Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Zacharia 12:1-14

INHOUD

  • Jehovah verdedigt Juda en Jeruzalem (1-9)

    • Jeruzalem ‘een zware steen’ (3)

  • Rouw om degene die doorstoken is (10-14)

12  Een uitspraak: ‘Dit is het woord van Jehovah over Israël’, verklaart Jehovah, die de hemel heeft uitgespannen,+ de aarde heeft gegrondvest+ en de geest* van de mens in zijn binnenste heeft gevormd.  ‘Ik maak van Jeruzalem een beker* die alle omringende volken laat zwalken. Zowel Juda als Jeruzalem zal belegerd worden.+  Op die dag zal ik van Jeruzalem een zware* steen maken voor alle volken. Iedereen die hem optilt, zal beslist ernstig gewond raken.+ Alle volken op aarde zullen zich tegen haar verzamelen.+  Op die dag’, verklaart Jehovah, ‘zal ik paniek zaaien onder alle paarden en zal ik hun ruiters met krankzinnigheid slaan. Ik zal mijn ogen gericht houden op het huis van Juda, maar alle paarden van de volken zal ik met blindheid slaan.  De stamhoofden van Juda zullen bij zichzelf* zeggen: “De inwoners van Jeruzalem zijn onze kracht dankzij Jehovah van de legermachten, hun God.”+  Op die dag zal ik de stamhoofden van Juda maken als een vuurpot tussen het hout en als een brandende fakkel in een rij pasgemaaid graan.+ Ze zullen alle omringende volken verteren, rechts en links,+ en Jeruzalem zal opnieuw worden bewoond op haar plaats,* in Jeruzalem.+  Jehovah zal de tenten van Juda het eerst redden, zodat de pracht* van het huis van David en de pracht* van de inwoners van Jeruzalem niet die van Juda overtreffen.  Op die dag zal Jehovah een verdediging zijn rondom de inwoners van Jeruzalem.+ Op die dag zal degene onder hen die struikelt* zijn als David en zal het huis van David zijn als God, als Jehovah’s engel die voor hen uit gaat.+  En op die dag zal ik beslist alle volken uitroeien die tegen Jeruzalem optrekken.+ 10  Ik zal de geest van gunst en smeekgebeden uitstorten over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem, en ze zullen kijken naar degene die ze hebben doorstoken.+ Ze zullen om hem rouwen als om een enige zoon. Hun verdriet om hem zal zo bitter zijn als het verdriet om een eerstgeboren zoon. 11  Op die dag zal er grote rouw zijn in Jeruzalem, als de rouw in Ha̱dad-Ri̱mmon in de Vlakte van Megi̱ddo.+ 12  Het land zal rouwen, elke familie afzonderlijk: de familie van Davids huis afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, de familie van Nathans+ huis afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 13  de familie van Levi’s+ huis afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, de familie van de Simeïeten+ afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 14  en alle families die overblijven, elke familie afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.

Voetnoten

Of ‘adem’.
Of ‘schaal’.
Of ‘zwaar te tillen’.
Lett.: ‘in hun hart’.
Of ‘haar rechtmatige plaats’.
Of ‘luister’.
Of ‘luister’.
Of ‘de zwakste onder hen’.