Volgens Mattheüs 10:1-42

10  Hij riep zijn 12 discipelen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven+ en om elke ziekte en elke kwaal te genezen.  Dit zijn de namen van de 12 apostelen:+ als eerste Simon, die Petrus+ wordt genoemd, en zijn broer Andre̱as,+ Jakobus, de zoon van Zebede̱üs, en zijn broer Johannes,+  Fili̱ppus en Bartholome̱üs,+ Thomas+ en Mattheüs+ de belastinginner, Jakobus, de zoon van Alfe̱üs, en Thadde̱üs,  Simon de Kananeeër en Judas Iska̱riot, die hem later heeft verraden.+  Deze 12 stuurde Jezus eropuit en hij gaf hun de volgende instructies:+ ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en ga geen enkele Samaritaanse stad+ binnen.  Ga in plaats daarvan steeds weer naar de verloren schapen van het huis van Israël.+  Predik onderweg: “Het Koninkrijk van de hemel is nabij.”+  Genees zieken,+ wek doden op, maak melaatsen rein en drijf demonen uit. Voor niets heb je gekregen, voor niets moet je geven.+  Neem geen goud, zilver of koper mee in je geldbuidel,*+ 10  en neem ook geen voedselzak mee voor de reis, of extra kleren,* sandalen of een staf.+ Want de werker is zijn voedsel waard.+ 11  Onderzoek in elke stad en elk dorp waar je komt wie het waard is, en blijf daar tot je weer verdergaat.+ 12  Als je een huis binnengaat, wens de bewoners dan vrede toe. 13  En als het huis het waard is, laat je vrede dan daarover komen.+ Maar als het dat niet waard is, laat je vrede dan bij je terugkomen. 14  Als iemand je niet wil ontvangen of niet naar je luistert, verlaat dan dat huis of die stad en schud het stof van je voeten.+ 15  Ik verzeker jullie: de Oordeelsdag zal voor Sodom en Gomorra+ draaglijker zijn dan voor die stad. 16  Ik stuur jullie als schapen onder de wolven.+ Wees dus zo behoedzaam als een slang en zo onschuldig als een duif.+ 17  Pas op voor de mensen, want ze zullen jullie aan rechtbanken overleveren+ en jullie in hun synagogen+ geselen.+ 18  Jullie zullen ter wille van mij voor bestuurders en koningen+ worden gesleept, als een getuigenis voor hen en voor andere volken.+ 19  Maar wanneer ze je overleveren, maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen of hoe je het moet zeggen, want op dat moment zal het je worden ingegeven.+ 20  Wat je zegt komt dan niet alleen uit jezelf, maar het is de geest van je Vader die via jou spreekt.+ 21  Ook zal de ene broer de andere overleveren om gedood te worden, en een vader zijn kind, en kinderen zullen zich tegen hun ouders keren en hen laten doden.+ 22  En jullie zullen vanwege mijn naam door alle mensen worden gehaat.+ Maar wie volhardt tot het einde zal worden gered.+ 23  Als ze jullie in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar een andere,+ want ik verzeker jullie: de Mensenzoon zal komen voordat jullie langs alle steden van Israël zijn rondgetrokken. 24  Een leerling staat niet boven zijn leraar en een slaaf niet boven zijn meester.+ 25  De leerling moet er genoegen mee nemen om als zijn leraar te worden en de slaaf als zijn meester.+ Als de meester van het huis al Beë̱lzebub+ wordt genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten! 26  Wees dus niet bang voor ze, want alles wat verborgen is, zal onthuld worden, en wat geheim is, zal bekend worden.+ 27  Wat ik jullie in de duisternis zeg, vertel dat in het licht, en wat jullie in het oor gefluisterd wordt,* predik dat van de daken.+ 28  En wees niet bang voor degenen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden.+ Wees eerder bang voor degene die zowel ziel als lichaam kan vernietigen in Gehenna.+ 29  Zijn twee mussen niet te koop voor een munt die weinig waard is? Toch zal er niet één musje op de grond vallen zonder dat jullie Vader het opmerkt.+ 30  Zelfs de haren op je hoofd zijn allemaal geteld.+ 31  Wees dus niet bang: jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.+ 32  Als iemand tegen de mensen zegt dat hij mij kent,+ zal ik ook tegen mijn Vader in de hemel zeggen dat ik hem ken.+ 33  Maar als iemand tegen de mensen zegt dat hij mij niet kent, zal ik ook tegen mijn Vader in de hemel zeggen dat ik hem niet ken.+ 34  Denk niet dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar een zwaard.+ 35  Ik ben gekomen om verdeeldheid te veroorzaken tussen een zoon en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder, en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder.+ 36  Je eigen huisgenoten zullen je vijanden zijn. 37  Wie meer gehecht is aan zijn vader of moeder dan aan mij, is mij niet waard, en wie meer gehecht is aan zijn zoon of dochter dan aan mij, is mij niet waard.+ 38  En wie zijn martelpaal niet wil dragen en mij niet wil volgen, is mij niet waard.+ 39  Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest ter wille van mij, zal het vinden.+ 40  Wie jullie ontvangt, ontvangt ook mij, en wie mij ontvangt, ontvangt ook hem die mij heeft gestuurd.+ 41  Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is, zal de beloning van een profeet krijgen,+ en wie een rechtvaardig man ontvangt omdat hij rechtvaardig is, zal de beloning van een rechtvaardig man krijgen. 42  Ik verzeker jullie: als iemand een van deze kleinen een beker koud water te drinken geeft omdat hij een van mijn discipelen is, zal hij zeker zijn beloning krijgen.’+

