Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Verklarende woordenlijst

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

A

  • Aanhangers van Herodes.

    — Zie HERODES, AANHANGERS VAN.

  • Aanwezigheid.

    In sommige contexten in de Griekse Geschriften beschrijft dit woord de koninklijke aanwezigheid van Jezus Christus vanaf het moment dat hij onzichtbaar als Messiaanse Koning op de troon is gekomen tot de laatste dagen van dit tijdperk. Christus’ aanwezigheid is niet gewoon een komst gevolgd door een snel vertrek, maar beslaat een speciale tijdsperiode (Mt 24:3).

  • Aartsengel.

    Betekent ‘hoofd van de engelen’. Het voorvoegsel aarts- betekent ‘hoofd’ of ‘voornaamste’. Uit deze definitie en het feit dat ‘aartsengel’ in de Bijbel alleen in het enkelvoud voorkomt, blijkt dat er maar één aartsengel is. De Bijbel vermeldt de naam van de aartsengel: Michaël (Da 12:1; Ju 9; Opb 12:7).

  • Ab.

    Na de Babylonische ballingschap de 5de maand van de Joodse godsdienstige kalender en de 11de maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half juli tot half augustus. In de Bijbel wordt hij niet met name genoemd maar aangeduid als ‘de vijfde maand’ (Nu 33:38; Ezr 7:9). — Zie App. B15.

  • Abib.

    Oorspronkelijk de eerste maand van de Joodse godsdienstige kalender en de zevende maand van de burgerlijke kalender. De naam betekent ‘groene aren’. De maand liep van half maart tot half april. Na de Babylonische ballingschap werd hij nisan genoemd (De 16:1). — Zie App. B15.

  • Achaje.

    In de Griekse Geschriften een Romeinse provincie in Zuid-Griekenland die de hele Peloponnesos en het centrale deel van het Griekse vasteland omvatte. De hoofdstad was Korinthe (Han 18:12). — Zie App. B13.

  • Adar.

    Na de Babylonische ballingschap de 12de maand van de Joodse godsdienstige kalender en de 6de maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half februari tot half maart (Es 3:7). — Zie App. B15.

  • Afgod, afgoderij.

    Een afgod is een beeld of een afbeelding van iets (echt bestaand of ingebeeld), door mensen gebruikt bij hun aanbidding. Afgoderij is het vereren, liefhebben, aanbidden of adoreren van een afgod (Ps 115:4; Han 17:16; 1Kor 10:14).

  • Afgrond.

    Van het Griekse abussos, dat ‘buitengewoon diep’ of ‘onpeilbaar, grenzeloos’ betekent. In de Griekse Geschriften heeft het betrekking op een plaats of toestand van gevangenschap. Het kan duiden op het graf, maar dat is niet de enige betekenis (Lu 8:31; Ro 10:7; Opb 20:3).

  • Afval.

    Het Griekse woord (apostasia) komt van een werkwoord dat letterlijk ‘afstand nemen van’ betekent. Het zelfstandig naamwoord betekent ‘verlating, verzaking, opstand’. In de Griekse Geschriften wordt de term vooral gebruikt voor personen die van de ware aanbidding afvallen (Sp 11:9; Han 21:21; 2Th 2:3).

  • Alamoth.

    Een muziekterm die ‘meisjes’ of ‘jonge vrouwen’ betekent en waarschijnlijk een toespeling is op de sopraanstemmen van jonge vrouwen. De term werd blijkbaar gebruikt om aan te geven dat een lied of muziekstuk in een hoog register moest worden uitgevoerd (1Kr 15:20; Ps 46:Ops).

  • Albast.

    Een steensoort die bij Alabastron (Egypte) werd gevonden. Alabastron is ook de naam voor kleine parfumkruikjes die van albast werden gemaakt. De kruikjes hadden gewoonlijk een smalle hals die afgesloten kon worden om geen kostbare parfum te verspillen (Mr 14:3).

  • Alfa en Omega.

    De eerste en de laatste letter van het Griekse alfabet, die in Openbaring drie keer samen worden gebruikt als titel voor God. In die contexten betekent de uitdrukking hetzelfde als ‘de eerste en de laatste’ en ‘het begin en het einde’ (Opb 1:8; 21:6; 22:13).

  • Allerheiligste.

    De binnenste ruimte van de tabernakel en van de tempel, waar de ark van het verbond stond. Het werd ook het heilige der heiligen genoemd. Naast Mozes was de hogepriester de enige die er mocht binnengaan, en dat mocht alleen op de jaarlijkse Verzoendag (Ex 26:33; Le 16:2, 17; 1Kon 6:16; Heb 9:3).

  • Alsem.

    Verschillende houtachtige planten met een intens bittere smaak en een sterke geur. Alsem wordt in de Bijbel figuurlijk gebruikt  om de bittere gevolgen te beschrijven van immoraliteit, onderdrukking, onrecht en geloofsafval. In Openbaring 8:11 duidt alsem op een bittere, giftige substantie (De 29:18; Sp 5:4; Jer 9:15; Am 5:7).

  • Altaar.

    Een verhoging gemaakt van aarde, stenen, een steenblok, of hout bekleed met metaal waarop slachtoffers werden gebracht of wierook werd geofferd. In de eerste ruimte van de tabernakel en van de tempel stond een klein ‘gouden altaar’ om wierook te offeren. Het was gemaakt van hout en met goud bekleed. Buiten in het voorhof stond een groter ‘koperen altaar’ voor brandoffers (Ex 27:1; 39:38, 39; Ge 8:20; 1Kon 6:20; 2Kr 4:1; Lu 1:11). — Zie App. B5 en B8.

  • Amen.

    ‘Zo zij het’ of ‘zeker’. De term is afkomstig van het Hebreeuwse grondwoord ʼaman, dat ‘trouw, betrouwbaar zijn’ betekent. ‘Amen’ werd gezegd als men instemde met een eed, gebed of uitspraak. In Openbaring is het woord gebruikt als titel voor Jezus (De 27:26; 1Kr 16:36; Opb 3:14).

  • Antichrist.

    Het Griekse woord heeft een tweeledige betekenis. Het kan slaan op wat anti of tegen Christus is, maar ook op een valse Christus, iemand in plaats van Christus. Elke persoon, organisatie of groep die ten onrechte beweert Christus te vertegenwoordigen of de Messias te zijn of die Christus en zijn discipelen tegenwerkt, kan met recht een antichrist worden genoemd (1Jo 2:22).

  • Apostel.

    De grondbetekenis van het woord is ‘iemand die is uitgezonden’. Het wordt gebruikt voor Jezus en voor bepaalde personen die uitgestuurd werden om anderen te dienen. Maar het wordt het vaakst toegepast op de discipelen die Jezus persoonlijk uitkoos als een groep van 12 vertegenwoordigers (Mr 3:14; Han 14:14).

  • Aram, Arameeërs.

    De Arameeërs waren de afstammelingen van Sems zoon Aram. Het gebied waar ze woonden werd in het Hebreeuws Aram genoemd. Het strekte zich uit van het Libanongebergte tot aan Mesopotamië en van het Taurusgebergte in het noorden tot voorbij Damaskus in het zuiden. Later kwam het bekend te staan als Syrië en werden de inwoners Syriërs genoemd (Ge 25:20; De 26:5; Ho 12:12).

  • Aramees.

    Een Semitische taal die nauw verwant is aan het Hebreeuws en hetzelfde alfabet gebruikt. Het Aramees werd oorspronkelijk gesproken door de Arameeërs maar werd later de internationale handels- en omgangstaal in het Assyrische Rijk en het Babylonische Rijk. Het werd ook de officiële ambtelijke taal in het Perzische Rijk (Ezr 4:7). Delen van de boeken Ezra, Jeremia en Daniël zijn in het Aramees geschreven (Ezr 4:8–6:18; 7:12-26; Jer 10:11; Da 2:4b–7:28).

  • Areopagus.

    Een hoge heuvel in Athene, ten noordwesten van de Acropolis, en ook de naam van de raad (rechtbank) die daar bijeenkwam. Epicurische en stoïsche filosofen brachten Paulus naar de Areopagus om hun uit te leggen wat hij geloofde (Han 17:19).

  • Ark van het verbond.

    Een kist gemaakt van acaciahout en overtrokken met goud. Hij stond in het allerheiligste van de tabernakel en later in het allerheiligste van de tempel die Salomo had gebouwd. Hij had een deksel van massief goud met twee cherubs die naar elkaar toe waren gekeerd. In de kist werden met name de twee stenen platen met de tien geboden bewaard (De 31:26; 1Kon 6:19; Heb 9:4). — Zie App. B5 en B8.

  • Armageddon.

    Van het Hebreeuwse Har Meghiddōn, dat ‘berg van Megiddo’ betekent. De term wordt in verband gebracht met ‘de oorlog van de grote dag van God de Almachtige’, waarin ‘de koningen van de hele bewoonde aarde’ zich verzamelen om oorlog te voeren tegen Jehovah (Opb 16:14, 16; 19:11-21). — Zie GROTE VERDRUKKING.

  • Aselgeia.

    — Zie SCHAAMTELOOS GEDRAG.

  • Asia.

    In de Griekse Geschriften de Romeinse provincie die het westelijke deel van het huidige Turkije omvatte en ook een aantal kusteilanden, zoals Samos en Patmos. De hoofdstad was Efeze (Han 20:16; Opb 1:4). — Zie App. B13.

  • Astoreth.

    Kanaänitische godin van de oorlog en van de vruchtbaarheid. De vrouw van Baäl (1Sa 7:3).

  • Astroloog.

    Iemand die de bewegingen van de zon, maan en sterren bestudeert om toekomstige gebeurtenissen te voorspellen (Da 2:27; Mt 2:1).

  • Avondmaal van de Heer.

    Een letterlijke maaltijd die bestaat uit ongezuurd brood en wijn als symbolen van Christus’ lichaam en bloed, een herdenking van Jezus’ dood. Deze herdenking is volgens de Bijbel een vereiste voor christenen en wordt dan ook de Gedachtenisviering genoemd (1Kor 11:20, 23-26).

  • Azazel.

    Een Hebreeuwse naam die mogelijk ‘bok die verdwijnt’ betekent. Op de Verzoendag werd de bok die voor Azazel bestemd  was de woestijn in gestuurd. Zo droeg de bok symbolisch de zonden weg die het volk dat jaar had begaan (Le 16:8, 10).

B

  • Baäl.

    Een Kanaänitische god die werd gezien als de eigenaar van de hemel en de god die regen en vruchtbaarheid gaf. De term werd ook gebruikt voor plaatselijke, lagere goden. Het Hebreeuwse woord betekent ‘eigenaar’, ‘meester’ (1Kon 18:21; Ro 11:4).

  • Ballingschap.

    Verbanning uit het geboorteland of uit een bepaald gebied, vaak op bevel van veroveraars. Het Hebreeuwse woord betekent ‘een vertrekken’. Israël heeft twee keer een grote ballingschap meegemaakt. Het noordelijke tienstammenrijk werd door Assyrië in ballingschap weggevoerd, en later werd het zuidelijke tweestammenrijk door de Babyloniërs weggevoerd. Onder de Perzische regeerder Cyrus ging een overblijfsel van beide groepen ballingen terug naar hun land (2Kon 17:6; 24:16; Ezr 6:21).

  • Bath.

    Een inhoudsmaat voor vloeistoffen. Op basis van archeologische vondsten van kruikscherven met deze benaming erop wordt een bath geschat op ongeveer 22 l. De meeste inhoudsmaten voor vaste stoffen en vloeistoffen in de Bijbel worden berekend volgens de geschatte inhoud van de bath (1Kon 7:38; Ez 45:14). — Zie App. B14.

  • Beëlzebub.

    Een benaming voor Satan, de vorst of heerser van de demonen. Mogelijk een verbastering van Baäl-Zebub, de Baäl die door de Filistijnen in Ekron werd aanbeden (2Kon 1:3; Mt 12:24).

  • Bemiddelaar.

    Iemand die tussen twee partijen bemiddelt om ze met elkaar te verzoenen. In de Bijbel is Mozes de bemiddelaar van het wetsverbond en Jezus die van het nieuwe verbond (Ga 3:19; 1Ti 2:5).

  • Berouw.

    In de Bijbel duidt het op een verandering van denken die samengaat met een diep gevoel van spijt over een vroegere levenswijze, over verkeerde daden of over wat men nagelaten heeft te doen. Oprecht berouw brengt vruchten voort, een verandering van gedrag (Mt 3:8; Han 3:19; 2Pe 3:9).

  • Besnijdenis.

    Verwijdering van de voorhuid van het mannelijk geslachtsdeel. Het gebruik was verplicht voor Abraham en zijn nakomelingen maar is geen vereiste voor christenen. In verschillende contexten wordt de term ook figuurlijk gebruikt (Ge 17:10; 1Kor 7:19; Fil 3:3).

  • Beweegoffer.

    Een offer dat door de priester heen en weer werd bewogen, blijkbaar terwijl de aanbidder het vasthield. Mogelijk hield de priester het zelf vast. De beweging symboliseerde het aanbieden van het offer aan Jehovah (Le 7:30).

  • Blok.

    Een strafwerktuig waarin de voeten werden geklemd om beweging onmogelijk te maken. Soms werden ook de handen en hals vastgezet, waardoor het lichaam in een gebogen of verwrongen houding kwam te zitten (Jer 20:2; Han 16:24).

  • Boekrol.

    Een lange strook perkament of papyrus die aan één kant beschreven was en die gewoonlijk opgerold was op een stok. Gods Woord werd geschreven en gekopieerd op boekrollen (Jer 36:4, 18, 23; Lu 4:17-20; 2Ti 4:13).

  • Boom van de kennis van goed en kwaad.

    Een boom in de tuin van Eden die symbool stond voor Gods recht om voor de mensheid te bepalen wat ‘goed’ en wat ‘kwaad’ is (Ge 2:9, 17).

  • Borsttas.

    Een tas bezet met edelstenen die de hogepriester van Israël op zijn hart droeg als hij het heilige binnenging. De tas werd ‘de borsttas van de rechtspraak’ genoemd omdat daarin de urim en de tummim zaten, die werden gebruikt om Jehovah’s uitspraken duidelijk te maken (Ex 28:15-30). — Zie App. B5.

  • Brandoffer.

    Een dierenoffer dat op het altaar werd verbrand en in zijn geheel aan God werd aangeboden. De aanbidder mocht geen enkel deel van het dier (stier, ram, geitenbok, tortelduif of jonge duif) houden (Ex 29:18; Le 6:9).

  • Buit.

    Bezittingen, vee of andere waardevolle voorwerpen die op een overwonnen vijand werden veroverd (Joz 7:21; 22:8; Heb 7:4).

  • Bul.

    De achtste maand van de Joodse godsdienstige kalender en de tweede maand van de burgerlijke kalender. De naam komt van een grondwoord dat ‘opbrengst’ betekent. De maand liep van half oktober tot half november (1Kon 6:38). — Zie App. B15.

C

  • Caesar.

    Een Romeinse familienaam die een titel werd voor de Romeinse keizers. Augustus, Tiberius en Claudius worden in de Bijbel bij naam genoemd. De titel heeft ook betrekking op Nero, hoewel hij niet bij naam wordt genoemd. Daarnaast wordt ‘caesar’ gebruikt als aanduiding voor de overheid of de staat (Mr 12:17; Han 25:12).

  •  Chaldea, Chaldeeën.

    Oorspronkelijk waren de Chaldeeën de bewoners van het deltagebied van de Tigris en de Eufraat, Chaldea genoemd. Later werden de termen toegepast op heel Babylonië. ‘Chaldeeën’ duidde daarnaast op een ontwikkelde klasse van mensen die zich bezighielden met wetenschap, geschiedenis, talen en astronomie, maar ook met magie en astrologie (Ezr 5:12; Da 4:7; Han 7:4).

  • Cherubs.

    Engelen van een hoge rangorde met speciale taken. Ze verschillen van serafs (Ge 3:24; Ex 25:20; Jes 37:16; Heb 9:5).

  • Christen.

    Een naam die God gaf aan de volgelingen van Jezus Christus (Han 11:26; 26:28).

  • Christus.

    Titel van Jezus, afkomstig van het Griekse Christos, dat overeenkomt met het Hebreeuwse woord voor ‘Messias’ of ‘Gezalfde’ (Mt 1:16; Jo 1:41).

  • Correctie.

    De Hebreeuwse en Griekse woorden die met ‘correctie’ of ‘corrigeren’ worden weergegeven hebben een brede betekenis, waaronder onderwijzen, opvoeden, vermanen, terechtwijzen, raad geven, streng onderrichten en straffen.

