+ in het Koninkrijk van hun Vader. Laat iedereen die oren heeft, goed luisteren. 44  Het Koninkrijk van de hemel is als een schat die in het veld verborgen lag. Een man vond die schat en verborg hem opnieuw. Hij was zo blij dat hij alles verkocht wat hij had en het veld kocht.+ 45  Het Koninkrijk van de hemel is ook als een reizende koopman die op zoek was naar mooie parels. 46  Toen hij een heel kostbare parel had gevonden, besloot hij meteen alles wat hij had te verkopen, en hij kocht die parel.+ 47  Het Koninkrijk van de hemel is ook als een sleepnet dat in de zee werd neergelaten en waarin allerlei soorten vissen werden bijeengebracht. 48  Toen het vol was, werd het op het strand getrokken. Daarna gingen de vissers zitten om de goede vissen+ in manden te verzamelen, maar de ongeschikte vissen+ gooiden ze weg. 49  Zo zal het ook gaan aan het einde van het tijdperk.+ De engelen zullen eropuit gaan en zullen de slechten scheiden van de rechtvaardigen 50  en in de brandende oven werpen. Daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 51  Hebben jullie al die dingen begrepen?’ Ze antwoordden: ‘Ja.’ 52  Toen zei hij tegen ze: ‘Daarom is elke onderwijzer die over het Koninkrijk van de hemel heeft geleerd, als de meester van een huis die uit zijn voorraadkamer* nieuwe en oude schatten tevoorschijn haalt.’ 53  Nadat Jezus die illustraties had uitgesproken, ging hij daar weg. 54  Hij kwam in de streek waar hij vandaan kwam+ en ging daar in de synagoge onderwijzen. De mensen waren verbaasd en zeiden: ‘Hoe komt deze man aan die wijsheid en hoe kan hij die wonderen* doen?+ 55  Is hij niet de zoon van de timmerman?+ Zijn moeder heet toch Maria, en zijn broers zijn toch Jakobus, Jozef, Simon en Judas?+ 56  En al zijn zussen wonen toch hier? Waar heeft hij dit dan allemaal vandaan?’+ 57  En ze namen aanstoot aan hem.+ Maar Jezus zei tegen ze: ‘Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen streek en in zijn eigen huis.’+ 58  En hij deed daar niet veel wonderen vanwege hun ongeloof.

Voetnoten

Of ‘het is jullie toegestaan’, ‘jullie mogen’.
Lett.: ‘dik (vet) gemaakt’.
Of ‘hun oren hebben met tegenzin gehoord’.
Of ‘de bedrieglijke kracht van de rijkdom’, ‘het bedrieglijke genot rijk te zijn’.
Of mogelijk ‘hij’, d.w.z. ‘degene die het woord hoort’.
Lett.: ‘schat’.
Lett.: ‘krachtige werken’.

Aantekeningen

ging zitten: Dit was gebruikelijk onder Joodse leraren (Mt 5:1, 2).

op de oever: Langs de oever van het Meer van Galilea is in de buurt van Kapernaüm een plek die een natuurlijk amfitheater vormt. De akoestiek op die plek is zo goed dat Jezus vanuit een boot te verstaan zou zijn geweest voor een grote menigte.

illustraties: Of ‘gelijkenissen’, ‘parabels’. Het Griekse parabole betekent letterlijk ‘naast elkaar (samen) plaatsen’ en wordt gebruikt voor beeldspraak zoals parabels, gelijkenissen en spreuken. Jezus verklaart dingen vaak door iets wat erop lijkt ‘ernaast te plaatsen’ of ermee te vergelijken (Mr 4:30). Zijn illustraties waren korte, meestal fictieve verhalen waaruit een morele of geestelijke waarheid te leren viel.

rotsgrond: Hiermee wordt geen grond bedoeld met stukken rots erin maar rotsachtig gesteente of een harde rotslaag waarop maar weinig grond lag. Het parallelverslag in Lu 8:6 zegt dat sommige zaadjes ‘op een rots’ terechtkwamen. Op zo’n bodem konden zaadjes niet de diepe wortels laten groeien die ze nodig hadden om aan voldoende water te komen.

tussen de distels: Lett: ‘doorns’. Jezus heeft het hier kennelijk niet over doornstruiken maar over onkruid dat in de omgeploegde grond is blijven zitten. Dat zou groter worden en de pas geplante zaadjes verstikken.