Voetnoten

Of ‘geldgordel’.
Lett.: ‘twee kledingstukken’.
Lett.: ‘in het oor horen’.

Aantekeningen

apostelen: Of ‘personen die zijn uitgezonden’. Het Griekse apostolos komt van het werkwoord apostello, dat ‘wegsturen’, ‘eropuit sturen’ betekent (Mt 10:5; Lu 11:49; 14:32). De grondbetekenis komt duidelijk naar voren in Jezus’ uitspraak in Jo 13:16, waar het wordt weergegeven als ‘iemand die wordt gestuurd’.

Simon, die Petrus wordt genoemd: Petrus wordt in de Bijbel op deze vijf manieren aangeduid: (1) het Griekse ‘Simeon’, dat gelijk is aan de Hebreeuwse vorm van de naam, (2) het Griekse ‘Simon’ (komt net als Simeon van een Hebreeuws werkwoord dat ‘horen’, ‘luisteren’ betekent), (3) ‘Petrus’ (een Griekse naam die ‘rotsblok’, ‘steen’ betekent en waarmee hij in de Bijbel als enige wordt aangeduid), (4) ‘Cefas’, het Semitische equivalent van Petrus (misschien verwant aan het Hebreeuwse kefim [rotsen] in Job 30:6 en Jer 4:29), en (5) de combinatie ‘Simon Petrus’ (Han 15:14; Jo 1:42; Mt 16:16).

belastinginners: Veel Joden inden belasting voor de Romeinse overheid. Mensen hadden een hekel aan deze Joden omdat ze samenwerkten met een gehate overheerser en omdat ze meer geld afpersten dan het officiële belastingtarief. Belastinginners werden meestal door andere Joden gemeden en gelijkgesteld met zondaars en prostituees (Mt 11:19; 21:32).

Jakobus, de zoon van Alfeüs: Blijkbaar dezelfde discipel als degene die in Mr 15:40 ‘Jakobus de Mindere’ wordt genoemd. Er wordt algemeen aangenomen dat Alfeüs dezelfde persoon is als Klopas (Jo 19:25) en dus ook de man van ‘de andere Maria’ (Mt 27:56; 28:1; Mr 15:40; 16:1; Lu 24:10). De Alfeüs die hier wordt genoemd is kennelijk niet de Alfeüs in Mr 2:14, de vader van Levi.