D

  • Dagon.

    Een god van de Filistijnen. De oorsprong van het woord is onzeker, maar sommige geleerden brengen het in verband met het Hebreeuwse dagh (vis) (Re 16:23; 1Sa 5:4).

  • Dagster.

    Heeft een soortgelijke betekenis als ‘morgenster’. Het is de laatste ster die aan de oostelijke horizon verschijnt voordat de zon opkomt. De ster kondigt dus het aanbreken van een nieuwe dag aan (Opb 22:16; 2Pe 1:19).

  • Dankoffer.

    Een gemeenschapsoffer dat bedoeld was om God te loven voor zijn voorzieningen en loyale liefde. Men at het vlees van het dier samen met gezuurd en ongezuurd brood. Het vlees moest nog dezelfde dag gegeten worden (2Kr 29:31).

  • Dariek.

    Een Perzische gouden munt van 8,4 g (1Kr 29:7). — Zie App. B14.

  • Dekapolis.

    Een groep van oorspronkelijk tien Griekse steden (van het Griekse deka, ‘tien’, en polis, ‘stad’). Het was ook de naam van het gebied ten oosten van het Meer van Galilea en de Jordaan, waar de meeste van deze steden lagen. Het waren centra van de hellenistische cultuur en handel. Jezus reisde door dit gebied, maar er wordt nergens vermeld of hij een van deze steden heeft bezocht (Mt 4:25; Mr 5:20). — Zie App. A7 en B10.

  • Demonen.

    Onzichtbare boze geesten met bovenmenselijke krachten. Ze werden niet als boze geesten geschapen, want ze worden in Genesis 6:2 ‘de zonen van de ware God’ en in Judas 6 ‘engelen’ genoemd. Ze maakten zichzelf tot vijanden van God door hem in Noachs tijd ongehoorzaam te zijn en zich aan te sluiten bij Satans opstand tegen Jehovah (De 32:17; Lu 8:30; Han 16:16; Jak 2:19).

  • Denarius.

    Een Romeinse zilvermunt van zo’n 3,85 g met op één kant een afbeelding van caesar. Het was het dagloon van een arbeider en de munt waarmee de Joden de belasting betaalden die de Romeinen eisten (Mt 22:17; Lu 20:24). — Zie App. B14.

  • Dienaar in de bediening.

    Een weergave van het Griekse diakonos, dat vaak met ‘dienaar’ wordt vertaald. Een ‘dienaar in de bediening’ is iemand die het lichaam van ouderlingen in de gemeente assisteert. Hij moet aan bepaalde Bijbelse vereisten voldoen om voor dit dienstvoorrecht in aanmerking te komen (1Ti 3:8-10, 12).

  • Doop, dopen.

    Het Griekse werkwoord betekent ‘onderdompelen’ in water. Jezus stelde de doop als een vereiste voor zijn volgelingen. De Bijbel spreekt onder andere ook over de doop van Johannes, de doop met heilige geest en de doop met vuur (Mt 3:11, 16; 28:19; Jo 3:23; 1Pe 3:21).

  • Dorsen.

    Het proces waarbij de graankorrel van de halm en het kaf wordt losgemaakt. Dorsen werd met een stok gedaan. Bij grotere hoeveelheden gebruikte men speciale werktuigen zoals een dorsslede. Dieren trokken die over het graan dat was uitgespreid op de dorsvloer — een vlak, rond en meestal hooggelegen terrein dat in de wind lag (Le 26:5; Jes 41:15; Mt 3:12).

  • Drachme.

    In de Griekse Geschriften een Griekse zilvermunt, die toen 3,4 g woog. In de Hebreeuwse Geschriften wordt er gesproken over een gouden drachme uit de Perzische periode die gelijkgesteld wordt aan de dariek (Ne 7:70; Mt 17:24). — Zie App. B14.

  • Drankoffer.

    Een wijnoffer dat op het altaar werd uitgegoten en dat bij de meeste andere offers werd aangeboden. Paulus gebruikte het figuurlijk om uit te drukken dat hij bereid was zich volledig te geven voor zijn medechristenen (Nu 15:5, 7; Fil 2:17).

  • Duivel.

    Beschrijvende naam voor Satan in de Griekse Geschriften. Het betekent ‘lasteraar’. Satan kreeg de naam Duivel omdat hij de  voornaamste lasteraar en valse beschuldiger is van Jehovah, zijn goede woord en zijn heilige naam (Mt 4:1; Jo 8:44; Opb 12:9).

E

  • Edom.

    Een andere naam voor Esau, de zoon van Isaäk. De nakomelingen van Esau (Edom) namen Seïr in bezit, het bergland tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba. Het kwam bekend te staan als Edom (Ge 25:30; 36:8). — Zie App. B3 en B4.

  • Eed.

    Een beëdigde verklaring om te bevestigen dat iets waar is of een plechtige belofte dat iemand iets wel of niet zal doen, vaak aan iemand die hoger is, in het bijzonder aan God. Jehovah bekrachtigde zijn verbond met Abraham door een eed te zweren (Ge 14:22; Heb 6:16, 17).

  • Eerstelingen.

    De eerste vruchten van een oogst, de eerste resultaten of voortbrengselen van iets. Israël moest de eerstelingen aan Jehovah geven, of het nu ging om een eerstgeboren mens of dier of om de eerste opbrengst van het land. Met het Feest van het Ongezuurde Brood en met Pinksteren offerden de Israëlieten als volk eerstelingen aan God. De term eersteling werd ook figuurlijk gebruikt voor Christus en zijn gezalfde volgelingen (1Kor 15:23; Nu 15:21; Sp 3:9; Opb 14:4).

  • Eerstgeborene.

    Voornamelijk de oudste zoon van een vader (niet zozeer de eerstgeboren zoon van de moeder). In Bijbelse tijden had de eerstgeboren zoon een eervolle positie in het gezin en werd hij bij de dood van de vader het gezinshoofd. De term wordt ook gebruikt voor de eerstgeboren mannetjes van dieren (Ge 25:33; Ex 11:5; 13:12; Kol 1:15).

  • Efa.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen of het vat waarmee graan werd afgemeten. Een efa was gelijk aan een bath, een maat voor vloeistoffen, oftewel 22 l (Ex 16:36; Ez 45:10). — Zie App. B14.

  • Efod.

    Een kledingstuk van priesters dat op een schort lijkt. De hogepriester droeg een speciale efod met aan de voorkant de borsttas met 12 edelstenen (Ex 28:4, 6). — Zie App. B5.

  • Efraïm.

    De naam van Jozefs tweede zoon en later ook de naam van een van de stammen van Israël. Nadat Israël verdeeld raakte, ging Efraïm als de voornaamste stam het hele tienstammenrijk vertegenwoordigen (Ge 41:52; Jer 7:15).

  • Einde van het tijdperk.

    De periode die voorafgaat aan het daadwerkelijke einde van het tijdperk (het samenstel van dingen, de bestaande situatie) dat door Satan beheerst wordt. Die periode valt samen met Christus’ aanwezigheid. Onder leiding van Jezus zullen engelen ‘de slechten scheiden van de rechtvaardigen’ en hen vernietigen (Mt 13:40-42, 49). Jezus’ discipelen wilden graag weten wanneer dat ‘einde’ zou komen (Mt 24:3). Voordat Jezus terugging naar de hemel, beloofde hij zijn volgelingen dat hij tot die tijd met ze zou zijn (Mt 28:20).

  • El.

    Een lengtemaat, ongeveer de afstand tussen de elleboog en het topje van de middelvinger. De Israëlieten gebruikten gewoonlijk een el van 44,5 cm, maar ze kenden ook een el die een handbreedte langer was, zo’n 51,8 cm (Ge 6:15; Lu 12:25). — Zie App. B14.

  • Elul.

    Na de Babylonische ballingschap de 6de maand van de Joodse godsdienstige kalender en de 12de maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half augustus tot half september (Ne 6:15). — Zie App. B15.

  • Engelen.

    Van het Hebreeuwse malʼakh en het Griekse aggelos. Beide woorden betekenen letterlijk ‘boodschapper’ maar worden weergegeven met ‘engel’ als het om hemelse boodschappers gaat (Ge 16:7; 32:3; Jak 2:25; Opb 22:8). Engelen zijn machtige geestelijke wezens die lang vóór de schepping van de mens door God zijn geschapen. Ze worden in de Bijbel ook aangeduid als ‘heilige myriaden’, ‘zonen van God’ en ‘morgensterren’ (De 33:2; Job 1:6; 38:7). Ze werden niet gemaakt met het vermogen zich voort te planten maar zijn afzonderlijk geschapen. Er zijn er meer dan honderd miljoen (Da 7:10). De Bijbel laat uitkomen dat ze elk een eigen naam en persoonlijkheid hebben maar nederig weigeren aanbeden te worden en vaak niet eens hun naam vertellen (Ge 32:29; Lu 1:26; Opb 22:8, 9). Ze hebben verschillende posities en krijgen verschillende toewijzingen. Ze doen bijvoorbeeld dienst voor Jehovah’s troon, brengen zijn boodschappen over, komen Jehovah’s aanbidders op aarde te hulp, voeren Gods oordelen uit en ondersteunen de prediking van het goede nieuws (2Kon 19:35; Ps 34:7; Lu 1:30, 31; Opb 5:11; 14:6). In de toekomst zullen ze samen met Jezus strijden in de oorlog van Armageddon (Opb 19:14, 15).

  • Epicurische filosofen.

    Volgelingen van de Griekse filosoof Epicurus (341-270 v.Chr.). Centraal in hun filosofie stond de idee dat persoonlijk genot het ultieme doel in het leven was (Han 17:18).

  •  Epidemie.

    Besmettelijke ziekte die zich zeer snel en op grote schaal verspreidt. In de Bijbel wordt het vaak in verband gebracht met de voltrekking van een oordeel van God (Am 4:10).

  • Ethanim.

    De zevende maand van de Joodse godsdienstige kalender en de eerste maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half september tot half oktober en werd na de Babylonische ballingschap tisjri genoemd (1Kon 8:2). — Zie App. B15.

  • Ethiopië.

    In de oudheid een land ten zuiden van Egypte dat het zuidelijkste deel van het huidige Egypte en de noordelijke helft van het huidige Soedan omvatte. Het wordt soms gebruikt voor het Hebreeuwse ‘Kusch’ (Es 1:1).

  • Eufraat.

    De langste en belangrijkste rivier van Zuidwest-Azië en een van de twee grote rivieren in Mesopotamië. Hij wordt voor het eerst vermeld in Genesis 2:14 als een van de vier rivieren van Eden en wordt vaak ‘de Rivier’ genoemd (Ge 31:21). Hij vormde de noordelijke grens van Israëls toegewezen gebied (Ge 15:18; Opb 16:12). — Zie App. B2.

  • Eunuch.

    In de letterlijke betekenis een gecastreerde man. Zulke mannen werden aan het koninklijke hof vaak als bedienden of verzorgers van de koningin en de bijvrouwen aangesteld. De term werd ook gebruikt voor een functionaris aan het koninklijke hof die geen letterlijke eunuch was. Figuurlijk wordt de term gebruikt voor ‘een eunuch voor het Koninkrijk’, iemand die zelfbeheersing toont om zich vollediger voor de dienst van God te kunnen inzetten (Mt 19:12; Es 2:15; Han 8:27).

F

  • Farao.

    Een titel voor de koningen van Egypte. Er worden vijf farao’s genoemd in de Bijbel (Sisak, So, Tirhaka, Necho en Hofra). Andere farao’s worden niet bij naam genoemd, zoals de farao’s met wie Abraham, Mozes en Jozef te maken hadden (Ex 15:4; Ro 9:17).

  • Farizeeën.

    Een vooraanstaande religieuze sekte van het jodendom in de eerste eeuw. Ze waren niet van priesterlijke afkomst, maar ze hielden zich tot in de kleinste details aan de wet en hechtten evenveel waarde aan mondelinge tradities als aan de wet (Mt 23:23). Ze verzetten zich tegen de invloed van de Griekse cultuur, en als autoriteiten op het gebied van de wet en de tradities hadden ze veel gezag (Mt 23:2-6). Sommige waren ook lid van het Sanhedrin. Het waren vaak tegenstanders van Jezus als het ging om de sabbat, tradities en omgang met zondaars en belastinginners. Een aantal van hen werd christen, onder wie Saulus van Tarsus (Mt 9:11; 12:14; Mr 7:5; Lu 6:2; Han 26:5).

  • Feest van het Ongezuurde Brood.

    Het eerste van de drie grote jaarlijkse feesten van de Israëlieten. Het begon op 15 nisan, de dag na het Pascha, en duurde zeven dagen. Ter herdenking van de uittocht uit Egypte mocht er alleen ongezuurd brood worden gegeten (Ex 23:15; Mr 14:1).

  • Filistea, Filistijnen.

    Filistea was de kuststrook in het zuiden van Israël. De immigranten uit Kreta die zich daar vestigden werden Filistijnen genoemd. Ze werden door David onderworpen, maar ze bleven onafhankelijk en waren gezworen vijanden van Israël (Ex 13:17; 1Sa 17:4; Am 9:7). — Zie App. B4.

G

  • Geest.

    Het Hebreeuwse roeach en het Griekse pneuma, vaak met ‘geest’ vertaald, hebben een aantal betekenissen. Het gaat altijd om iets dat voor mensenogen onzichtbaar is en blijk geeft van kracht in beweging. De Hebreeuwse en Griekse woorden duiden op (1) wind, (2) de actieve levenskracht in aardse wezens, (3) de aandrijvende kracht die van iemands figuurlijke hart uitgaat en hem ertoe aanzet dingen op een bepaalde manier te zeggen en te doen, (4) geïnspireerde uitspraken afkomstig van een onzichtbare bron, (5) personen in het geestenrijk en (6) Gods actieve kracht of heilige geest (Ex 35:21; Ps 104:29; Mt 12:43; Lu 11:13).

  • Gehenna.

    De Griekse naam voor het Hinnomdal, ten zuidwesten van het oude Jeruzalem (Jer 7:31). Er wordt profetisch over gesproken als een plaats die bezaaid zou zijn met dode lichamen (Jer 7:32; 19:6). Er zijn geen bewijzen dat dieren of mensen in Gehenna werden gegooid om levend verbrand of gepijnigd te worden. Het kan dus geen symbool zijn van een onzichtbare plaats waar menselijke zielen voor eeuwig in letterlijk vuur worden gepijnigd. Gehenna werd door Jezus en zijn discipelen gebruikt als symbool voor de eeuwige straf of ‘tweede dood’, oftewel eeuwige vernietiging, totale uitroeiing (Opb 20:14; Mt 5:22; 10:28).

  • Gelofte.

    Een plechtige belofte aan God om iets te doen, te geven of te offeren, om een dienst op zich te nemen of om zich te onthouden van iets dat niet onwettig was. Een gelofte had evenveel kracht als een eed (Nu 6:2; Pr 5:4; Mt 5:33).

  •  Gelofteoffer.

    Een vrijwillig offer dat bij bepaalde geloften werd gebracht (Le 23:38; 1Sa 1:21).

  • Gemeenschapsoffer.

    — Zie VREDEOFFER.

  • Gemeente.

    Een groep mensen bijeengekomen voor een bepaald doel of werk. In de Hebreeuwse Geschriften duidt het woord over het algemeen op het volk Israël. In de Griekse Geschriften duidt het soms op afzonderlijke gemeenten van christenen maar meestal op de christelijke gemeente in het algemeen (1Kon 8:22; Han 9:31; Ro 16:5).

  • Gera.

    Een gewicht van 0,57 g dat overeenkwam met 1/20 sikkel (Le 27:25). — Zie App. B14.

  • Geselen.

    Een vorm van straf. Soms werd een zweep met knopen of weerhaken gebruikt (Jo 19:1).

  • Getuigenis.

    ‘De getuigenis’ duidt meestal op de twee stenen platen met de tien geboden die Mozes had gekregen (Ex 31:18).

  • Geurige hars.

    Gestold sap (gomhars) van bepaalde soorten bomen en struiken van het geslacht Boswellia. Bij het branden ervan ontstond een aangename geur. Het was een ingrediënt van de heilige wierook die bij de tabernakel en de tempel werd gebruikt. Ook werd het samen met graanoffers geofferd en op beide stapels toonbroden in het heilige gelegd (Ex 30:34-36; Le 2:1; 24:7; Mt 2:11).

  • Giften aan de armen.