Ik verzeker jullie: ‘Verzeker’ is een weergave van het Griekse amen, een transliteratie van het Hebreeuwse ʼamen, dat ‘zo zij het’ of ‘zeker’ betekent. Jezus gebruikt deze uitdrukking vaak om een uitspraak, een belofte of een profetie in te leiden en de absolute betrouwbaarheid ervan te beklemtonen. Dat Jezus het op die manier gebruikt is naar verluidt uniek in religieuze geschriften. Als het woord wordt herhaald (amen amen), zoals in het hele evangelie van Johannes, wordt Jezus’ uitdrukking vertaald met ‘echt, ik verzeker jullie’ (Jo 1:51).

ik verzeker jullie: Zie aantekening bij Mt 5:18.

wereld: Het Griekse woord aion (tijdperk) kan slaan op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. Hier wordt de term in verband gebracht met de zorgen en problemen die kenmerkend zijn voor het leven in deze wereld. (Zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’.)

zaaide onkruid: Het was in de oudheid in het Midden-Oosten niet ongebruikelijk dat een vijand dat deed.

onkruid: Algemeen wordt aangenomen dat het om dolik (Lolium temulentum) gaat, een grassoort. In het vroege groeistadium lijkt deze giftige plant veel op tarwe voordat die rijp is.

De slaven zeiden: Hoewel in enkele manuscripten ‘ze zeiden’ staat, wordt deze weergave beter door de manuscripten ondersteund.

ook de tarwe eruit trekken: De wortels van het onkruid en de tarwe zouden met elkaar vergroeid zijn. Dus zelfs als het onkruid herkend werd, zou het verwijderen ervan tot verlies van tarwe leiden.

onkruid: Algemeen wordt aangenomen dat het om dolik (Lolium temulentum) gaat, een grassoort. In het vroege groeistadium lijkt deze giftige plant veel op tarwe voordat die rijp is.

Verzamel eerst het onkruid: Als dolik (zie aantekening bij Mt 13:25) volgroeid is, is het makkelijk te onderscheiden van tarwe.

mosterdzaadje: In Israël groeien meerdere soorten mosterdplanten in het wild. Zwarte mosterd (Brassica nigra) wordt het meest verbouwd. Het zaad is relatief klein (1-1,6 mm in doorsnee, met een gewicht van 1 mg) maar groeit uit tot een boomachtige plant. Sommige soorten mosterdplanten worden wel 4,5 m hoog.

het kleinste zaadje dat er is: Mosterdzaad werd in oude Joodse geschriften gebruikt als beeldspraak voor de allerkleinste afmeting. Hoewel we tegenwoordig kleinere zaden kennen, was het kennelijk het kleinste zaad dat in Jezus’ tijd door de boeren in Galilea verzameld en gezaaid werd.

zuurdesem: In de Bijbel vaak gebruikt als symbool voor zonde en verdorvenheid. Hier duidt het op verdorven leringen (Mt 16:12; 1Kor 5:6-8; vergelijk de aantekening bij Mt 13:33).

zuurdesem: Een stukje deeg dat apart werd gehouden en dat door gisting zuur werd. Het werd gebruikt om nieuw deeg te laten gisten. Jezus heeft het hier over de toen gebruikelijke manier om brood te bakken. Hoewel zuurdesem in de Bijbel vaak wordt gebruikt als symbool voor zonde en verdorvenheid (zie aantekening bij Mt 16:6), heeft het niet altijd een negatieve gevoelswaarde (Le 7:11-15). Hier duidt het gistingsproces blijkbaar op de verspreiding van iets goeds.

grote maten: Lett.: ‘sea’. Een sea was 7,33 l. (Zie Woordenlijst en App. B14.)