Bartholomeüs: Betekent ‘zoon van Tolmai’. Men neemt aan dat hij de Nathanaël is die door Johannes wordt vermeld (Jo 1:45, 46). Een vergelijking van de evangeliën laat zien dat Mattheüs en Lukas Bartholomeüs en Filippus in één adem noemen op dezelfde manier als Johannes dat met Nathanaël en Filippus doet (Mt 10:3; Lu 6:14).

Mattheüs: Staat ook bekend als Levi (Lu 5:27).

de belastinginner: Als voormalig belastinginner vermeldt Mattheüs, de schrijver van dit evangelie, vaak getallen en geldeenheden (Mt 17:27; 26:15; 27:3). Hij is ook specifieker als het om getallen gaat. Hij verdeelde de afstammingslijn van Jezus in drie sets van 14 generaties (Mt 1:1-17) en vermeldde zeven verzoeken in het Onzevader (Mt 6:9-13), zeven illustraties in Mt 13 en zeven weeën in Mt 23:13-36. Meer informatie over het woord belastinginner is te vinden in de aantekening bij Mt 5:46.

Jakobus, de zoon van Alfeüs: Zie aantekening bij Mr 3:18.

Thaddeüs: In de opsomming van de apostelen in Lu 6:16 en Han 1:13 komt de naam Thaddeüs niet voor. Wel wordt ‘Judas, de zoon van Jakobus,’ vermeld, waaruit we kunnen opmaken dat Thaddeüs een andere naam is voor de apostel die door Johannes ‘Judas (niet Judas Iskariot)’ wordt genoemd (Jo 14:22). Misschien wordt de naam Thaddeüs soms gebruikt om verwarring met de verrader, Judas Iskariot, te voorkomen.

de Kananeeër: Een aanduiding waarmee de apostel Simon wordt onderscheiden van de apostel Simon Petrus (Mr 3:18). De term betekent ‘zeloot’, ‘ijveraar’ en komt naar men denkt uit het Hebreeuws of het Aramees. Lukas noemde Simon ‘de ijverige’. Hij gebruikte het Griekse zelotes, dat ook ‘zeloot’, ‘ijveraar’ betekent (Lu 6:15; Han 1:13). Het is mogelijk dat Simon ooit lid was van de zeloten, een Joodse groepering die tegen de Romeinen was, maar het kan ook zijn dat hij deze aanduiding kreeg vanwege zijn ijver en enthousiasme.

Iskariot: Betekent mogelijk ‘man uit Kerioth’. Judas’ vader, Simon, wordt ook ‘Iskariot’ genoemd (Jo 6:71). Er wordt algemeen aangenomen dat dit betekent dat Simon en Judas uit de Judese stad Kerioth-Hezron kwamen (Joz 15:25). Als dat zo is, was Judas de enige Judeeër van de 12 apostelen. De rest kwam uit Galilea.

prediken: De grondbetekenis van het Griekse woord is ‘aankondigen als een openbare boodschapper’. De nadruk ligt op de methode van aankondigen: meestal een verklaring in het openbaar en geen preek gericht tot een groep.

het Koninkrijk van de hemel is nabij: Deze boodschap over een nieuwe wereldregering was het thema van Jezus’ prediking (Mt 10:7; Mr 1:15). Ongeveer een halfjaar vóór Jezus’ doop begon Johannes de Doper een vergelijkbare boodschap te verkondigen (Mt 3:1, 2). Maar Jezus kon in een extra betekenis zeggen dat het Koninkrijk ‘nabij’ was vanwege zijn aanwezigheid als gezalfde toekomstige Koning. Er zijn geen berichten dat Jezus’ discipelen na zijn dood bleven verkondigen dat het Koninkrijk ‘nabij’ was.