    Ook wel gaven van barmhartigheid genoemd. In de Hebreeuwse Geschriften worden ze niet rechtstreeks vermeld, maar de wet gaf de Israëlieten wel specifieke richtlijnen over hun verplichtingen tegenover de armen (Mt 6:2).

  • Gilead.

    Strikt genomen het vruchtbare gebied ten oosten van de Jordaan dat zich ten noorden en ten zuiden van het Jabbokdal uitstrekte. Soms gebruikt voor heel Israëls gebied ten oosten van de Jordaan, waar de stammen Ruben en Gad en de helft van de stam Manasse woonden (Nu 32:1; Joz 12:2; 2Kon 10:33). — Zie App. B4.

  • Gittith.

    Een muziekterm waarvan de betekenis onzeker is maar die afgeleid schijnt te zijn van het Hebreeuwse woord gath. Sommigen denken dat gittith de melodie is van liederen die gezongen werden bij het maken van wijn, omdat gath betrekking heeft op een wijnpers (Ps 81:Ops).

  • Goddeloze.

    Betekent meestal slecht of verdorven. ‘De goddeloze’ is ook een aanduiding voor Satan de Duivel, die tegen God en zijn rechtvaardige normen gekant is (Mt 6:13; 1Jo 5:19).

  • Gods Koninkrijk.

    De term wordt vooral gebruikt voor Gods soevereiniteit vertegenwoordigd door de koninklijke regering van zijn Zoon, Christus Jezus (Mt 12:28; Lu 4:43; 1Kor 15:50).

  • Goede nieuws.

    In de Griekse Geschriften het goede nieuws van Gods Koninkrijk en van redding door geloof in Jezus Christus (Lu 4:18, 43; Han 5:42; Opb 14:6).

  • Gomer.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen die gelijk was aan 2,2 l, een tiende van een efa (Ex 16:16, 18). — Zie App. B14.

  • Gordijn.

    Het schitterend geweven stuk stof, geborduurd met afbeeldingen van cherubs, dat in de tabernakel en in de tempel het heilige van het allerheiligste scheidde (Ex 26:31; 2Kr 3:14; Mt 27:51; Heb 9:3). — Zie App. B5.

  • Graf.

    Met een kleine letter slaat het op een afzonderlijk graf en met een hoofdletter op het collectieve graf van de mensheid (het Hebreeuwse Sjeool en het Griekse Hades). In de Bijbel wordt het beschreven als een symbolische plaats of toestand waar geen activiteit of bewustzijn is (Ge 47:30; Pr 9:10; Han 2:31).

  • Granaatappel.

    Een vrucht in de vorm van een appel met aan één kant een kroon. In de harde schil zitten kleine cellen vol sap met elk een roze of rood pitje. Er zaten versieringen in de vorm van granaatappels aan de zoom van de blauwe mouwloze mantel van de hogepriester en op de kapitelen van de zuilen Jachin en Boaz vóór de tempel (Ex 28:34; Nu 13:23; 1Kon 7:18).

  • Griek.

    Een inwoner van Griekenland of iemand wiens familie daarvandaan kwam. In de Griekse Geschriften wordt het woord ook gebruikt voor alle niet-Joden of mensen die door de Griekse taal en cultuur beïnvloed waren (Joë 3:6; Jo 12:20).

  • Grote verdrukking.

    Het Griekse woord voor ‘verdrukking’ brengt de gedachte over van angst of lijden als gevolg van druk door bepaalde omstandigheden. Jezus sprak over een ongekende ‘grote verdrukking’ die over Jeruzalem zou komen en vooral over een verdrukking die de mensheid later zou treffen in samenhang met zijn komst met majesteit (Mt 24:21, 29-31). Paulus beschreef die verdrukking als een rechtvaardige daad van God tegen ‘hen die God niet kennen en hen die het goede nieuws over onze Heer Jezus niet gehoorzamen’. Openbaring 19 laat zien dat Jezus  de hemelse legers aanvoert tegen ‘het wilde beest en de koningen van de aarde en hun legers’ (2Th 1:6-8; Opb 19:11-21). ‘Een grote menigte’ zal die verdrukking overleven (Opb 7:9, 14). — Zie ARMAGEDDON.

H

  • Hades.

    Een Grieks woord dat overeenkomt met het Hebreeuwse Sjeool. Het is vertaald met ‘Graf’ (met hoofdletter) om duidelijk te maken dat het om het collectieve graf van de mensheid gaat. — Zie GRAF.

  • Handen opleggen.

    Iemand werden de handen opgelegd om hem aan te stellen voor een speciaal werk of om hem aan te wijzen voor een zegen, een genezing of een gave van de heilige geest. Soms legde men de handen op dieren voordat ze werden geofferd (Ex 29:15; Nu 27:18; Han 19:6; 1Ti 5:22).

  • Hebreeër.

    Een aanduiding die voor het eerst werd gebruikt voor Abram (Abraham) en die hem van zijn Amoritische buren onderscheidde. Daarna werd de term gebruikt voor Abrahams nakomelingen via zijn kleinzoon Jakob (Ge 14:13; Ex 5:3).

  • Hebreeuws.

    Taal van de Hebreeën. Ook Christus en zijn discipelen spraken Hebreeuws, maar in hun tijd bevatte het al veel Aramese uitdrukkingen (Han 26:14).

  • Heiden.

    In de Bijbel duidt deze term gewoonlijk op iemand die geen Jood is (of geen christen).

  • Heilig geheim.

    Een onderdeel van Gods voornemen dat zijn oorsprong vindt bij God, pas op zijn vastgestelde tijd wordt onthuld en alleen geopenbaard wordt aan wie hij het wil bekendmaken (Mr 4:11; Kol 1:26).

  • Heilig, heiligheid.

    Een hoedanigheid die inherent is aan Jehovah’s aard, een toestand van absolute morele zuiverheid (Ex 28:36; 1Sa 2:2; Sp 9:10; Jes 6:3). Als het oorspronkelijke Hebreeuwse woord wordt toegepast op mensen (Ex 19:6; 2Kon 4:9), dieren (Nu 18:17), dingen (Ex 28:38; 30:25; Le 27:14), plaatsen (Ex 3:5; Jes 27:13), tijdsperioden (Ex 16:23; Le 25:12) of activiteiten (Ex 36:4), brengt het de gedachte over van afgezonderdheid, exclusiviteit of geheiligd zijn voor de heilige God — voor de dienst van Jehovah bestemd zijn. Ook in de Griekse Geschriften duiden de woorden die met ‘heilig’ en ‘heiligheid’ zijn weergegeven op afzondering voor God. Daarnaast worden de woorden toegepast op de zuiverheid van iemands gedrag (Mr 6:20; 2Kor 7:1; 1Pe 1:15, 16).

  • Heiligdom.

    Over het algemeen een plaats die voor aanbidding was afgezonderd, een heilige plaats. Meestal duidt het op de tabernakel of op de tempel in Jeruzalem. De term wordt ook gebruikt voor Gods woonplaats in de hemel (Ex 25:8, 9; 2Kon 10:25; 1Kr 28:10; Opb 11:19).

  • Heilige.

    Het eerste en grootste gedeelte van de tabernakel en van de tempel. Het tweede en binnenste gedeelte was het allerheiligste. In het heilige van de tabernakel bevonden zich de gouden lampenstandaard, het gouden reukofferaltaar, de tafel met het toonbrood en de gouden voorwerpen. In de tempel bevonden zich daar het gouden altaar, tien gouden lampenstandaarden en tien tafels voor het toonbrood (Ex 26:33; Heb 9:2). — Zie App. B5 en B8.

  • Heilige dienst.

    Dienst of arbeid die heilig is en rechtstreeks verband houdt met de aanbidding van God (Ro 12:1; Opb 7:15).

  • Heilige geest.

    De onzichtbare, aandrijvende kracht die God in werking stelt om zijn wil uit te voeren. Deze geest is heilig omdat hij afkomstig is van Jehovah, die in de hoogste mate rein en rechtvaardig is, en omdat God hiermee tot stand brengt wat heilig is (Lu 1:35; Han 1:8).

  • Heilige paal.

    Het Hebreeuwse woord (ʼasjerah) duidt op (1) een heilige paal die de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodin Asjera symboliseerde of (2) een beeld van de godin Asjera zelf. De palen stonden blijkbaar rechtop en waren in ieder geval gedeeltelijk van hout. Het kunnen onbewerkte palen of zelfs bomen zijn geweest (De 16:21; Re 6:26; 1Kon 15:13).

  • Heilige zuil.

    Een rechtopstaande zuil, meestal van steen, en kennelijk een fallussymbool van Baäl of andere valse goden (Ex 23:24).

  • Herinneringsgraf.

    Een graf waarin het stoffelijk overschot van een overleden persoon werd gelegd. Deze term is een weergave van het Griekse woord mnemeion, afgeleid van het werkwoord ‘zich herinneren’, wat de gedachte overbrengt dat de overleden persoon in de herinnering voortleeft (Jo 5:28, 29).

  • Hermes.

    Griekse god, zoon van Zeus. In Lystra werd Paulus ten onrechte Hermes genoemd, want Hermes werd gezien als de god van de welsprekendheid en een boodschapper van de goden (Han 14:12).

  • Herodes.

    De naam van de dynastie die op gezag van Rome over de Joden regeerde. De eerste heerser was Herodes de Grote, die  bekend is vanwege de herbouw van de tempel in Jeruzalem en de kindermoord waartoe hij opdracht gaf in een poging Jezus te doden (Mt 2:16; Lu 1:5). Herodes Archelaüs en Herodes Antipas, zonen van Herodes de Grote, werden aangesteld over delen van het gebied van hun vader (Mt 2:22). Antipas was een tetrarch en werd in de volksmond ‘koning’ genoemd. Hij regeerde tijdens Christus’ drieënhalfjarige dienst en in de periode die wordt beschreven in Handelingen 1-11 (Mr 6:14-17; Lu 3:1, 19, 20; 13:31, 32; 23:6-15; Han 4:27; 13:1). Herodes Agrippa I, de kleinzoon van Herodes de Grote, werd door Gods engel terechtgesteld na een korte tijd te hebben geregeerd (Han 12:1-6, 18-23). Zijn zoon, Herodes Agrippa II, regeerde tot de tijd van de Joodse opstand tegen Rome (Han 23:35; 25:13, 22-27; 26:1, 2, 19-32).

  • Herodes, aanhangers van.

    Ook herodianen genoemd. Ze vormden een partij van nationalisten die de politieke belangen steunde van de Herodes-dynastie bij hun bestuur onder de Romeinen. Sommigen van de sadduceeën hoorden waarschijnlijk bij deze partij. De herodianen en de farizeeën waren verenigd in hun tegenstand tegen Jezus (Mr 3:6).

  • Higgajon.

    Een muziektechnische aanwijzing. In Psalm 9:16 kan de term duiden op een plechtig tussenspel op de harp in lage tonen of op een plechtige pauze voor meditatie.

  • Hin.

    Een inhoudsmaat voor vloeistoffen of de kan waarmee een hin werd gemeten. Een hin was 3,67 l, gebaseerd op de opmerking van de geschiedschrijver Josephus dat een hin overeenkwam met twee Attische choës (Ex 29:40). — Zie App. B14.

  • Hoeksteen.

    Een steen op de hoek van een gebouw die twee muren verbindt en verstevigt. De belangrijkste hoeksteen was de fundament-hoeksteen. Voor openbare gebouwen en stadsmuren werd gewoonlijk een bijzonder sterke steen uitgekozen. De term wordt figuurlijk gebruikt voor de grondvesting van de aarde. Jezus wordt aangeduid als de ‘fundament-hoeksteen’ van de christelijke gemeente, die vergeleken wordt met een geestelijk huis (Ef 2:20; Job 38:6)

  • Hoer.

    — Zie PROSTITUEE.

  • Hoererij.

    — Zie SEKSUELE IMMORALITEIT.

  • Hogepriester.

    Onder de wet van Mozes de voornaamste priester, die het volk voor God vertegenwoordigde en die aan het hoofd stond van de andere priesters. Ook ‘de overpriester’ genoemd (2Kr 26:20; Ezr 7:5). Hij was de enige die het allerheiligste (het binnenste gedeelte van de tabernakel en later van de tempel) mocht binnengaan. Dat deed hij alleen op de jaarlijkse Verzoendag. De term hogepriester wordt ook op Jezus Christus toegepast (Le 16:2, 17; 21:10; Mt 26:3; Heb 4:14).

  • Homer.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen die overeenkwam met de kor. Een homer was 220 l, gebaseerd op de geschatte inhoud van de bath (Le 27:16). — Zie App. B14.

  • Hoorns van het altaar.

    Hoornvormige uitsteeksels aan de vier hoeken van sommige altaren (Le 8:15; 1Kon 2:28). — Zie App. B5 en B8.

  • Hoorn.

    Verwijst naar de hoorns van dieren, die werden gebruikt om er olie, drank, inkt of cosmetica in te doen, en ook als muziek- of signaalinstrument (1Sa 16:1, 13; 1Kon 1:39; Ez 9:2). ‘Hoorn’ wordt vaak figuurlijk gebruikt als symbool van kracht, verovering en overwinning (De 33:17; Mi 4:13; Za 1:19).

  • Horeb.

    Het bergland rondom de berg Sinaï. Het was ook een andere naam voor de berg Sinaï (Ex 3:1; De 5:2). — Zie App. B3.

  • Huisgoden.

    Afgodsbeelden, ook terafim genoemd, die soms werden gebruikt om voortekens te zoeken (Ez 21:21). Sommige hadden de grootte en vorm van een mens, andere waren veel kleiner (Ge 31:34; 1Sa 19:13, 16). Uit archeologische vondsten in Mesopotamië blijkt dat het bezit van deze beelden invloed had op wie de familie-erfenis zou krijgen. (Dat was misschien de reden waarom Rachel de huisgoden van haar vader meenam.) Dat was blijkbaar in Israël niet het geval, hoewel zowel in de tijd van de rechters als van de koningen huisgoden bij valse aanbidding werden gebruikt. Bij de voorwerpen die de trouwe koning Josia vernietigde zaten ook huisgoden (Re 17:5; 2Kon 23:24; Ho 3:4).

  • Hysop.

    Een plant met dunne stengels en bladeren, gebruikt voor het sprenkelen van bloed of water bij reinigingsceremonieën. Mogelijk marjolein of majoraan (Origanum maru; Origanum syriacum). De hysop waarover Johannes 19:29 spreekt, kan marjolein bevestigd aan een stengel zijn geweest of doerra, een gierstras (Sorghum vulgare), omdat die plant een stengel kon leveren die lang genoeg was om de spons met zure wijn naar Jezus’ mond te brengen (Ex 12:22; Ps 51:7).

I

  •  Illyrië.

    Een Romeinse provincie ten noordwesten van Griekenland. Paulus reisde voor zijn dienst helemaal tot Illyrië, maar er wordt niet gezegd of hij ook echt in die provincie heeft gepredikt of alleen tot aan de grens ervan (Ro 15:19). — Zie App. B13.

  • Inslag.

    De dwarse draden van een weefsel. Ze werden afwisselend over en onder de lengtedraden (de schering) geweven (Le 13:59).

  • Inwijdingsfeest.

    De jaarlijkse herdenking van de reiniging van de tempel nadat die door Antiochus Epiphanes was ontwijd. Het feest begon op 25 kislev en duurde acht dagen (Jo 10:22).

  • Israël.

    De naam die God aan Jakob gaf. Uiteindelijk werd het een aanduiding voor al zijn nakomelingen als collectief, in welke tijd maar ook. De nakomelingen van Jakobs 12 zonen werden vaak de zonen van Israël genoemd, het huis van Israël, het volk Israël, de mannen van Israël of de Israëlieten. Israël werd ook gebruikt als naam voor het noordelijke tienstammenrijk dat zich van het zuidelijke koninkrijk afscheidde, en later als term voor gezalfde christenen, ‘het Israël van God’ (Ga 6:16; Ge 32:28; 2Sa 7:23; Ro 9:6).

J

  • Jakob.

    Een zoon van Isaäk en Rebekka. God gaf hem later de naam Israël, en hij werd de patriarch van het volk Israël (ook Israëlieten en later Joden genoemd). Hij was de vader van de 12 zonen die met hun nakomelingen de 12 stammen van het volk Israël vormden. De naam Jakob werd ook gebruikt voor het volk Israël (Ge 32:28; Mt 22:32).

  • Jeduthun.