als vervulling van wat Jehovah via zijn profeet had gezegd: Deze en vergelijkbare uitdrukkingen komen in Mattheüs’ evangelie veel voor, blijkbaar om voor het Joodse publiek Jezus’ rol als de beloofde Messias te beklemtonen (Mt 2:15, 23; 4:14; 8:17; 12:17; 13:35; 21:4; 26:56; 27:9).

de grondlegging van de wereld: Of ‘het begin van de wereld’. Het Griekse woord voor grondlegging is vertaald met ‘voortbrengen’ in Heb 11:11, waar het wordt gebruikt in combinatie met ‘nageslacht’. De uitdrukking ‘grondlegging van de wereld’ duidt hier blijkbaar op de conceptie en geboorte van de kinderen die Adam en Eva kregen. Jezus brengt de grondlegging van de wereld in verband met Abel, kennelijk de eerste loskoopbare mens in de mensenwereld van wie de naam vanaf de grondlegging van de wereld opgeschreven was in de boekrol van het leven (Lu 11:50, 51; Opb 17:8).

vervuld zou worden wat via de profeet was gezegd: Dit citaat komt uit Ps 78:2, waar de psalmist (hier ‘de profeet’ genoemd) in beeldende taal vertelde over wat God in het verleden voor Israël had gedaan. Zo gebruikte ook Jezus volop figuurlijke taal in de vele illustraties waarmee hij onderwijs gaf aan zijn discipelen en de mensen die hem volgden. (Zie aantekening bij Mt 1:22.)

vanaf de grondlegging: Of ‘het begin’. Of mogelijk ‘de grondlegging van de wereld’. De langere versie staat in enkele oude manuscripten die het Griekse woord voor wereld toevoegen. (Vergelijk de aantekening bij Mt 25:34.) Andere oude manuscripten hebben de kortere versie die hier in de hoofdtekst staat.

Mensenzoon: Of ‘Zoon van een mens’. Deze uitdrukking komt in de evangeliën zo’n 80 keer voor. Jezus paste die op zichzelf toe, blijkbaar om te beklemtonen dat hij echt een mens was, geboren uit een vrouw, en dat hij een passende menselijke tegenhanger van Adam was, met de macht om de mensheid te verlossen van zonde en de dood (Ro 5:12, 14, 15). Deze term laat ook uitkomen dat Jezus de Messias was, de Christus (Da 7:13, 14; zie Woordenlijst).

Mensenzoon: Zie aantekening bij Mt 8:20.

wereld: Duidt op de mensenwereld.

einde: Vertaling van het Griekse sunteleia, dat ‘gemeenschappelijk (gecombineerd) einde’, ‘gezamenlijk einde’ betekent (Mt 13:39, 40, 49; 28:20; Heb 9:26). Het duidt op een tijdsperiode waarin een combinatie van gebeurtenissen zou leiden tot het daadwerkelijke einde waarover Mt 24:6, 14 spreekt, waar een ander Grieks woord (telos) wordt gebruikt. (Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

wereld: Het Griekse woord aion (tijdperk) kan slaan op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. Hier wordt de term in verband gebracht met de zorgen en problemen die kenmerkend zijn voor het leven in deze wereld. (Zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’.)

tijdperk: Of ‘samenstel van dingen’. Het Griekse aion duidt hier op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. (Zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’.)

het einde: Het Griekse sunteleia, weergegeven met ‘einde’, komt ook voor in Mt 13:40, 49; 24:3; 28:20; Heb 9:26. (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

een tijdperk: Of ‘een samenstel van dingen’. (Zie aantekeningen bij Mt 13:22; 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’ en ‘Samenstel van dingen’.)

wettelozer: Het Griekse woord dat met ‘wettelozer’ is weergegeven, brengt de gedachte over van schending van en minachting voor wetten, van mensen die zich gedragen alsof er geen wetten zijn. In de Bijbel duidt het op minachting voor Gods wetten (Mt 7:23; 2Kor 6:14; 2Th 2:3-7; 1Jo 3:4).

wetteloos: Zie aantekening bij Mt 24:12.