Predik: Dat wil zeggen een openbare aankondiging doen. (Zie aantekening bij Mt 3:1.)

Het Koninkrijk van de hemel is nabij: Zie aantekening bij Mt 4:17.

een melaatse: Iemand met een ernstige huidziekte, zoals lepra. Als er melaatsheid bij iemand werd geconstateerd, werd hij buiten de samenleving gesloten totdat hij genezen was (Le 13:2, vtn., 45, 46; zie Woordenlijst).

wens de bewoners vrede toe: Een gebruikelijke Joodse begroeting was: ‘Vrede zij met je’ (Re 19:20; Mt 10:13; Lu 10:5).

schud het stof van je voeten: Met dit gebaar zouden de discipelen de verantwoordelijkheid afwijzen voor de consequenties, die van God zouden komen. Een vergelijkbare uitdrukking komt voor in Mr 6:11 en Lu 9:5. Markus en Lukas voegen daaraan toe ‘als een getuigenis voor [of ‘tegen’] hen’. Paulus en Barnabas pasten deze instructie toe in Antiochië in Pisidië (Han 13:51), en toen Paulus in Korinthe iets vergelijkbaars deed door zijn kleren uit te schudden, zei hij bij wijze van uitleg: ‘Laat jullie bloed op je eigen hoofd neerkomen. Ik ben rein’ (Han 18:6). Zulke gebaren waren voor de discipelen misschien niet nieuw. Vrome Joden die terugkwamen van een reis door heidens gebied schudden ‘onrein’ stof van hun sandalen voordat ze weer op Joods grondgebied kwamen. Maar Jezus had blijkbaar een andere betekenis in gedachten toen hij zijn discipelen deze instructies gaf.

Ik verzeker jullie: ‘Verzeker’ is een weergave van het Griekse amen, een transliteratie van het Hebreeuwse ʼamen, dat ‘zo zij het’ of ‘zeker’ betekent. Jezus gebruikt deze uitdrukking vaak om een uitspraak, een belofte of een profetie in te leiden en de absolute betrouwbaarheid ervan te beklemtonen. Dat Jezus het op die manier gebruikt is naar verluidt uniek in religieuze geschriften. Als het woord wordt herhaald (amen amen), zoals in het hele evangelie van Johannes, wordt Jezus’ uitdrukking vertaald met ‘echt, ik verzeker jullie’ (Jo 1:51).

Ik verzeker jullie: Zie aantekening bij Mt 5:18.

zo behoedzaam als een slang: Behoedzaam betekent hier oplettend, verstandig, scherpzinnig. Zoölogen zeggen dat de meeste slangen schuw zijn en liever vluchten dan aanvallen. Zo waarschuwt Jezus zijn discipelen om tijdens de prediking behoedzaam te zijn tegenover tegenstanders en mogelijke gevaren uit de weg te gaan.

de Hoge Raad: Het volledige Sanhedrin, het rechtsorgaan in Jeruzalem dat bestond uit de hogepriester en 70 oudsten en schriftgeleerden. De Joden beschouwden de uitspraken ervan als bindend. (Zie Woordenlijst ‘Sanhedrin’.)

Sanhedrin: Dat wil zeggen de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. Het Griekse woord (sunedrion) betekent letterlijk ‘bijeenzitting’. Het was een algemene term voor een vergadering of bijeenkomst, maar in Israël kon het duiden op een religieus rechtscollege of rechtsorgaan. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst; zie voor de mogelijke locatie van de Sanhedrinzaal App. B12.)

rechtbanken: In de Griekse Geschriften wordt het Griekse woord sunedrion, hier in het meervoud en met rechtbanken vertaald, meestal gebruikt voor de Joodse Hoge Raad in Jeruzalem, het Sanhedrin. (Zie Woordenlijst en aantekeningen bij Mt 5:22 en 26:59.) Maar het was ook het algemene woord voor een bijeenkomst, en hier wordt het gebruikt voor plaatselijke rechtbanken die met de synagoge verbonden waren en de macht hadden om geseling en uitsluiting als straf op te leggen (Mt 23:34; Mr 13:9; Lu 21:12; Jo 9:22; 12:42; 16:2).