    Een term in het opschrift van Psalm 39, 62 en 77 waarvan de betekenis onzeker is. Deze opschriften lijken aanwijzingen te zijn voor de uitvoering van de psalm, misschien aanduidingen van een stijl of een muziekinstrument. Er was een Levitische musicus die Jeduthun heette, en het kan dus zijn dat die stijl of dat instrument met hem of zijn zonen verband hield.

  • Jehovah.

    De Nederlandse weergave van het Tetragrammaton (de vier Hebreeuwse letters voor de persoonlijke naam van God), die ruim 7000 keer in deze vertaling voorkomt. — Zie App. A4 en A5.

  • Jood.

    Een term die gebruikt werd voor iemand van de stam Juda na de val van het tienstammenrijk Israël (2Kon 16:6). Na de Babylonische ballingschap werd de term gebruikt voor Israëlieten van verschillende stammen die naar Israël terugkwamen (Ezr 4:12). Later werd de term in de hele wereld gebruikt om Israëlieten van heidense volken te onderscheiden (Es 3:6). Paulus gebruikt de term figuurlijk als hij redeneert dat in de christelijke gemeente iemands nationaliteit er niet toe doet (Ro 2:28, 29; Ga 3:28).

  • Jubeljaar.

    Elk 50ste jaar, gerekend vanaf de tijd dat Israël het beloofde land binnenging. Tijdens het jubeljaar moest het land braak liggen en moesten Hebreeuwse slaven in vrijheid worden gesteld. Erfelijk grondbezit dat verkocht was, werd teruggegeven. Het jubeljaar was in zekere zin een heel jaar van feest, een jaar van vrijheid waarin de natie weer in de staat kwam die God oorspronkelijk had bepaald (Le 25:10).

  • Juda.

    Jakobs vierde zoon bij zijn vrouw Lea. In zijn sterfbedprofetie voorspelde Jakob dat er uit Juda’s afstammingslijn een grote, blijvende heerser zou komen. Als mens stamde Jezus van Juda af. De naam Juda duidt ook op de stam en later op het koninkrijk dat ernaar genoemd werd. Juda, ook wel het zuidelijke koninkrijk genoemd, bestond uit de stammen Juda en Benjamin, en de priesters en Levieten. Juda omvatte het zuidelijke deel van het land, waar zich ook Jeruzalem en de tempel bevonden (Ge 29:35; 49:10; 1Kon 4:20; Heb 7:14).

  • Juk.

    Een balk die mensen op de schouders droegen met lasten aan de twee uiteinden of een houten blok om twee trekdieren (gewoonlijk runderen) voor een ploeg of wagen te spannen. Omdat slaven vaak zware lasten droegen met een juk, was het juk een symbool van slavernij, onderwerping, onderdrukking en lijden. Het wegnemen of verbreken van het juk duidde op bevrijding van slavernij, onderdrukking en uitbuiting (Le 26:13; Mt 11:29, 30).

K

  • Kab.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen. Een kab was 1,22 l, gebaseerd op de geschatte inhoud van de bath (2Kon 6:25). — Zie App. B14.

  • Kaf.

    De hulzen die van de eetbare graankorrels worden gescheiden tijdens het dorsen en wannen. In beeldspraak staat kaf symbool voor iets dat waardeloos en ongewenst is (Ps 1:4; Mt 3:12).

  • Kamos.

    De hoofdgod van de Moabieten (1Kon 11:33).

  •  Kanaän.

    Een kleinzoon van Noach en de vierde zoon van Cham. ‘Het land Kanaän’ is het gebied langs de oostkant van de Middellandse Zee tussen Egypte en Syrië dat uiteindelijk bewoond werd door de 11 stammen die van Kanaän afstamden (Le 18:3; Ge 9:18; Han 13:19). — Zie App. B4.

  • Kapiteel.

    De decoratieve bovenkant van een zuil. Vóór de tempel van Salomo stonden de twee zuilen Jachin en Boaz (1Kon 7:16). — Zie App. B8.

  • Kassie.

    Een product van de kaneelkassieboom (Cinnamomum cassia), een boom uit dezelfde familie als de kaneelboom. Kassie werd gebruikt als geurstof en was een van de ingrediënten van de heilige zalfolie (Ex 30:24; Ps 45:8; Ez 27:19).

  • Kislev.

    Na de Babylonische ballingschap de negende maand van de Joodse godsdienstige kalender en de derde maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half november tot half december (Ne 1:1; Za 7:1). — Zie App. B15.

  • Klaaglied.

    Een rouwlied, een lyrisch gedicht of muziekstuk waarin uiting wordt gegeven aan diep verdriet, bijvoorbeeld om de dood van een vriend of een dierbare (2Sa 1:17; Ps 7:Ops).

  • Koningin van de hemel.

    De titel van een godin die in de tijd van Jeremia door afvallige Israëlieten werd aanbeden. Volgens sommigen gaat het om de Babylonische godin Isjtar (Astarte). Zij is de tegenhanger van de oudere Sumerische godin Inanna, een naam die ‘koningin van de hemel’ betekent. Ze werd niet alleen met de hemel in verband gebracht maar was ook een vruchtbaarheidsgodin. Astarte wordt in een Egyptische inscriptie ook ‘Gebiedster van de hemel’ genoemd (Jer 44:19).

  • Koorleider.

    In de Psalmen lijkt de Hebreeuwse term te duiden op iemand die op de een of andere manier liederen arrangeerde, het zingen ervan dirigeerde, ze met de Levitische zangers instudeerde en oefende en zelfs het officiële optreden verzorgde. Andere vertalingen gebruiken ‘zangleider’ of ‘orkestmeester’ (Ps 4:Ops; 5:Ops).

  • Kopiist.

    Iemand die de Hebreeuwse Geschriften overschreef, een schrijver (Ezr 7:6, vtn.).

  • Kor.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen en vloeistoffen. Een kor was 220 l, gebaseerd op de geschatte inhoud van de bath (1Kon 5:11). — Zie App. B14.

  • Koraal.

    Een harde, steenachtige substantie die wordt gevormd door de skeletten van kleine zeediertjes. Koralen zijn er in verschillende kleuren, waaronder rood, wit en zwart. Ze kwamen vooral veel voor in de Rode Zee. In Bijbelse tijden was rood koraal (bloedkoraal) erg waardevol. Er werden kralen en andere sieraden van gemaakt (Sp 8:11).

L

  • Laatste dagen.

    Deze term en ook uitdrukkingen als ‘het einde van de dagen’ worden in Bijbelse profetieën gebruikt voor een tijd waarin historische gebeurtenissen een beslissende climax bereiken (Ez 38:16; Da 10:14; Han 2:17). Afhankelijk van de aard van de profetie kan het om een periode gaan van maar een paar jaar of van vele jaren. De Bijbel gebruikt deze term in het bijzonder voor ‘de laatste dagen’ van het huidige tijdperk, tijdens Jezus’ onzichtbare aanwezigheid (2Ti 3:1; Jak 5:3; 2Pe 3:3).

  • Lepton.

    In de tijd van de Griekse Geschriften het kleinste Joodse muntstuk van koper of brons (Mr 12:42; Lu 21:2; vtnn.). — Zie App. B14.

  • Levensboom.

    Een boom in de tuin van Eden. De Bijbel zegt niet dat de vruchten levengevende eigenschappen bezaten. Maar de boom stond er symbool voor dat God degenen die hij ervan liet eten, eeuwig leven garandeerde (Ge 2:9; 3:22).

  • Levi, Leviet.

    Levi was Jakobs derde zoon bij zijn vrouw Lea. De naam Levi duidt ook op de stam. De nakomelingen van zijn drie zonen vormden de drie hoofdafdelingen van wat de Levitische priesterschap wordt genoemd. Soms duidt de term Levieten op de hele stam, maar gewoonlijk valt de priesterlijke familie van Aäron er niet onder. De stam Levi ontving geen stuk land in het beloofde land maar kreeg 48 steden in de gebieden die aan de andere stammen waren toegewezen (De 10:8; 1Kr 6:1; Heb 7:11).

  • Leviathan.

    Een dier dat meestal met water in verband wordt gebracht, blijkbaar een bepaald soort waterdier. In Job 3:8 en 41:1 lijkt de term te slaan op de krokodil of een ander groot, sterk waterdier. In Psalm 104:26 zou het een walvissoort kunnen zijn. Op andere plaatsen wordt de term figuurlijk gebruikt en kan hij niet met een bepaald dier worden geïdentificeerd (Ps 74:14; Jes 27:1).

  • Libanongebergte.

    Een van de twee bergketens van het land Libanon. De Libanon is de  westelijke bergketen en de Anti-Libanon de oostelijke. De twee bergketens worden gescheiden door een langgerekte, vruchtbare vallei. De Libanon ligt dicht langs de Middellandse Zeekust en de toppen zijn tussen de 1800 en 2100 m hoog. In de oudheid was de Libanon bedekt met statige ceders, die onder de omliggende volken heel gewild waren (De 1:7; Ps 29:6; 92:12). — Zie App. B7.

  • Lied van de opgangen.

    Het opschrift van Psalm 120-134. Hoewel er verschillende opvattingen zijn over de betekenis van de uitdrukking, geloven velen dat deze 15 psalmen gezongen werden door Israëlitische pelgrims die ‘opgingen’ naar Jeruzalem, dat hoog in de bergen van Juda lag, om de drie jaarlijkse feesten bij te wonen.

  • Log.

    De kleinste inhoudsmaat voor vloeistoffen die in de Bijbel wordt genoemd. Volgens de Joodse Talmoed is de log gelijk aan 1/12 hin. Op grond daarvan zou de log 0,31 l zijn (Le 14:10). — Zie App. B14.

  • Loofhuttenfeest.

    Ook het Inzamelingsfeest genoemd. Het werd gehouden van 15 tot 21 ethanim. Met dit feest vierde Israël de oogst aan het eind van hun landbouwjaar. Het was een tijd om blij te zijn en Jehovah te danken voor zijn zegen op hun gewassen. Tijdens het feest woonden de mensen in loofhutten, zodat ze zouden terugdenken aan de uittocht uit Egypte. Het was een van de drie feesten die mannen moesten gaan vieren in Jeruzalem (Le 23:34; Ezr 3:4).

  • Losprijs.

    Een prijs die werd betaald om iemand te bevrijden van gevangenschap, straf, lijden, zonde of zelfs een verplichting. De prijs werd niet altijd in geld betaald (Jes 43:3). Verschillende situaties vereisten een losprijs. Er moest bijvoorbeeld een prijs worden betaald om alle eerstgeboren jongetjes en mannelijke dieren in Israël, die van Jehovah waren, los te kopen van exclusief gebruik in Jehovah’s dienst (Nu 3:45, 46; 18:15, 16). Als een gevaarlijke, loslopende stier iemand doodde, werd de eigenaar een losprijs opgelegd om hem te verlossen van het doodvonnis (Ex 21:29, 30). Maar voor een opzettelijke moordenaar werd geen losprijs aangenomen (Nu 35:31). De offerdood van Christus is de belangrijkste losprijs in de Bijbel. Die betaalde hij om gehoorzame mensen te bevrijden van zonde en dood (Ps 49:7, 8; Mt 20:28; Ef 1:7).

  • Loten.

    Kiezels of stukjes hout of steen die werden gebruikt om beslissingen te nemen. Ze werden in de plooien van een mantel of in een kruik gedaan en daarna geschud. De keuze viel op degene van wie het lot eruit viel of eruit werd getrokken. Zo’n loting (werpen van het lot) werd vaak onder gebed gedaan. (Joz 14:2; Sp 16:33; Mt 27:35).

  • Loyale liefde.

    Meestal een weergave van het Hebreeuwse chesedh, dat duidt op liefde gemotiveerd door toewijding, trouw, loyaliteit en innige gehechtheid. Het wordt vaak gebruikt in verband met Gods liefde voor mensen, maar het kan ook liefde tussen mensen zijn (Ex 34:6; Ru 3:10).

M

  • Maalsteen.

    Een ronde steen boven op een andere steen die gebruikt werd om graan tot meel te malen, ook wel molensteen genoemd. Een pin in het midden van de onderste steen diende als as voor de bovenste steen. In Bijbelse tijden gebruikten vrouwen in de meeste huizen een handmolen. Omdat een gezin voor het dagelijks brood van de handmolen afhankelijk was, verbood de wet van Mozes het om een handmolen of de bovenste maalsteen ervan als onderpand te nemen. Grotere molens met een soortgelijke constructie werden door dieren rondgedraaid (De 24:6; Mr 9:42, vtn.).

  • Macedonië.

    Een gebied ten noorden van Griekenland dat onder Alexander de Grote een prominentere macht werd en dat onafhankelijk bleef tot het door de Romeinen werd veroverd. Macedonië was een Romeinse provincie toen Paulus voor het eerst naar Europa ging. Paulus heeft het gebied drie keer bezocht (Han 16:9). — Zie App. B13.

  • Magistraten.

    Onder de regering van Babylon waren politiemagistraten staatsbeambten in de provincies met kennis van de wet en beperkt rechterlijk gezag. In de Romeinse kolonies hadden magistraten bestuurlijke taken. Ze moesten de orde handhaven, de financiën beheren, wetsovertreders berechten en bevel geven tot strafvoltrekking (Da 3:2; Han 16:20).

  • Mahalath.

    Blijkbaar een muziekterm, die in de opschriften van Psalm 53 en 88 voorkomt. De term is mogelijk verwant aan een Hebreeuws grondwerkwoord dat ‘zwak (ziek) worden’ betekent. Dat zou wijzen op een zwaarmoedige, droevige melodie en aansluiten bij de sombere inhoud van de twee liederen.

  • Malkam.

    Waarschijnlijk dezelfde als Molech, de hoofdgod van de Ammonieten (Ze 1:5). — Zie MOLECH.

  •  Manna.

    Het hoofdvoedsel van de Israëlieten tijdens hun 40 jaar in de woestijn. Het was een voorziening van Jehovah. Door een wonder verscheen het elke ochtend, behalve op de sabbat, onder een dauwlaag op de grond. Toen de Israëlieten het voor het eerst zagen, zeiden ze: ‘Wat is dat?’ (in het Hebreeuws: man hoe?) (Ex 16:13-15, 35) In andere contexten wordt het aangeduid als ‘het koren van de hemel’ (Ps 78:24), ‘brood uit de hemel’ (Ps 105:40) en ‘het brood van machtigen’ (Ps 78:25). Jezus had het ook over manna in een figuurlijke betekenis (Jo 6:49, 50).

  • Martelpaal.

    De weergave van het Griekse stauros, dat op een rechtopstaande paal duidt, zoals de paal waaraan Jezus werd terechtgesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat het Griekse woord duidde op een kruis, zoals dat al eeuwen vóór Christus door de heidenen als religieus symbool werd gebruikt. ‘Martelpaal’ geeft de volledige betekenis weer van stauros, want Jezus gebruikte het ook voor de martelingen, het lijden en de schande die zijn volgelingen zouden ondergaan (Mt 16:24; Heb 12:2). — Zie PAAL.

  • Maskil.

    Een Hebreeuwse term in het opschrift van 13 psalmen. De betekenis is onzeker maar mogelijk betekent het ‘beschouwend, bespiegelend gedicht’. Volgens sommigen komt de betekenis overeen met die van een soortgelijk woord dat vertaald is met ‘dienst doen met inzicht’ (2Kr 30:22; Ps 32:Ops).

  • Meden, Medië.

    De Meden waren een volk dat afstamde van Jafeths zoon Madai. Ze vestigden zich in het Iraanse hoogland dat bekend kwam te staan als het land Medië. De Meden sloten zich bij Babylon aan om Assyrië te verslaan. Perzië was toen een provincie onder Medië, maar Cyrus kwam in opstand en Medië ging samen met Perzië het rijk Medië-Perzië vormen, dat in 539 v.Chr. het Nieuw-Babylonische Rijk versloeg. Met Pinksteren 33 waren er Meden in Jeruzalem aanwezig (Da 5:28, 31; Han 2:9). — Zie App. B9.

  • Medium.

    Iemand die beweert dat hij met de doden praat (Le 20:27; De 18:10-12; 2Kon 21:6).

  • Meeldauw.

    Benaming voor een grote groep parasitaire plantenziekten veroorzaakt door schimmels. Volgens sommigen is de meeldauw uit de Bijbel de zwarte roest (Puccinia graminis) (1Kon 8:37).

  • Meer van vuur.

    Een symbolische plaats die ‘met vuur en zwavel brandt’, ook ‘de tweede dood’ genoemd. Berouwloze zondaars, de Duivel en zelfs de dood en het Graf (Hades) worden erin gegooid. De vermelding van een geestelijk wezen en ook van de dood en Hades, die allemaal niet door vuur aangetast kunnen worden, toont aan dat dit meer geen symbool is van eeuwige pijniging maar van eeuwige vernietiging (Opb 19:20; 20:14, 15; 21:8).