knarsetanden: Of ‘de tanden op elkaar klemmen’. Het kan de gedachte overbrengen van frustratie, wanhoop en boosheid, mogelijk geuit door bittere woorden en geweld.

knarsetanden: Zie aantekening bij Mt 8:12.

alles: Hoewel in één vroeg manuscript het Griekse woord panta (alles, allen) wordt weggelaten, wordt deze weergave beter ondersteund door zowel vroege als latere manuscripten.

parel: In Bijbelse tijden werden kostbare parels geoogst uit de Rode Zee, de Perzische Golf en de Indische Oceaan. Dat verklaart ongetwijfeld waarom Jezus het had over een koopman die moest reizen en veel moeite moest doen om zo’n parel te vinden.

ongeschikte: Dit kan slaan op vissen zonder vinnen en schubben, die onder de wet van Mozes onrein waren en niet gegeten mochten worden. Het is ook mogelijk dat het gaat om andere oneetbare vissen die werden gevangen (Le 11:9-12; De 14:9, 10).

een tijdperk: Of ‘een samenstel van dingen’. (Zie aantekeningen bij Mt 13:22; 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’ en ‘Samenstel van dingen’.)

het einde: Het Griekse sunteleia, weergegeven met ‘einde’, komt ook voor in Mt 13:40, 49; 24:3; 28:20; Heb 9:26. (Zie aantekening bij Mt 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

tijdperk: Of ‘samenstel van dingen’. Het Griekse aion duidt hier op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. (Zie Woordenlijst ‘Samenstel van dingen’.)

einde: Vertaling van het Griekse sunteleia, dat ‘gemeenschappelijk (gecombineerd) einde’, ‘gezamenlijk einde’ betekent (Mt 13:39, 40, 49; 28:20; Heb 9:26). Het duidt op een tijdsperiode waarin een combinatie van gebeurtenissen zou leiden tot het daadwerkelijke einde waarover Mt 24:6, 14 spreekt, waar een ander Grieks woord (telos) wordt gebruikt. (Zie aantekeningen bij Mt 24:6, 14 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’.)

einde van het tijdperk: Zie aantekeningen bij Mt 13:39; 24:3 en Woordenlijst ‘Einde van het tijdperk’, ‘Samenstel van dingen’.

onderwijzer: Of ‘openbaar onderwijzer’, ‘geleerde’. Het Griekse grammateus wordt vertaald met ‘schriftgeleerde’ als het verwijst naar een lid van de groep Joodse leraren die de wet goed kenden, maar hier wordt het woord gebruikt voor Jezus’ discipelen die waren opgeleid om anderen te onderwijzen.

de streek waar hij vandaan kwam: Lett.: ‘zijn vaderstad’, dat wil zeggen Nazareth, waar zijn familie vandaan kwam.

zoon van de timmerman: Het Griekse tekton, vertaald met ‘timmerman’, is een algemene term die kan duiden op elke ambachtsman of bouwer. Als het slaat op iemand die hout bewerkt, kan het gaan om iemand die werkt aan de bouw van huizen of die meubels of andere houten voorwerpen maakt. Justinus Martyr schreef in de tweede eeuw n.Chr. over Jezus: ‘De volgende timmermanswerken namelijk vervaardigde hij, terwijl hij onder de menschen verkeerde: ploegen en jukken.’ Ook vroege Bijbelvertalingen in oude talen ondersteunen de gedachte dat hij een houtbewerker was. Jezus stond bekend als ‘de zoon van de timmerman’ en als ‘de timmerman’ (Mr 6:3). Blijkbaar heeft Jezus het vak geleerd van zijn adoptievader Jozef. Zo’n opleiding begon gewoonlijk als een jongen tussen de 12 en 15 jaar was en duurde vele jaren.

broers: Het Griekse adelfos kan in de Bijbel duiden op een geestelijke band, maar hier wordt het gebruikt voor Jezus’ halfbroers, de jongere zonen van Jozef en Maria. Sommigen die geloven dat Maria na de geboorte van Jezus maagd bleef, beweren dat adelfos hier op neven duidt. Maar in de Griekse Geschriften wordt een afzonderlijk woord gebruikt voor ‘neef’ (Grieks: anepsios in Kol 4:10) en een andere uitdrukking voor ‘de zoon van Paulus’ zus’ (Han 23:16). En in Lu 21:16 wordt het meervoud van de Griekse woorden adelfos en suggenes gebruikt (weergegeven als ‘broers’ en ‘familie’). Uit die voorbeelden blijkt dat de termen voor familierelaties in de Griekse Geschriften niet willekeurig of zonder onderscheid worden gebruikt.