volhardt: Het Griekse werkwoord hupomeno betekent letterlijk ‘onder blijven’. Vaak wordt het gebruikt in de betekenis ‘blijven in plaats van vluchten’, ‘standhouden’, ‘volhouden’, ‘standvastig blijven’ (Mt 10:22; Ro 12:12; Heb 10:32; Jak 5:11). In deze context duidt het erop dat Christus’ discipelen vasthouden aan hun handelwijze ondanks tegenstand en beproevingen (Mt 24:9-12).

volhardt: Zie aantekening bij Mt 24:13.

Mensenzoon: Of ‘Zoon van een mens’. Deze uitdrukking komt in de evangeliën zo’n 80 keer voor. Jezus paste die op zichzelf toe, blijkbaar om te beklemtonen dat hij echt een mens was, geboren uit een vrouw, en dat hij een passende menselijke tegenhanger van Adam was, met de macht om de mensheid te verlossen van zonde en de dood (Ro 5:12, 14, 15). Deze term laat ook uitkomen dat Jezus de Messias was, de Christus (Da 7:13, 14; zie Woordenlijst).

Mensenzoon: Zie aantekening bij Mt 8:20.

hoeveel te meer: Jezus gebruikte deze manier van redeneren vaak. Hij redeneert van klein naar groot: eerst vermeldt hij een vaststaand feit of een bekende waarheid en dan trekt hij op basis daarvan een extra overtuigende conclusie (Mt 10:25; 12:12; Lu 11:13; 12:28).

Beëlzebub: Mogelijk een verbastering van Baäl-Zebub (bet.: ‘eigenaar [heer] van de vliegen’), de Baäl die door de Filistijnen in Ekron werd aanbeden (2Kon 1:3). Sommige Griekse manuscripten gebruiken de alternatieve vormen Beëlzeboul of Beëzeboul, wat mogelijk ‘eigenaar (heer) van de verheven woonplaats (woning)’ betekent of, als het een woordspeling is op het niet-Bijbelse Hebreeuwse woord zevel (mest), ‘eigenaar (heer) van de mest’. Uit Mt 12:24 blijkt dat dit een benaming is voor Satan — de vorst of heerser van de demonen.

hoeveel te meer: Zie aantekening bij Mt 7:11.

in het licht: Dat wil zeggen openlijk, in het openbaar.

predik dat van de daken: Een idioom dat ‘in het openbaar aankondigen’ betekent. In Bijbelse tijden hadden huizen een plat dak en vandaaraf konden aankondigingen gedaan worden en bepaalde daden algemene bekendheid krijgen (2Sa 16:22).

Gehenna: Van het Hebreeuwse gē hinnom, dat ‘dal van Hinnom’ betekent. Dit dal lag in de oudheid ten W en Z van Jeruzalem. (Zie App. B12, kaart ‘Jeruzalem en omgeving’.) In Jezus’ tijd was het dal een plaats waar afval werd verbrand, dus het woord Gehenna was een passend symbool voor volledige vernietiging. (Zie Woordenlijst.)

de ziel: Of ‘het leven’, dat wil zeggen toekomstig leven door middel van een opstanding. Het Griekse psuche en het overeenkomende Hebreeuwse nefesj (traditioneel weergegeven met ‘ziel’) duiden hoofdzakelijk op (1) mensen, (2) dieren of (3) het leven van mensen of dieren (Ge 1:20; 2:7; Nu 31:28; 1Pe 3:20; vtnn.). Voorbeelden van het gebruik van het Griekse psuche in de betekenis ‘het leven van een mens’: Mt 6:25; 10:39; 16:25, 26; Mr 8:35-37; Lu 12:20; Jo 10:11, 15; 12:25; 13:37, 38; 15:13; Han 20:10. Zulke Bijbelteksten laten zien hoe Jezus’ woorden hier begrepen moeten worden. (Zie Woordenlijst.)