  • Meetriet.

    Een meetriet was zes el lang. Uitgaande van de gewone el was dat 2,67 m en uitgaande van de lange el 3,11 m (Ez 40:3, 5; Opb 11:1). — Zie App. B14.

  • Melaatsheid.

    Een ernstige huidziekte. In de Bijbel kan melaatsheid niet alleen duiden op een huidziekte zoals lepra, maar ook op iets dat kleding en huizen aantastte (Le 14:54; Lu 5:12).

  • Mensenzoon.

    Een term die in de evangeliën bijna 80 keer voorkomt. De term slaat op Jezus Christus en laat uitkomen dat hij door zijn menselijke geboorte een mens werd en geen geestelijk wezen met een gematerialiseerd lichaam was. De term laat ook uitkomen dat Jezus de profetie in Daniël 7:13, 14 zou vervullen. In de Hebreeuwse Geschriften worden Ezechiël en Daniël ‘mensenzoon’ genoemd om het contrast te laten uitkomen tussen die sterfelijke woordvoerders en de Bron van hun boodschap, God (Ez 3:17; Da 8:17; Mt 19:28; 20:28).

  • Merodach.

    De hoofdgod van de stad Babylon. Nadat de Babylonische koning en wetgever Hammurabi Babylon tot de hoofdstad van Babylonië had gemaakt, werd Merodach (Marduk) steeds belangrijker. Uiteindelijk verdrong hij een aantal van de vroegere goden en werd hij de hoofdgod van alle Babylonische goden. Later werd de naam Merodach (Marduk) vervangen door de titel Belu (eigenaar) en werd Merodach gewoonlijk Bel genoemd (Jer 50:2).

  • Messen.

    Gereedschap van goud of koper dat in de tabernakel en de tempel werd gebruikt. Het kan een soort schaar zijn geweest waarmee lampenpitten werden afgeknipt om het vuur te doven (2Kon 25:14).

  • Messias.

    Een woord dat afkomstig is van het Hebreeuwse woord voor ‘gezalfde’. ‘Christus’ is het equivalent dat van het Grieks afkomstig is (Da 9:25; Jo 1:41).

  • Mijl.

    Een afstandsmaat die maar één keer in de oorspronkelijke tekst van de Griekse Geschriften voorkomt, in Mattheüs 5:41. Waarschijnlijk wordt hiermee de Romeinse mijl (1479,5 m) bedoeld. — Zie App. B14.

  • Miktam.

    Een Hebreeuws woord in het opschrift van zes psalmen (Ps 16, 56-60). Het  is een technische term waarvan de betekenis onzeker is maar die misschien verband houdt met het woord ‘epigram’.

  • Milkom.

    Een god die door de Ammonieten werd aanbeden, waarschijnlijk dezelfde als Molech (1Kon 11:5, 7). Salomo bouwde tegen het eind van zijn regering offerhoogten voor deze valse god. — Zie MOLECH.

  • Millo.

    Een geografisch of bouwkundig deel van de Stad van David, mogelijk terrasgewijs aangelegde steunmuren of een andere ondersteunende constructie (2Sa 5:9; 1Kon 11:27).

  • Mine.

    In Ezechiël ook mane genoemd. Zowel een gewichts- als geldeenheid. Uit archeologisch bewijsmateriaal blijkt dat een mine 50 sikkels was en een sikkel 11,4 g woog. Op basis daarvan zou de mine van de Hebreeuwse Geschriften 570 g wegen. Er kan ook een koninklijke mine zijn geweest, zoals in het geval van de el. In de Griekse Geschriften was een mine gelijk aan 100 drachmen en woog hij 340 g. Zestig minen waren gelijk aan een talent (Ezr 2:69; Lu 19:13). — Zie App. B14.

  • Mirre.

    Een aromatische gomhars gewonnen uit verschillende doornstruiken of kleine bomen van het geslacht Commiphora. Mirre was een van de ingrediënten van de heilige zalfolie. Het werd gebruikt om er dingen als kleding en bedden mee te parfumeren en werd toegevoegd aan massageolie en huidcrème. Mirre werd ook gebruikt om lichamen te balsemen voor de begrafenis (Ex 30:23; Sp 7:17; Jo 19:39).

  • Moeth-Labben.

    Een term in het opschrift van Psalm 9. Volgens de traditie betekent het ‘over de dood van de zoon’. Volgens sommigen was het de naam of de aanhef van een bekende melodie waarop deze psalm gezongen moest worden.

  • Molech.

    Een god van de Ammonieten, waarschijnlijk dezelfde als Malkam, Milkom en Moloch. Mogelijk is het een titel in plaats van de naam van een specifieke god. De wet van Mozes eiste de doodstraf voor iedereen die zijn kinderen aan Molech offerde (Le 20:2; Jer 32:35; Han 7:43).

  • Molensteen.

    — Zie MAALSTEEN.

  • Moloch.

    — Zie MOLECH.

  • Morgenster.

    — Zie DAGSTER.

N

  • Nalezen.

    Het verzamelen van de restanten van een oogst die de oogsters opzettelijk of onopzettelijk hadden achtergelaten. In de wet van Mozes kreeg het volk het gebod de randen van hun velden niet helemaal af te oogsten en niet alle olijven of druiven te verzamelen. God gaf de armen, onderdrukten, vreemdelingen, vaderloze kinderen en weduwen het recht om te verzamelen wat er na de oogst was overgebleven (Ru 2:7, vtn.).

  • Nardusolie.

    Kostbare, geurige olie met een lichtrode kleur, gewonnen uit de nardusplant (Nardostachys jatamansi). Vanwege de hoge prijs werd nardusolie vaak vermengd met olie van mindere kwaliteit, en soms werd de olie nagemaakt. Het is interessant dat Markus en Johannes allebei zeiden dat er ‘echte’ nardusolie over Jezus werd uitgegoten (Mr 14:3; Jo 12:3).

  • Nazarener.

    Jezus werd zo genoemd omdat hij uit Nazareth kwam. In het Hebreeuws is het waarschijnlijk verwant aan het woord voor ‘spruit’ in Jesaja 11:1. Later werd de term ook gebruikt voor Jezus’ volgelingen (Mt 2:23; Han 24:5).

  • Nazireeër.

    Een woord dat is afgeleid van de Hebreeuwse term voor ‘afgezonderde’, ‘opgedragene’, ‘afgescheidene’. Er waren twee klassen nazireeërs: de vrijwillige nazireeërs en degenen die door God waren aangesteld. Een man of een vrouw kon een speciale gelofte aan Jehovah doen om voor een bepaalde tijd als nazireeër te leven. Voor degenen die vrijwillig zo’n gelofte deden, golden drie belangrijke restricties: ze mochten geen alcohol drinken en geen enkel product van de wijnstok eten, ze mochten hun haar niet knippen en ze mochten geen dood lichaam aanraken. Nazireeërs die door God waren aangesteld, bleven dat hun hele leven. Jehovah bepaalde wat de vereisten voor hen waren (Nu 6:2-7; Re 13:5).

  • Nechiloth.

    Een term in het opschrift van Psalm 5 waarvan de betekenis onzeker is. Sommigen zijn van mening dat het om een blaasinstrument gaat omdat ze het in verband brengen met een Hebreeuws grondwoord dat verwant is aan chalil (fluit). Maar het kan ook een melodie zijn.

  • Nefilim.

    De gewelddadige bastaardkinderen van de gematerialiseerde engelen en ‘de dochters van de mensen’. Ze leefden vóór de vloed (Ge 6:4).

  • Nethinim.

    Niet-Israëlitische tempelknechten of -dienaren. De Hebreeuwse term betekent letterlijk ‘gegevenen’, wat impliceert dat ze gegeven waren voor de tempeldienst. Waarschijnlijk waren veel Nethinim nakomelingen van de Gibeonieten, die Jozua had aangesteld  als ‘houthakkers en waterputters voor de gemeenschap en voor Jehovah’s altaar’ (Joz 9:23, 27; 1Kr 9:2; Ezr 8:17).

  • Nieuwemaan.

    De eerste dag van elke Joodse kalendermaand, waarop men bij elkaar kwam, feestvierde en speciale offers bracht. Later werd de dag een belangrijke nationale feestdag, waarop mensen niet werkten (Nu 10:10; 2Kr 8:13; Kol 2:16).

  • Nisan.

    Na de Babylonische ballingschap de nieuwe naam van abib, de eerste maand van de Joodse godsdienstige kalender en de zevende maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half maart tot half april (Ne 2:1). — Zie App. B15.

O

  • Offerhoogte.

    Een plaats van aanbidding, meestal boven op een heuvel, een berg of een door mensen gemaakte verhoging. Hoewel offerhoogten soms werden gebruikt voor de aanbidding van God, worden ze meestal geassocieerd met de heidense aanbidding van valse goden (Nu 33:52; 1Kon 3:2; Jer 19:5).

  • Onderpand.

    Een persoonlijk eigendom dat een schuldenaar aan zijn schuldeiser gaf als waarborg dat hij een lening zou terugbetalen. Het werd ook wel borg genoemd. De wet van Mozes bevatte bepalingen in verband met onderpanden ter bescherming van arme en weerloze leden van het volk (Ex 22:26; Ez 18:7).

  • Ongezuurd.

    Zonder zuurdesem gemaakt (De 16:3; Mr 14:12; 1Kor 5:8).

  • Onrein.

    In de Bijbel vaak een aanduiding voor iets wat volgens de wet van Mozes niet aanvaardbaar is (Le 5:2; 13:45; Mt 10:1; Han 10:14; Ef 5:5). — Zie REIN.

  • Onverdiende goedheid.

    Vertaling van een Grieks woord met als kerngedachte iets dat aangenaam en innemend is. Het duidt vaak op een goede gave of een vriendelijke manier van geven. Als het op de onverdiende goedheid van God slaat, beschrijft het een vrije gave die God heel gul geeft, zonder er iets voor terug te verwachten, een uiting van Gods vrijgevigheid en zijn grote liefde en goedheid tegenover mensen. Het woord wordt ook weergegeven met uitdrukkingen als ‘gunst’ en ‘goede gaven’. Het is iets dat onverdiend wordt gegeven, puur uit vrijgevigheid (2Kor 6:1; Ef 1:7).

  • Onyx.

    Een halfedelsteen, een harde variëteit van agaat of een gelaagde vorm van chalcedon. Onyx heeft witte lagen afgewisseld met zwarte, bruine, rode, grijze of groene. Het werd gebruikt in de speciale kleding van de hogepriester (Ex 28:9, 12; 1Kr 29:2; Job 28:16).

  • Oogstfeest.

    — Zie PINKSTERFEEST.

  • Oordeelsdag.

    Een specifieke dag of periode waarin God bepaalde groepen of volken of de mensheid in het algemeen ter verantwoording roept. Het kan een tijd zijn waarin degenen die ter dood veroordeeld zijn terechtgesteld worden. Maar het kan ook een oordeel zijn dat sommigen de kans biedt op redding en eeuwig leven. Jezus Christus en zijn apostelen spraken over een toekomstige ‘Oordeelsdag’ voor zowel de levenden als degenen die al gestorven zijn (Mt 12:36).

  • Opdracht, heilig teken van.

    Een blinkende plaat van zuiver goud waarin in het Hebreeuws ‘Heiligheid behoort Jehovah toe’ gegraveerd stond. Hij was bevestigd op de voorkant van de tulband van de hogepriester (Ex 39:30). — Zie App. B5.

  • Opschrift.

    Kopje aan het begin van een psalm waarin staat wie de schrijver is, waarin achtergrondinformatie of muzikale aanwijzingen worden gegeven of waarin het gebruik of het doel van de psalm wordt uitgelegd. — Zie de opschriften bij Psalm 3, 4, 5, 6, 7, 30, 38, 60, 92, 102.

  • Opstanding.

    Het opstaan uit de dood. Het Griekse woord anastasis betekent letterlijk ‘oprichten’, ‘opstaan’. Er staan negen opstandingen in de Bijbel, waaronder de opstanding van Jezus door Jehovah God. Hoewel er mensen werden opgewekt door Elia, Elisa, Jezus, Petrus en Paulus, worden deze wonderen duidelijk aan Gods kracht toegeschreven. De aardse opstanding van ‘zowel de rechtvaardigen als de onrechtvaardigen’ is essentieel voor Gods voornemen (Han 24:15). De Bijbel spreekt ook over een hemelse opstanding (‘de eerdere’ of ‘de eerste’ opstanding) die Jezus’ gezalfde broeders betreft (Fil 3:11; Opb 20:5, 6; Jo 5:28, 29; 11:25).

  • Opziener.

    Een man die als voornaamste verantwoordelijkheid heeft de gemeente te beschermen en te hoeden. De grondgedachte van het Griekse episkopos is beschermend opzicht. ‘Opziener’ en ‘ouderling’ (presbuteros) verwijzen naar dezelfde positie in de christelijke gemeente. ‘Ouderling’ benadrukt de geestelijke volwassenheid van degene die is aangesteld en ‘opziener’ benadrukt de taken die erbij horen (Han 20:28; 1Ti 3:2-7; 1Pe 5:2).

  • Ouderling, oudste.

    In de Bijbel vooral toegepast op iemand die een positie van autoriteit  heeft en verantwoordelijkheid draagt in een gemeenschap of volk. Ook de hemelse wezens in het boek Openbaring worden met de term ‘oudsten’ aangeduid. Het Griekse presbuteros is vertaald met ‘ouderling’ als het gaat om degenen die de leiding nemen in de gemeente (Ex 4:29; Sp 31:23; 1Ti 5:17; Opb 4:4).

  • Oven.

    In Bijbelse tijden werden er naast bakovens ook verschillende soorten ovens gebruikt voor het branden van kalk, het smelten van metalen en het bakken van stenen en aardewerk (Ge 15:17; Da 3:17; Opb 9:2).

  • Overpriester.

    In de Hebreeuwse Geschriften een andere aanduiding voor ‘hogepriester’. In de Griekse Geschriften duidde ‘overpriesters’ blijkbaar op de voornaamste mannen van de priesterschap, onder wie mogelijk voormalige hogepriesters en de hoofden van de 24 priesterafdelingen (2Kr 26:20; Ezr 7:5; Mt 2:4; Mr 8:31).

  • Overspel.

    Vrijwillige seksuele gemeenschap van een getrouwde man of vrouw met iemand anders dan zijn of haar huwelijkspartner (Ex 20:14; Mt 5:27; 19:9).

  • Overtreding.

    Het schenden of niet naleven van een wet, in de Bijbel synoniem met ‘zonde’ (Ps 51:3; Ro 5:14).

P

  • Paal.

    Een rechtopstaand stuk hout dat sommige volken gebruikten om iemand terecht te stellen en/of om een dood lichaam tentoon te stellen als waarschuwing voor anderen of als openbare vernedering. De Assyriërs, die bekendstonden om hun wrede oorlogvoering, spietsten gevangenen door hun lichaam op een puntige paal te zetten die door het onderlijf van het slachtoffer heen in de borstholte doordrong. Volgens de Joodse wet moesten degenen die schuldig waren aan ernstige misdaden als godslastering of afgoderij eerst ter dood worden gebracht, bijvoorbeeld door steniging, waarna hun dode lichaam aan een paal of boom werd gehangen als waarschuwing voor anderen (De 21:22, 23; 2Sa 21:6, 9). Bij de Romeinen werd het slachtoffer soms aan de paal vastgebonden, zodat het enkele dagen kon duren voordat hij stierf van de pijn, dorst, honger en blootstelling aan de zon. In andere gevallen, zoals bij de terechtstelling van Jezus, nagelden ze de handen en voeten van de veroordeelde aan een paal (Lu 24:20; Jo 19:14-16; 20:25; Han 2:23, 36). — Zie MARTELPAAL.

  • Papyrus.

    Een rietachtige waterplant die gebruikt werd om onder andere manden en boten te maken. Er werd ook schrijfmateriaal van gemaakt (een soort papier). Veel boekrollen waren van papyrus (Ex 2:3).

  • Paradijs.

    Een schitterend park of een prachtige tuin. Het eerste paradijs was Eden, dat Jehovah voor het eerste mensenpaar maakte. Toen Jezus met een van de misdadigers sprak die naast hem aan de martelpaal hingen, gaf hij aan dat de aarde een paradijs zou worden. In 2 Korinthiërs 12:4 duidt het woord blijkbaar op een toekomstig paradijs en in Openbaring 2:7 op een hemels paradijs (Hgl 4:13; Lu 23:43).