Jakobus: Deze halfbroer van Jezus is blijkbaar de Jakobus die wordt vermeld in Han 12:17 en Ga 1:19 en die het Bijbelboek heeft geschreven dat zijn naam draagt (Jak 1:1).

Judas: Deze halfbroer van Jezus is blijkbaar de Judas (Grieks: Ioudas) die het Bijbelboek met die naam heeft geschreven (Ju 1).

Media

Meer van Galilea bij Kapernaüm
Meer van Galilea bij Kapernaüm

Het waterniveau en de omgeving van het Meer van Galilea zijn veranderd in de eeuwen na Jezus’ tijd. Maar misschien heeft Jezus op deze plek de menigte vanuit een boot toegesproken. Zijn stem zou versterkt zijn door weerkaatsing op het wateroppervlak.

Zaaien
Zaaien

In Bijbelse tijden werden er verschillende methoden gebruikt om zaad te zaaien. Sommige zaaiers droegen het zaad in een zak of tas die ze over hun schouder en om hun middel hadden vastgebonden, en andere in een buidel die ze met hun bovenkleed maakten. Dan strooiden ze het zaad met een brede, uitzwaaiende beweging van hun hand over de akker uit. Omdat er door de velden aangestampte voetpaden liepen, moest de zaaier erop letten dat het zaad op goede grond terechtkwam. Het zaad werd zo snel mogelijk bedekt om te voorkomen dat de vogels het opaten.

Ruïnes van voorraadschuren in Masada
Ruïnes van voorraadschuren in Masada

Overal in Israël waren voorraadschuren te vinden waarin gedorst graan werd opgeslagen. In sommige opslagplaatsen werd misschien ook olie en wijn bewaard, of zelfs edelmetalen of -stenen.

Oogsters
Oogsters

In Bijbelse tijden trokken de oogsters soms gewoon de graanhalmen uit de grond. Maar meestal oogstten ze het graan door de halmen met een sikkel af te snijden (De 16:9; Mr 4:29). Oogsten was vaak een collectieve inspanning, waarbij de oogsters in groepen samenwerkten om het rijpe graan van de akker te verzamelen (Ru 2:3; 2Kon 4:18). Verschillende Bijbelschrijvers, zoals koning Salomo, de profeet Hosea en de apostel Paulus, gebruikten het oogstwerk om belangrijke waarheden te illustreren (Sp 22:8; Ho 8:7; Ga 6:7-9). En Jezus gebruikte deze bekende activiteit om te illustreren welke rol de engelen en zijn volgelingen zouden spelen bij het maken van discipelen (Mt 13:24-30, 39; Jo 4:35-38).

Mosterdzaad
Mosterdzaad

Van alle soorten zaad die de boeren in Galilea verzamelden en zaaiden, was het mosterdzaad kennelijk het kleinst. Dit zaad werd in oude Joodse geschriften gebruikt als beeldspraak voor de allerkleinste afmeting.

Visser met sleepnet
Visser met sleepnet

In Jezus’ tijd waren sleepnetten waarschijnlijk gemaakt van vlas. Volgens sommige bronnen kon een sleepnet wel 300 m lang zijn, met gewichten aan de onderkant en drijvers aan de bovenkant. Vissers gebruikten een boot om het sleepnet in het water uit te spreiden. Soms haalden ze de lange touwen aan de uiteinden van het net naar de oever. Daar stonden dan aan elk touw meerdere mannen om het net aan wal te trekken. Het net haalde alles binnen wat op zijn pad lag.