degene die zowel ziel als lichaam kan vernietigen: Alleen God kan iemands ‘ziel’ (in deze context zijn vooruitzicht op leven) vernietigen of kan hem opwekken tot eeuwig leven. Dit is één voorbeeld van een vers waar het Griekse woord voor ziel als sterfelijk en vernietigbaar wordt beschreven. Andere voorbeelden: Mr 3:4; Lu 17:33; Jo 12:25; Han 3:23; vtnn.

Gehenna: Dit betekent eeuwige vernietiging. (Zie aantekening bij Mt 5:22 en Woordenlijst.)

mussen: Het Griekse strouthion is een verkleinvorm die op elke kleine vogel kan slaan maar vaak werd gebruikt voor mussen, de goedkoopste van alle vogels die als voedsel werden verkocht.

een munt die weinig waard is: Lett.: ‘een assarion’, het loon dat iemand voor drie kwartier werk kreeg. (Zie App. B14.) Bij deze gelegenheid, tijdens zijn derde tocht door Galilea, zegt Jezus dat twee mussen een assarion kostten. Een andere keer, blijkbaar ongeveer een jaar later tijdens zijn bediening in Judea, zegt Jezus dat vijf mussen voor het dubbele bedrag gekocht konden worden (Lu 12:6). Een vergelijking tussen die verslagen leert ons dat handelaars mussen zo weinig waard vonden dat de vijfde er gratis bij gegeven werd.

Zelfs de haren op je hoofd zijn allemaal geteld: Gemiddeld hebben mensen naar schatting meer dan 100.000 haren op hun hoofd. Dat Jehovah zulke onbeduidende details weet, vormt een garantie dat hij intense belangstelling heeft voor elke volgeling van Christus.

martelpaal: Of ‘terechtstellingspaal’. Dit is de eerste keer dat het Griekse woord stauros voorkomt. In het klassieke Grieks werd het voornamelijk gebruikt voor een rechtopstaande paal. Soms werd het figuurlijk gebruikt voor het lijden, de schande, de martelingen en zelfs de dood die iemand onderging omdat hij een volgeling van Jezus was. (Zie Woordenlijst.)

wil dragen: Of ‘aanvaardt’. Lett: ‘opneemt’, ‘vastpakt’. Hier figuurlijk gebruikt in de zin dat iemand de verantwoordelijkheden en consequenties aanvaardt die erbij horen als je een discipel van Jezus wordt.

leven: Of ‘ziel’. (Zie Woordenlijst.)

in de naam van: Het Griekse woord voor naam (onoma) kan duiden op meer dan een eigennaam. In deze context omvat het erkenning van het gezag en de positie van de Vader en de Zoon en van de rol van de heilige geest. Die erkenning leidt tot een nieuwe relatie met God. (Vergelijk de aantekening bij Mt 10:41.)

omdat hij een profeet is: Lett.: ‘in de naam van een profeet’. In deze context duidt het Griekse idioom ‘in de naam van’ op erkenning van het ambt en het werk van een profeet. (Vergelijk de aantekening bij Mt 28:19.)

de beloning van een profeet: Personen die ware profeten van God aanvaarden en ondersteunen zullen een grote beloning krijgen. Het verslag over de weduwe in 1Kon 17 is daar een voorbeeld van.