  • Pascha.

    Een jaarlijks feest op de 14de dag van de maand abib (later nisan), ook Pesach genoemd. Op het feest herdachten de Israëlieten hun bevrijding uit Egypte. Er werd een lam (of geit) geslacht en geroosterd, dat daarna met bittere kruiden en ongezuurd brood werd gegeten (Ex 12:27; Jo 6:4; 1Kor 5:7).

  • Perkament.

    De huid van schapen, geiten of kalveren, geprepareerd als schrijfmateriaal. Het was duurzamer dan papyrus en werd gebruikt voor boekrollen van de Bijbel. De perkamenten die Timotheüs van Paulus moest meebrengen, waren waarschijnlijk gedeelten van de Hebreeuwse Geschriften. Een aantal van de Dode Zeerollen was op perkament geschreven (2Ti 4:13).

  • Perzen, Perzië.

    De Perzen waren een volk dat vaak samen genoemd wordt met de Meden en dat blijkbaar aan ze verwant was. In hun vroegste geschiedenis bewoonden de Perzen alleen het zuidwestelijke deel van het Iraanse hoogland. Onder Cyrus de Grote (die volgens sommige geschiedschrijvers uit de oudheid een Perzische vader en een Medische moeder had) kregen de Perzen de overhand op de Meden, al bleef het een dualistisch rijk. Cyrus veroverde het Babylonische Rijk in 539 v.Chr. en liet de Joodse gevangenen naar hun land teruggaan. Het Perzische Rijk strekte zich uit van de Indus in het oosten tot aan de Egeïsche Zee in het westen. De Joden stonden onder Perzisch bewind tot Alexander de Grote de Perzen in 331 v.Chr. versloeg. Daniël kreeg in een visioen een vooruitblik op het Perzische Rijk, en het speelt een rol in de Bijbelboeken Ezra, Nehemia en Esther (Ezr 1:1; Da 5:28). — Zie App. B9.

  • Pim.

    Een gewicht en ook de prijs die de Filistijnen berekenden voor het slijpen van metalen  werktuigen. De Hebreeuwse medeklinkers voor ‘pim’ staan op verschillende stenen gewichten die bij archeologische opgravingen in Israël zijn gevonden. De pim had een gemiddeld gewicht van 7,8 g, ongeveer gelijk aan twee derde sikkel (1Sa 13:20, 21).

  • Pinksterfeest.

    Het tweede van de drie belangrijke feesten die alle Joodse mannen moesten gaan vieren in Jeruzalem. Het is de naam die in de Griekse Geschriften wordt gebruikt voor het Oogstfeest of Wekenfeest uit de Hebreeuwse Geschriften. Pinksteren betekent ‘vijftigste (dag)’ en het feest werd gevierd op de 50ste dag vanaf 16 nisan (Ex 23:16; 34:22; Han 2:1).

  • Plaag.

    Meestal een ziekte of ramp die van Jehovah komt en als straf dient (Nu 16:49).

  • Poerim.

    Een jaarlijks feest op 14 en 15 adar ter herinnering aan de redding van de Joden in de tijd van koningin Esther. Het niet-Hebreeuwse woord poerim betekent ‘loten’. Het feest kreeg de naam Poerim of Lotenfeest omdat Haman het poer (het lot) wierp om te bepalen op welke dag hij zijn plan zou uitvoeren om de Joden uit te roeien (Es 3:7; 9:26).

  • Porneia.

    — Zie SEKSUELE IMMORALITEIT.

  • Pottenbakker.

    Iemand die aardewerken potten, schalen, enzovoorts maakt. Het Hebreeuwse woord voor pottenbakker betekent letterlijk ‘vormer’. Jehovah’s absolute macht over afzonderlijke personen en hele volken wordt vaak geïllustreerd met de macht van de pottenbakker over de klei (Jes 64:8; Ro 9:21).

  • Prefect.

    Een beambte in het staatsbestuur van Babylon die lager in rang was dan een satraap. In de Bijbel hadden prefecten gezag over de wijze mannen aan het Babylonische hof. Ook in de tijd van koning Darius de Meder waren er prefecten (Da 2:48; 6:7).

  • Pretoriaanse lijfwacht.

    Een groep Romeinse soldaten die de lijfwacht van de Romeinse keizer vormde. Deze lijfwacht groeide uit tot een politieke macht die veel invloed had op het aanblijven of afzetten van een keizer (Fil 1:13).

  • Priester.

    Een man die officieel God vertegenwoordigde voor het volk dat hij diende. Hij onderwees ze over God en zijn wetten. Priesters vertegenwoordigden ook het volk voor God. Ze brachten offers en bemiddelden en pleitten voor het volk. Vóór de wet van Mozes fungeerde het familiehoofd als priester voor zijn gezin. Onder de wet van Mozes bestond de priesterschap uit de mannen van de familie van Aäron uit de stam Levi. De overige mannelijke Levieten assisteerden hen. Bij de inwijding van het nieuwe verbond werd het geestelijke Israël een natie van priesters met Jezus Christus als Hogepriester (Ex 28:41; Heb 9:24; Opb 5:10).

  • Prikkel.

    Een lange stok met een scherpe metalen punt die door boeren werd gebruikt om een dier aan te porren. De woorden van een wijze worden met een ossenprikkel vergeleken omdat ze de luisteraar aansporen wijze raad op te volgen. ‘Tegen de prikkel stoten’ is ontleend aan het gedrag van een koppige stier die zich tegen het porren met de prikkel verzet door ertegenaan te stoten, waarbij hij zich alleen maar bezeert (Han 26:14; Re 3:31).

  • Proconsul.

    De gouverneur van een provincie die door de Romeinse senaat werd bestuurd. Hij had rechterlijke en militaire macht. Hoewel de senaat toezicht hield op wat hij deed, oefende hij in de provincie het hoogste gezag uit (Han 13:7; 18:12).

  • Profeet.

    Iemand die Gods voornemens bekendmaakt. Profeten waren woordvoerders van God en brachten niet alleen voorspellingen over maar ook Jehovah’s leringen, geboden en oordelen (Am 3:7; 2Pe 1:21).

  • Profetie.

    Een geïnspireerde boodschap. Het kan een openbaring zijn van Gods wil of de bekendmaking ervan. Een profetie kan een geïnspireerde morele les zijn, een afkondiging van een bevel of oordeel van God of een aankondiging van iets toekomstigs (Ez 37:9, 10; Da 9:24; Mt 13:14; 2Pe 1:20, 21).

  • Proseliet.

    Een bekeerling. In de Bijbel was het iemand die het jodendom aanvaardde en zich, als het een man betrof, liet besnijden (Mt 23:15; Han 13:43).

  • Prostituee.

    Een vrouw die buitenechtelijke seks heeft, meestal tegen betaling. (Het Griekse woord voor prostituee of hoer, porne, komt van een grondwoord dat ‘verkopen’ betekent.) De Bijbel spreekt ook over mannelijke prostitués. In de wet van Mozes werd prostitutie veroordeeld. Een hoerenloon was onaanvaardbaar als bijdrage voor Jehovah’s heiligdom, terwijl heidense volken tempelprostitutie juist als bron van inkomsten gebruikten (De 23:17, 18; 1Kon 14:24). De Bijbel gebruikt het woord ook figuurlijk als het gaat over mensen, volken of organisaties die zich bezighouden met een vorm van afgoderij terwijl ze beweren aanbidders van God te zijn. Zo  wordt de religieuze entiteit ‘Babylon de Grote’ in Openbaring beschreven als een hoer omdat ze met de leiders van deze wereld omgaat in ruil voor macht en rijkdom (Opb 17:1-5; 18:3; 1Kr 5:25).

  • Psalm.

    Een loflied voor God. Psalmen werden op muziek gezet en door aanbidders gezongen, bijvoorbeeld bij de aanbidding van Jehovah God in zijn tempel in Jeruzalem (Lu 20:42; Han 13:33; Jak 5:13).

R

  • Rahab.

    Een term die symbolisch wordt gebruikt in Job, Psalmen en Jesaja. In het boek Job blijkt uit de context dat Rahab een zeemonster is. In andere contexten is dit zeemonster gebruikt als symbool voor Egypte (Job 9:13; Ps 87:4; Jes 30:7; 51:9, 10).

  • Rechters.

    Mannen in wie Jehovah voorzag om zijn volk te bevrijden vóór de periode van Israëls menselijke koningen (Re 2:16).

  • Rechterstoel.

    Gewoonlijk een verhoogd platform in de open lucht met treden, waar gezagdragers vanaf hun zetel de menigte konden toespreken en hun uitspraken konden bekendmaken. De uitdrukkingen ‘rechterstoel van God’ en ‘rechterstoel van de Christus’ symboliseren Jehovah’s regeling voor het oordelen van de mensheid (Ro 14:10; 2Kor 5:10; Jo 19:13).

  • Rechtvaardigheid.

    In de Bijbel duidt het op wat juist is volgens Gods norm van goed en kwaad (Ge 15:6; De 6:25; Sp 11:4; Ze 2:3; Mt 6:33).

  • Rein.

    In de Bijbel houdt dit woord meestal verband met het behouden of herstellen van een smetteloze, vlekkeloze toestand, vrij van alles wat moreel of geestelijk vuilmaakt, vervalst of verderft. In de wet van Mozes duidt het op ceremoniële reinheid (Le 10:10; Ps 51:7; Mt 8:2; 1Kor 6:11).

  • Riet.

    Een term voor verschillende planten die meestal groeien op plekken waar veel water is. In veel gevallen gaat het om de Arundo donax (Job 8:11; Jes 42:3; Mt 27:29; Opb 11:1). — Zie MEETRIET.

  • Rouwen.

    Het uiten van droefheid over een sterfgeval of een andere tragedie. In Bijbelse tijden was het de gewoonte een bepaalde periode te rouwen. Rouwende personen huilden luid, droegen speciale kleding, gooiden as op hun hoofd, scheurden hun kleren en sloegen zich op de borst. Bij begrafenissen werden soms beroepsklagers uitgenodigd (Ge 23:2; Es 4:3; Opb 21:4).

S

  • Sabbat.

    Van een Hebreeuws woord dat ‘rusten’, ‘ophouden’ betekent. Het is de zevende dag van de Joodse week (van zonsondergang op vrijdag tot zonsondergang op zaterdag). Ook sommige andere feestdagen en het 7de en 50ste jaar werden sabbatten genoemd. Op een sabbatdag mocht niemand werken behalve de priesters die in het heiligdom dienden. In een sabbatsjaar moest het land braak liggen en werd er niet op betaling van schulden aangedrongen. In de wet van Mozes waren de restricties voor de sabbat redelijk, maar omdat de religieuze leiders er steeds meer toevoegden, was het in Jezus’ tijd moeilijk ze na te leven (Ex 20:8; Le 25:4; Lu 13:14-16; Kol 2:16).

  • Sadduceeën.

    Een vooraanstaande religieuze sekte van het jodendom die bestond uit rijke aristocraten en priesters die veel invloed hadden op de gang van zaken in de tempel. Ze verwierpen de vele mondelinge tradities en andere geloofsopvattingen van de farizeeën. Ze geloofden niet in de opstanding of in het bestaan van engelen. Ze waren tegenstanders van Jezus (Mt 16:1; Han 23:8).

  • Samaria.

    Zo’n 200 jaar lang de hoofdstad van het noordelijke tienstammenrijk Israël en ook de naam van het hele gebied. De stad was gebouwd op een berg met dezelfde naam. In Jezus’ tijd was Samaria de naam van het Romeinse district tussen Galilea in het noorden en Judea in het zuiden. Op zijn reizen predikte Jezus meestal niet in dit gebied, maar soms sprak hij met de inwoners als hij erdoorheen trok. Petrus gebruikte de tweede figuurlijke sleutel van het Koninkrijk toen de Samaritanen heilige geest ontvingen (1Kon 16:24; Jo 4:7; Han 8:14). — Zie App. B10.

  • Samaritanen.

    De term sloeg in eerste instantie op de Israëlieten van het noordelijke tienstammenrijk, maar ging later ook de buitenlanders omvatten die daar na de verovering van Samaria in 740 v.Chr. door de Assyriërs heen waren gebracht. In Jezus’ tijd had de naam eerder een religieuze dan een raciale of politieke gevoelswaarde: hij werd meestal gebruikt voor aanhangers van de sekte in de omgeving van het oude Sichem en Samaria. Zij hielden vast aan bepaalde leringen die sterk afweken van het jodendom (Jo 8:48).

  • Samenstel van dingen.

    Een vertaling van het Griekse woord aion als het slaat op de bestaande toestand of de kenmerken die een bepaald tijdperk onderscheiden. Het kan ook  vertaald worden met ‘wereld’ of ‘tijdperk’, duidend op de algemene toestand in de wereld en de wereldse leefstijl (2Ti 4:10). Met het wetsverbond luidde God een samenstel in dat je het Israëlitische of Joodse tijdperk zou kunnen noemen. God gebruikte Jezus Christus om door middel van zijn loskoopoffer een ander tijdperk in te luiden, dat voornamelijk de gemeente van gezalfde christenen betrof. Dat nieuwe tijdperk werd gekenmerkt door de werkelijkheden die waren afgeschaduwd door het wetsverbond. In het meervoud duidt het Griekse woord op meerdere tijdperken of toestanden in het verleden of de toekomst (Mt 24:3; Mr 4:19; Ro 12:2; 1Kor 10:11).

  • Sanhedrin.

    De Joodse Hoge Raad in Jeruzalem. In Jezus’ tijd bestond het uit 71 leden, onder wie de hogepriester, voormalige hogepriesters, leden van hogepriesterlijke families, oudsten, stam- en familiehoofden en schriftgeleerden (Mr 15:1; Han 5:34; 23:1, 6).

  • Satan.

    Een Hebreeuws woord dat ‘tegenstander’ betekent. Als het woord in de oorspronkelijke talen met het bepalende lidwoord voorkomt, duidt het op Satan de Duivel, de voornaamste Tegenstander van God (Job 1:6; Mt 4:10; Opb 12:9).

  • Satraap.

    Gouverneur van een provincie in het Babylonische en het Perzische Rijk. Een satraap werd door de koning aangesteld als opperste regent (Ezr 8:36; Da 6:1).

  • Scepter.

    Een staf van een heerser als teken van koninklijk gezag (Ge 49:10; Heb 1:8).

  • Schaamteloos gedrag.

    Van het Griekse aselgeia, een term die slaat op daden die een ernstige overtreding van Gods wetten vormen en waaruit een schaamteloze houding blijkt, een instelling die gebrek aan respect of zelfs totale minachting voor gezag, wetten en normen verraadt. De uitdrukking slaat niet op onwenselijk gedrag van onbeduidende aard (Ga 5:19; 2Pe 2:7).

  • Schatting.

    Betaling opgelegd aan een staat of regeerder als teken van onderwerping, in ruil voor vrede of bescherming (2Kon 3:4; 18:14-16; 2Kr 17:11). Het woord wordt ook gebruikt voor belasting die van personen werd geheven (Ne 5:4; Ro 13:7).

  • Schering.

    De lengtedraden van een weefsel. De inslag zijn de dwarse draden die afwisselend over en onder de lengtedraden werden geweven (Re 16:13).

  • Schriftgeleerden.

    Een groep wetgeleerden. Ze waren tegenstanders van Jezus (Mr 12:38, 39; 14:1).

  • Schuldoffer.

    Een offer voor persoonlijke zonden. Het verschilde van andere zondeoffers omdat dit offer diende om de berouwvolle kwaaddoener weer bepaalde verbondsrechten toe te kennen die hij vanwege een zonde verloren had en om hem te verlossen van de straf (Le 7:37; 19:22; Jes 53:10).

  • Sea.

    Een inhoudsmaat voor vaste stoffen. Een sea was 7,33 l, gebaseerd op de inhoud van de bath, een vloeistofmaat die ermee overeenkwam (2Kon 7:1). — Zie App. B14.

  • Seksuele immoraliteit.

    Een vertaling van het Griekse porneia, een algemene term voor elke vorm van ongeoorloofde seksuele gemeenschap. Het omvat overspel, prostitutie, seks tussen ongetrouwde personen, homoseksualiteit en bestialiteit. In Openbaring wordt de term figuurlijk gebruikt voor de omgang die de religieuze hoer ‘Babylon de Grote’ heeft met de leiders van deze wereld in ruil voor macht en rijkdom (Opb 14:8; 17:2; 18:3; Mt 5:32; Han 15:29; Ga 5:19). — Zie PROSTITUEE.

  • Sekte.

    Een groep mensen die een leer of een leider aanhangen en hun eigen opvattingen volgen. De term wordt toegepast op de twee belangrijkste takken van het jodendom: de farizeeën en de sadduceeën. Niet-christenen noemden het christendom ook een ‘sekte’ of ‘de sekte van de Nazarenen’, mogelijk omdat ze het als een afscheiding van het jodendom bezagen. Uiteindelijk ontstonden er sekten in de christelijke gemeente. In Openbaring wordt ‘de sekte van Nikolaüs’ genoemd (Han 5:17, vtn.; 15:5, vtn.; 24:5; 28:22; Opb 2:6; 2Pe 2:1).

  • Sela.

    Een vakterm uit Psalmen en Habakuk die werd gebruikt in de muziek of bij voordrachten. Het kan duiden op een pauze in het zingen of in de muziek, of beide, die gelegenheid gaf voor meditatie of die de geuite gevoelens beter liet uitkomen. De Griekse Septuaginta vertaalt de term met diapsalma, dat ‘een muzikaal tussenspel’ betekent (Ps 3:4; Hab 3:3).

  • Serafs.

    Geestelijke wezens die zich rondom Jehovah’s troon in de hemel bevinden. Het Hebreeuwse woord serafim betekent letterlijk ‘de brandenden’ (Jes 6:2, 6).

  • Sikkel.

    Belangrijkste Hebreeuwse gewichts- en geldeenheid. Een sikkel woog 11,4 g. De uitdrukking ‘standaardsikkel van de heilige plaats’ werd misschien gebruikt om te benadrukken dat het gewicht nauwkeurig moest zijn of dat het overeen moest komen met een  standaardgewicht dat in de tabernakel werd bewaard. Mogelijk was er een koninklijke sikkel (verschillend van de gewone sikkel) of een standaardgewicht dat in het koninklijk paleis werd bewaard (Ex 30:13).

  • Sion.

    De naam van de vesting van de Jebusieten die op de zuidoostelijke heuvel van Jeruzalem lag. Nadat David die had veroverd, maakte hij er zijn koninklijke residentie van, die ‘de Stad van David’ ging heten (2Sa 5:7, 9). Sion werd een bijzonder heilige berg voor Jehovah toen David de ark erheen liet brengen. Later werd de naam Sion ook gebruikt voor het tempelgebied op de berg Moria en soms voor de hele stad Jeruzalem. In de Griekse Geschriften wordt de naam vaak symbolisch gebruikt (Ps 2:6; 1Pe 2:6; Opb 14:1).

  • Sivan.

    Na de Babylonische ballingschap de derde maand van de Joodse godsdienstige kalender en de negende maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half mei tot half juni (Es 8:9). — Zie App. B15.

  • Sjebat.

    Na de Babylonische ballingschap de 11de maand van de Joodse godsdienstige kalender en de 5de maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half januari tot half februari (Za 1:7). — Zie App. B15.

  • Sjeminith.

    Een muziekterm die letterlijk ‘de achtste’ betekent en misschien duidt op een laag muzikaal register. In het geval van muziekinstrumenten duidde het woord waarschijnlijk op instrumenten waarmee men de bastonen speelde. In het geval van liederen verwees het waarschijnlijk naar muzikale begeleiding en zang in een lager register (1Kr 15:21; Ps 6:Ops; 12:Ops).

  • Sjeool.

    Een Hebreeuws woord dat overeenkomt met het Griekse Hades. Het is vertaald met ‘Graf’ (met hoofdletter) om duidelijk te maken dat het om het collectieve graf van de mensheid gaat en niet om een individueel graf (Ge 37:35; Ps 16:10; Han 2:31; vtnn.).

  • Slachtoffer.

    Een offer dat aan God werd aangeboden om hem te danken, om schuld te erkennen of om weer in een goede verhouding met hem te komen. Vanaf de tijd van Abel brachten mensen verschillende vrijwillige offers, waaronder dierenoffers. Onder het wetsverbond werden die offers verplicht. Nadat Jezus zijn leven had gegeven als een volmaakt slachtoffer waren dierenoffers niet meer nodig, maar christenen brengen nog wel geestelijke slachtoffers aan God (Ge 4:4; Heb 13:15, 16; 1Jo 4:10).

  • Slinger.

    Een strook van leer of een gevlochten band van bijvoorbeeld dierenpezen, biezen of haar. In het bredere middenstuk werd een projectiel gelegd, vaak een steen. Het ene uiteinde van de slinger werd aan de hand of pols gebonden. Het andere werd vastgehouden en na het zwaaien van de slinger losgelaten. In de oudheid hadden volken slingeraars in hun leger (Re 20:16; 1Sa 17:50).

  • Snuiters.

    Gereedschap van goud, mogelijk een soort tang, dat in de tabernakel en in de tempel werd gebruikt om de lampen te doven (Ex 37:23).

  • Span.

    Een lengtemaat, ongeveer de afstand tussen de top van de duim en van de pink bij uitgespreide hand. Uitgaande van de el van 44,5 cm zou een span 22,2 cm lang zijn (Ex 28:16; 1Sa 17:4). — Zie App. B14.

  • Spelt.

    Een inferieure tarwesoort (Triticum spelta) waarbij het kaf niet makkelijk van de korrels te scheiden is (Ex 9:32).

  • Spiritisme.

    Het geloof dat de geest van gestorven personen na de dood van het fysieke lichaam voortleeft en met de levenden in contact kan komen, vooral via een persoon (een medium) die bijzonder ontvankelijk is voor hun invloed. Het Griekse woord voor ‘spiritisme’ is farmakia, dat letterlijk ‘drogerijen’ betekent. Dit kwam in verband te staan met spiritisme doordat in de oudheid geneesmiddelen of verdovende middelen werden gebruikt om de macht van de demonen op te roepen voor toverij (Ga 5:20; Opb 21:8).

  • Spreuk.

    Wijze uitspraak of kort verhaal waarmee in weinig woorden een les of een diepe waarheid wordt overgebracht. Een Bijbelse spreuk heeft soms de vorm van een moeilijk spreekwoord of een raadsel. Een spreuk geeft een waarheid weer in beeldende taal, vaak als metafoor. Sommige spreuken werden gangbare uitdrukkingen van spot en minachting voor bepaalde personen (Pr 12:9; 2Pe 2:22).

  • Sprinkhanen.

    Insecten die in grote zwermen kunnen voorkomen. Volgens de wet van Mozes waren het reine dieren die gegeten mochten worden. Grote zwermen die alles op hun pad verslonden en een enorme verwoesting veroorzaakten, werden als een plaag bezien (Ex 10:14; Mt 3:4).

  • Stad van David.

    De naam die aan de stad Jebus werd gegeven nadat David die had veroverd en er zijn koninklijke residentie van had gemaakt. De stad werd ook Sion genoemd en vormde het zuidoostelijke en ook oudste gedeelte van Jeruzalem (2Sa 5:7; 1Kr 11:4, 5).

  •  Stoïsche filosofen.

    Een Griekse stroming van filosofen die geloofden dat je om gelukkig te zijn in harmonie moet leven met de rede en de natuur. Volgens hun opvatting was de echt wijze man onverschillig voor pijn of genot (Han 17:18).

  • Synagoge.

    Een woord dat ‘het bijeenbrengen’ of ‘een vergadering’ betekent maar in de meeste Bijbelteksten slaat op de plaats of het gebouw waar de Joden bijeenkwamen voor Schriftlezing, onderwijs, preken en gebed. In Jezus’ tijd had elke stad van enige omvang in Israël een synagoge en hadden de grotere steden er meer dan een (Lu 4:16; Han 13:14, 15).

  • Syrië, Syriërs.

    — Zie ARAM, ARAMEEËRS.

  • Syrtis.

    Twee grote ondiepe baaien aan de kust van Libië (Noord-Afrika), in de oudheid gevreesd bij zeelieden vanwege de verraderlijke zandbanken die als gevolg van de getijden constant verschoven (Han 27:17). — Zie App. B13.

T

  • Tabernakel.

    Een verplaatsbare tent die Israël na de uittocht uit Egypte gebruikte voor aanbidding, met daarin de ark van Jehovah’s verbond, die Gods aanwezigheid vertegenwoordigde. Hij diende als een plaats voor offers en aanbidding en werd soms ook ‘de tent van samenkomst’ genoemd. Hij bestond uit een geraamte van houten panelen, overdekt met een linnen dekkleed waarop cherubs geborduurd waren. Hij was verdeeld in twee ruimten: de eerste was het heilige en de tweede het allerheiligste (Joz 18:1; Ex 25:9). — Zie App. B5.

  • Talent.

    Grootste Hebreeuwse gewichts- en geldeenheid. Een talent woog 34,2 kg. Het Griekse talent woog maar 20,4 kg (1Kr 22:14; Mt 18:24). — Zie App. B14.

  • Tammuz.

    (1) Een god waar afvallige Hebreeuwse vrouwen in Jeruzalem om treurden. Volgens sommigen was Tammuz ooit een koning, die na zijn dood vergoddelijkt werd. In Sumerische teksten wordt hij Dumuzi genoemd en aangeduid als de echtgenoot of geliefde van de vruchtbaarheidsgodin Inanna (de Babylonische Isjtar) (Ez 8:14). (2) Na de Babylonische ballingschap de vierde maanmaand van de Joodse godsdienstige kalender en de tiende maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half juni tot half juli. — Zie App. B15.

  • Tarsisschepen.

    Oorspronkelijk een term voor schepen die naar het oude Tarsis (het huidige Spanje) voeren. Blijkbaar werd de term uiteindelijk een aanduiding voor grote schepen die lange afstanden konden afleggen. Salomo en Josafat gebruikten zulke schepen voor de handel (1Kon 9:26; 10:22; 22:48).

  • Tartarus.

    In de Griekse Geschriften een met een gevangenis te vergelijken toestand van vernedering. De ongehoorzame engelen uit Noachs tijd werden hierin gegooid. In 2 Petrus 2:4 staat dat ‘de engelen die zondigden’ in Tartarus werden gegooid (werkwoord tartaroo), maar dat is niet de heidense mythologische Tartarus (een onderaardse gevangenis en plaats van duisternis voor de lagere goden). Het duidt erop dat God hun hun hemelse positie en voorrechten afnam en hen vernederde tot een toestand van de diepste geestelijke duisternis met betrekking tot Gods schitterende voornemens. Duisternis kenmerkt ook hun afloop: volgens de Bijbel eeuwige vernietiging samen met hun heerser, Satan de Duivel. Tartarus duidt dan ook op de laagste toestand van vernedering voor die opstandige engelen. Het is niet hetzelfde als ‘de afgrond’ in Openbaring 20:1-3.

  • Tebeth.

    Na de Babylonische ballingschap de tiende maand van de Joodse godsdienstige kalender en de vierde maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half december tot half januari en werd meestal gewoon ‘de tiende maand’ genoemd (Es 2:16). — Zie App. B15.

  • Teken.

    Een voorwerp, daad, situatie of ongewoon verschijnsel waarmee op iets belangrijks in het heden of in de toekomst wordt gewezen (Ge 9:12, 13; 2Kon 20:9; Mt 24:3; Opb 1:1, vtn.).

  • Tempel.

    Het permanente gebouw in Jeruzalem dat de verplaatsbare tabernakel verving als centrum van aanbidding. De eerste tempel werd door Salomo gebouwd en door de Babyloniërs verwoest. De tweede werd na de Babylonische ballingschap door Zerubbabel gebouwd en werd later door Herodes de Grote herbouwd. Vaak werd de tempel gewoon ‘het huis van Jehovah’ genoemd (Ezr 1:3; 6:14, 15; 1Kr 29:1; 2Kr 2:4; Mt 24:1). — Zie App. B8 en B11.

  • Tent van samenkomst.

    Een term die gebruikt werd voor de tent van Mozes en voor de heilige tabernakel die oorspronkelijk in de woestijn werd opgezet (Ex 33:7; 39:32).

  •  Terafim.

    — Zie HUISGODEN.

  • Tiende.

    Een tiende deel (10 procent) dat werd gegeven of als schatting werd betaald, vooral voor religieuze doelen (De 26:12; Mal 3:10; Mt 23:23). Onder de wet van Mozes werd jaarlijks een tiende van de opbrengst van het land en een tiende van de aanwas van het vee aan de Levieten gegeven om in hun levensonderhoud te voorzien. Van die tiende gaven de Levieten weer een tiende aan de Aäronitische priesterschap voor hun levensonderhoud. Er waren ook nog andere tienden. Het geven van tienden is geen vereiste voor christenen.

  • Tisjri.

    — Zie ETHANIM en App. B15.

  • Toewijding aan God.

    Eerbied, aanbidding en dienst voor Jehovah God, gekoppeld aan loyaliteit aan zijn universele soevereiniteit (1Ti 4:8; 2Ti 3:12).

  • Toonbrood.

    Twaalf broden die in twee stapels van zes op de tafel in het heilige van de tabernakel en de tempel werden gelegd, ook wel ‘stapelbrood’ en ‘broden van de voorzetting’ genoemd. Dit offer voor God werd elke sabbat vervangen door vers brood. Normaal gesproken aten alleen de priesters het brood dat was weggehaald (2Kr 2:4; Mt 12:4, vtn.; Ex 25:30; Le 24:5-9; Heb 9:2). — Zie App. B5.

  • Toverij.

    Het gebruik van krachten die van boze geesten afkomstig zijn (2Kr 33:6).

  • Trompet.

    Een metalen blaasinstrument, gebruikt voor signalen en muziek. Volgens Numeri 10:2 gaf Jehovah opdracht twee zilveren trompetten te maken waarmee specifieke signalen gegeven zouden worden om de gemeenschap bij elkaar te roepen, het kamp op te breken of oorlog aan te kondigen. Deze trompetten waren waarschijnlijk recht, in tegenstelling tot de gebogen ‘hoorns’ die van dierenhoorns waren gemaakt. Bij de muziekinstrumenten in de tempel waren ook trompetten, waarvan het ontwerp niet bekend is. Symbolisch trompetgeschal gaat vaak samen met het bekendmaken van Jehovah’s oordelen of andere belangrijke gebeurtenissen (2Kr 29:26; Ezr 3:10; 1Kor 15:52; Opb 8:7–11:15).

  • Tulband.

    Een hoofddeksel bestaande uit een doek die om het hoofd werd gewonden. De hogepriester droeg een tulband van fijn linnen met aan de voorkant een gouden plaat, bevestigd met een blauw koord. De koning droeg een tulband onder zijn kroon. Job vergeleek zijn gerechtigheid met een tulband (Ex 28:36, 37; Job 29:14; Ez 21:26).

U

  • Urim en tummim.

    Voorwerpen die de hogepriester op ongeveer dezelfde manier als loten gebruikte om bij kwesties van nationaal belang Jehovah’s wil te weten te komen. De urim en de tummim werden in de borsttas van de hogepriester gedaan als hij de tabernakel binnenging. Kennelijk werden ze niet meer gebruikt na Jeruzalems vernietiging door de Babyloniërs (Ex 28:30; Ne 7:65).

V

  • Vadem.

    Een lengtemaat voor het peilen van de waterdiepte. Een vadem was 1,8 m (Han 27:28). — Zie App. B14.

  • Vasten.

    Zich een bepaalde periode onthouden van alle voedsel. De Israëlieten vastten op de Verzoendag, in moeilijke tijden en als ze Gods leiding nodig hadden. De Joden stelden vier keer per jaar een vasten in ter herdenking van rampzalige gebeurtenissen in hun geschiedenis. Vasten is geen vereiste voor christenen (Ezr 8:21; Jes 58:6; Lu 18:12).

  • Verbond.

    Een officiële overeenkomst (een contract) tussen God en mensen of tussen twee menselijke partijen om iets te doen of niet te doen. Soms had maar één partij de verantwoordelijkheid de bepalingen na te komen (een unilateraal verbond, in essentie een belofte). En soms moesten beide partijen bepalingen nakomen (een bilateraal verbond). Behalve verbonden die God met mensen sloot, noemt de Bijbel ook verbonden tussen afzonderlijke mensen, stammen, volken en groepen. Enkele verreikende verbonden waren de verbonden die God sloot met Abraham, David, het volk Israël (het wetsverbond) en het Israël van God (het nieuwe verbond) (Ge 9:11; 15:18; 21:27; Ex 24:7; 2Kr 21:7).

  • Vervloeken.