Media

Staf en voedselzak
Staf en voedselzak

In het oude Israël gebruikten mensen een stok of staf voor allerlei doelen, bijvoorbeeld om op te leunen (Ex 12:11; Za 8:4; Heb 11:21), om zich te verdedigen of te beschermen (2Sa 23:21), om te dorsen (Jes 28:27) en om olijven te oogsten of uit de boom te slaan (De 24:20; Jes 24:13). Een voedselzak was een tas, meestal van leer, die over de schouder werd gedragen door reizigers, herders, boeren en anderen. Er werd voedsel, kleding en dergelijke in meegenomen. Toen Jezus zijn apostelen op een predikingstocht stuurde, gaf hij ze onder andere instructies over een staf en voedselzak. De apostelen mochten die niet meenemen en mochten zich niet laten afleiden door iets extra’s te halen. Jehovah zou voor ze zorgen. (In de aantekeningen bij Lu 9:3 en 10:4 wordt uitgelegd hoe Jezus’ instructies opgevat moeten worden.)

Wolf
Wolf

De wolven in Israël zijn vooral ’s nachts actief (Hab 1:8). Deze roofdieren zijn woest, vraatzuchtig, brutaal en inhalig en doden vaak meer schapen dan ze kunnen eten of wegslepen. In de Bijbel worden de kenmerken en gewoonten van dieren vaak figuurlijk gebruikt voor zowel wenselijke als minder wenselijke eigenschappen. In Jakobs sterfbedprofetie bijvoorbeeld wordt de stam Benjamin figuurlijk beschreven als iemand die vecht als een wolf (Canis lupus) (Ge 49:27). Maar meestal wordt de wolf gebruikt om onwenselijke eigenschappen af te beelden als wreedheid, hebzucht, boosaardigheid en sluwheid. Enkelen die met wolven worden vergeleken zijn valse profeten (Mt 7:15), boosaardige tegenstanders van de christelijke prediking (Mt 10:16; Lu 10:3) en valse leraren die de christelijke gemeente van binnenuit zouden aanvallen (Han 20:29, 30). Herders wisten heel goed hoe gevaarlijk wolven waren. Jezus had het over ‘een gehuurde knecht’ die ‘de schapen in de steek laat en vlucht als hij een wolf ziet komen’. Maar Jezus is niet als de gehuurde knecht, die ‘niet om de schapen geeft’. Hij is ‘de goede herder’ die ‘zijn leven voor de schapen heeft gegeven’ (Jo 10:11-13).

Zweep voor geseling
Zweep voor geseling

Het ergste geselwerktuig stond bekend als een flagellum. Het bestond uit een handvat waaraan meerdere koorden of leren riemen bevestigd waren. Deze riemen waren verzwaard met scherpe stukjes bot of metaal om de slagen nog pijnlijker te maken.

Huizen met platte daken
Huizen met platte daken

Een groot deel van het gezinsleven speelde zich af op het dak van het huis. Een vader ging hier misschien met het hele gezin zitten om met ze over Jehovah te praten. Tijdens het Inzamelingsfeest bijvoorbeeld werden er op het dak loofhutten opgezet (Le 23:41, 42; De 16:13-15). Klusjes als het drogen van vlas werden daar gedaan (Joz 2:6). Soms sliepen mensen op het dak (1Sa 9:25, 26). Alles wat op het dak gebeurde, kon makkelijk door anderen gezien worden (2Sa 16:22). En een aankondiging die vanaf een dak gedaan werd, zou gehoord worden door buren en voorbijgangers in de straat.

Hinnomdal (Gehenna)
Hinnomdal (Gehenna)

Het Hinnomdal (in het Grieks Gehenna genoemd) is een dal of ravijn ten zuiden en zuidwesten van het oude Jeruzalem. In Jezus’ tijd was het een plaats waar afval werd verbrand, wat het een passend symbool voor volledige vernietiging maakt.

Mus
Mus

Mussen waren de goedkoopste van alle vogels die als voedsel werden verkocht. Er konden er twee gekocht worden voor het bedrag dat iemand met drie kwartier werken kon verdienen. Het Griekse woord werd gebruikt voor allerlei kleine vogels, waaronder de huismus (Passer domesticus biblicus) en de Spaanse mus (Passer hispaniolensis), die in Israël nog steeds veel voorkomen.