    Iemand met kwaad bedreigen of kwaad over iemand of iets afsmeken. Het is iets anders dan gevloek of hevige woede. Een vervloeking is vaak een formele uitspraak of een voorspelling van kwaad. Als God of een bevoegd persoon dit doet, heeft het profetische betekenis en kracht (Ge 12:3; Nu 22:12; Ga 3:10).

  • Verzoendag.

    De belangrijkste heilige dag voor de Israëlieten (ook wel Jom Kipoer genoemd, van het Hebreeuwse jōm hakkippoerim, ‘dag van de bedekkingen’), die plaatsvond op 10 ethanim. Dit was de enige dag in het jaar waarop de hogepriester het allerheiligste van de tabernakel binnenging. Daar offerde  hij het bloed van de slachtoffers voor zijn eigen zonden, die van de andere Levieten en die van het volk. Op deze dag werd een heilige bijeenkomst gehouden en werd gevast. Het was ook een sabbat, een dag waarop geen normale werkzaamheden gedaan mochten worden (Le 23:27, 28).

  • Verzoendeksel.

    Het deksel van de ark van het verbond. Op de Verzoendag spatte de hogepriester het bloed van zondeoffers vóór het deksel. De Hebreeuwse term komt van een grondwerkwoord dat ‘bedekken’ of misschien ‘uitwissen’ van zonde betekent. Het deksel was van massief goud en er stonden twee cherubs op, aan elk uiteinde één. Het wordt ook wel gewoon ‘het deksel’ genoemd (Ex 25:17-22; 1Kr 28:11; Heb 9:5). — Zie App. B5.

  • Verzoening.

    In de Hebreeuwse Geschriften hield dit begrip verband met de slachtoffers die gebracht werden om mensen in staat te stellen tot God te naderen en hem te aanbidden. Voor verzoening met God werden onder de wet van Mozes met name op de jaarlijkse Verzoendag slachtoffers gebracht voor de zonden van individuele personen en van het hele volk. Die slachtoffers wezen vooruit naar het offer van Jezus, dat de zonden van de mensheid eens en voor altijd volledig verzoende en zo mensen de mogelijkheid gaf met Jehovah verzoend te worden (Le 5:10; 23:28; Kol 1:20; Heb 9:12).

  • Vluchtsteden.

    Levietensteden waar iemand die zonder opzet een ander had gedood bescherming kon zoeken tegen de bloedwreker. Onder leiding van Jehovah waren zes van die steden, verspreid over het beloofde land, aangewezen door Mozes en later door Jozua. Als de vluchteling een vluchtstad had bereikt, moest hij zijn zaak aan de oudsten bij de stadspoort voorleggen en werd hem gastvrijheid verleend. Om te voorkomen dat opzettelijke moordenaars misbruik maakten van deze regeling, moest de vluchteling terechtstaan in de stad waar de persoon was gedood en zijn onschuld bewijzen. Als zijn onschuld bewezen was, werd hij teruggestuurd naar de vluchtstad, waar hij de rest van zijn leven of tot de dood van de hogepriester binnen de stadsgrenzen moest blijven (Nu 35:6, 11-15, 22-29; Joz 20:2-8).

  • Voorbereidingsdag.

    De dag die aan de sabbat voorafging, waarop de Joden zich op de sabbat voorbereidden. De dag eindigde met zonsondergang op wat wij vrijdag noemen, het tijdstip waarop de sabbat begon. De Joodse dag liep van avond tot avond (Mr 15:42; Lu 23:54).

  • Voorhof.

    Een omheind, open gedeelte rond de tabernakel en later een van de ommuurde terreinen rond het hoofdgebouw van de tempel. Het brandofferaltaar stond in het voorhof van de tabernakel en in het binnenste voorhof van de tempel (Ex 27:9; 1Kon 7:12). — Zie App. B5, B8, B11.

  • Voornaamste Bewerker.

    Het Griekse woord betekent in wezen ‘voornaamste leider’. Het duidt op de essentiële rol van Jezus Christus als het erom gaat trouwe mensen te bevrijden van de dodelijke gevolgen van zonde en ze te leiden naar eeuwig leven (Han 3:15; 5:31; Heb 2:10; 12:2).

  • Vredeoffer.

    Een offer aan Jehovah als verzoek om vrede met hem, ook wel gemeenschapsoffer genoemd. Zowel de aanbidder en zijn gezin als de priester die het offer aanbood en de dienstdoende priesters aten ervan. Jehovah ontving als het ware de aangename geur van het verbrande vet en kreeg ook het bloed, dat het leven vertegenwoordigde. Het was alsof de priesters en de aanbidders samen met Jehovah aan een maaltijd zaten, wat op een vredige verhouding duidde (Le 7:29, 32; De 27:7).

  • Vrije, vrijgelatene.

    Onder de Romeinse overheersing was een ‘vrije’ iemand die van geboorte af vrij was en het volledige burgerrecht bezat. Een ‘vrijgelatene’ was een voormalige slaaf die in vrijheid was gesteld. Als hij officieel in vrijheid werd gesteld, kreeg hij het Romeinse burgerrecht maar kwam hij niet voor een politiek ambt in aanmerking. Werd hij onofficieel in vrijheid gesteld, dan leverde dat persoonlijke vrijheid op maar kreeg hij geen volledig burgerrecht (1Kor 7:22).

  • Vuurpannen.

    Voorwerpen van goud, zilver of koper die bij de tabernakel en de tempel werden gebruikt voor het branden van wierook en voor het verwijderen van kolen van het brandofferaltaar en verbrande lampenpitten van de gouden lampenstandaard. Ze werden ook wel wierookvaten genoemd (Ex 37:23; 2Kr 26:19; Heb 9:4).

W

  • Waarzegger.

    Iemand die beweert toekomstige gebeurtenissen te kunnen voorspellen. Hieronder vallen in de Bijbel onder meer magiërs en astrologen (Le 19:31; De 18:11; Han 16:16).

  •  Wachter.

    Iemand die de wacht houdt, vaak ’s nachts, om personen of bezittingen te beschermen en die alarm kan slaan als er gevaar dreigt. Wachters stonden vaak op de stadsmuur en de torens om gevaar al van ver te zien aankomen. Ook in het leger werden wachters gebruikt. Profeten dienden als figuurlijke wachters voor het volk Israël en waarschuwden voor een komende vernietiging (2Kon 9:20; Ez 3:17).

  • Wadi.

    De bedding van een rivier die buiten de regentijd meestal droogstond. Het kan ook duiden op de rivier zelf, die in sommige gevallen door bronnen werd gevoed en daardoor nooit opdroogde. In sommige contexten is het met ‘dal’ of ‘vallei’ vertaald (Ge 26:17; Nu 34:5; De 8:7; 1Kon 18:5; Job 6:15).

  • Wapenrusting.

    De beschermende kleding die soldaten droegen: helm, pantser (maliënkolder), gordel, scheenplaten en schild (1Sa 31:9; Ef 6:13-17).

  • Ware God.

    Een vertaling van de Hebreeuwse uitdrukking voor ‘de God’. Vaak wordt het lidwoord zo gebruikt om Jehovah als de enige ware God te onderscheiden van valse goden. In zulke contexten geeft ‘de ware God’ zorgvuldig de volledige betekenis weer van de Hebreeuwse uitdrukking (Ge 5:22, 24; 46:3; De 4:39).

  • Weefgetouw.

    Een toestel waarmee garen tot weefsel gevlochten werd (Re 16:14).

  • Weg.

    Een term die in de Bijbel figuurlijk wordt gebruikt als aanduiding voor een levens- of handelwijze die Jehovah goedkeurt of afkeurt. Over de volgelingen van Jezus Christus werd gezegd dat ze bij ‘De Weg’ hoorden: hun levensweg draaide om geloof in Jezus Christus, ze volgden zijn voorbeeld (Han 19:9).

  • Wekenfeest.

    — Zie PINKSTERFEEST.

  • Wet.

    Dit woord kan duiden op de wet van Mozes, de eerste vijf boeken van de Bijbel, individuele wetten (uit de wet van Mozes) of een rechtsbeginsel (Nu 15:16; De 4:8; Mt 7:12; Ga 3:24).

  • Wet van Mozes.

    De wet die Jehovah in 1513 v.Chr. in de Sinaïwoestijn via Mozes aan Israël gaf. ‘De wet’ is vaak een aanduiding van de eerste vijf boeken van de Bijbel (Joz 23:6; Lu 24:44).

  • Wierook.

    Een mengsel van aromatische gomharsen en balsems dat langzaam verbrandt en daarbij een aangename geur verspreidt. Voor het gebruik in de tabernakel en de tempel werd een speciaal mengsel van vier ingrediënten gemaakt. Dat werd ’s morgens en ’s avonds op het reukofferaltaar in het heilige gebrand, en op de Verzoendag in het allerheiligste. Het was een afbeelding van de aanvaardbare gebeden van Gods trouwe aanbidders. Het branden van wierook was geen vereiste voor christenen (Ex 30:34, 35; Le 16:13; Opb 5:8).

  • Wijnpers.

    Gewoonlijk twee kuilen (kuipen) op ongelijke hoogte die uit kalksteen waren gehouwen en door een geultje met elkaar verbonden waren. In de bovenste kuil werden de druiven geplet, waarna het sap in de onderste kuil liep. Het woord wordt figuurlijk gebruikt voor Gods oordeel (Jes 5:2; Opb 19:15).

  • Wijnzak.

    Een zak waarin wijn werd bewaard. Hiervoor gebruikte men de huid van een heel dier, zoals een geit of schaap. De wijn werd in nieuwe wijnzakken gedaan, omdat er tijdens de gisting koolzuurgas ontstaat waardoor de zakken onder druk komen te staan. Nieuwe huiden rekken uit, oude huiden zijn niet meer elastisch en barsten door de druk (Joz 9:4; Mt 9:17).

  • Wonderen.

    Gebeurtenissen of verschijnselen die alle bij mensen bekende krachten te boven gaan en die aan een bovennatuurlijke macht worden toegeschreven. Uitdrukkingen als ‘krachtige werken’ en ‘tekenen’ worden soms in de Bijbel als synoniemen hiervan gebruikt (Ex 4:21; Han 4:22; Heb 2:4).

Z

  • Zalven.

    De grondbetekenis van het Hebreeuwse woord is ‘met een vloeistof insmeren’. Een persoon of een voorwerp werd met olie ingewreven als symbool van opdracht aan een speciale dienst. In de Griekse Geschriften wordt het woord ook gebruikt voor het uitstorten van heilige geest op degenen die uitgekozen zijn voor de hemelse hoop (Ex 28:41; 1Sa 16:13; 2Kor 1:21).

  • Zegel.

    Een voorwerp waarmee een afdruk werd gemaakt (meestal in klei of was) die diende als bewijs van eigendom of echtheid of als bekrachtiging van een overeenkomst. In de oudheid was het een stuk hard materiaal (steen, ivoor of hout) waarin letters of voorstellingen in spiegelbeeld waren gegraveerd. De term wordt figuurlijk gebruikt voor een bewijs van eigendom, voor iets dat als echt bestempeld is of voor iets dat verborgen of geheim is (Ex 28:11; Ne 9:38; Opb 5:1; 9:4).

  •  Zegelring.

    Een ring met een zegel die om de vinger werd gedaan of aan een koord werd gedragen, waarschijnlijk om de hals. De zegelring van een regeerder of beambte was het symbool van zijn gezag (Ge 41:42). — Zie ZEGEL.

  • Zeus.

    De oppergod van de polytheïstische Grieken. In Lystra werd Barnabas voor Zeus aangezien. Oude inscripties uit de omgeving van Lystra vermelden ‘priesters van Zeus’ en ‘de zonnegod Zeus’. Het schip waarop Paulus van Malta vertrok had als boegbeeld ‘Zonen van Zeus’, de tweelingbroers Castor en Pollux (Han 14:12; 28:11).

  • Ziel.

    De traditionele vertaling van het Hebreeuwse nefesj en het Griekse psuche. Uit het gebruik van deze woorden in de Bijbel blijkt dat ze hoofdzakelijk duiden op (1) mensen, (2) dieren of (3) het leven van mensen of dieren (Ge 1:20; 2:7; Nu 31:28; 1Pe 3:20; ook vtnn.). Anders dan wat er in veel religieuze contexten met ‘ziel’ wordt bedoeld, duiden nefesj en psuche in de Bijbel, als het om aardse wezens gaat, allebei op iets dat stoffelijk, tastbaar, zichtbaar en sterfelijk is. In deze vertaling zijn de woorden uit de oorspronkelijke talen meestal weergegeven volgens hun betekenis in de context. Daarbij is gebruik gemaakt van woorden als leven, wezen of persoon, of van een persoonlijk voornaamwoord (zoals ‘ik’ voor ‘mijn ziel’). Meestal staat in een voetnoot de alternatieve weergave ‘ziel’ vermeld. Als ‘ziel’ is gebruikt, in de hoofdtekst of in de voetnoten, moet het woord in lijn met bovenstaande uitleg worden opgevat. Als er wordt gezegd dat je iets met je hele ziel moet doen, wil dat zeggen dat je het met je hele wezen of van harte doet (De 6:5; Mt 22:37). In sommige contexten duiden de woorden uit de oorspronkelijke talen op de verlangens of de eetlust van een levend wezen. Ze kunnen ook duiden op een dode of op een dood lichaam (Nu 6:6; Sp 23:2; Jes 56:11; Hag 2:13).

  • Ziener.

    Iemand aan wie God het vermogen gaf zijn wil te onderscheiden, iemand van wie de ogen geopend waren om dingen te zien of te begrijpen die voor mensen in het algemeen niet duidelijk waren. De Hebreeuwse term is afgeleid van een grondwoord dat ‘zien’ betekent, letterlijk of figuurlijk. Een ziener werd door anderen geraadpleegd voor wijze raad bij problemen (1Sa 9:9).

  • Ziv.

    Oorspronkelijk de tweede maand van de Joodse godsdienstige kalender en de achtste maand van de burgerlijke kalender. De maand liep van half april tot half mei. In de Joodse Talmoed en in andere werken van na de Babylonische ballingschap werd hij ijjar genoemd (1Kon 6:37). — Zie App. B15.

  • Zondeoffer.

    Een offer dat werd gebracht voor onopzettelijke zonden, begaan als gevolg van de zwakheid van het onvolmaakte vlees. Er werden verschillende offerdieren gebruikt, van stier tot duif, afhankelijk van de positie en omstandigheden van degene van wie de zonde werd verzoend (Le 4:27, 29; Heb 10:8).

  • Zonen van Aäron.

    Afstammelingen van Levi’s kleinzoon Aäron, die was uitgekozen als de eerste hogepriester onder de wet van Mozes. De zonen van Aäron deden priestertaken in de tabernakel en in de tempel (1Kr 23:28).

  • Zoon van David.

    Een uitdrukking die vaak op Jezus wordt toegepast en die benadrukt dat hij de Erfgenaam is van het Koninkrijksverbond, dat door iemand in de afstammingslijn van David vervuld zou worden (Mt 12:23; 21:9).

  • Zuil.

    Een rechtopstaande steunpilaar of kolom. Sommige zuilen werden opgericht als gedenkteken voor historische gebeurtenissen. Zuilen werden gebruikt in de tempel en de koninklijke gebouwen die Salomo bouwde. Heidense volken richtten heilige zuilen op voor hun valse aanbidding, en soms namen de Israëlieten dat gebruik over (Re 16:29; 1Kon 7:21; 14:23). — Zie KAPITEEL.

  • Zuilengang van Salomo.

    In Jezus’ tijd een overdekte zuilengang aan de oostkant van het buitenste voorhof van de tempel. Er werd algemeen aangenomen dat het een overblijfsel was van Salomo’s tempel. Jezus heeft daar ‘in de winter’ gelopen en de eerste christenen kwamen er samen voor aanbidding (Jo 10:22, 23; Han 5:12). — Zie App. B11.

  • Zuurdesem.

    Een stukje deeg dat apart werd gehouden en dat door gisting zuur werd. Het werd gebruikt om nieuw deeg te laten gisten. In de Bijbel wordt het vaak gebruikt als symbool voor zonde en verdorvenheid, en ook als aanduiding voor groei die onzichtbaar is maar overal doordringt (Ex 12:20; Mt 13:33; Ga 5:9).

  • Zwagerhuwelijk.

    Een gebruik dat pas later in de wet van Mozes werd opgenomen en dat ook bekendstaat als leviraatshuwelijk. Als een man stierf zonder een zoon na te laten, trouwde zijn broer met de weduwe om kinderen voort te brengen en de geslachtslijn van zijn broer voort te zetten (Ge 38:8; De 25:5).