Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Aan de Romeinen 9:1-33

INHOUD

  • Paulus’ verdriet over Israël (1-5)

  • Abrahams ware nageslacht (6-13)

  • Geen twijfel over Gods keuze (14-26)

    • Voorwerpen van woede en barmhartigheid (22, 23)

  • Alleen overblijfsel gered (27-29)

  • Israël gestruikeld (30-33)

9  Ik spreek de waarheid in Christus. Ik lieg niet, mijn geweten getuigt met mij in heilige geest:  ik heb veel verdriet en onophoudelijke pijn in mijn hart.  Ik zou willen dat ik zelf vervloekt en van de Christus gescheiden was ter wille van mijn broeders, mijn natuurlijke verwanten,*  die Israëlieten zijn. Ze zijn geadopteerd als zonen+ en hebben de glorie, de verbonden,*+ de wet,+ de heilige dienst+ en de beloften+ gekregen.  Ze stammen af van de voorvaders+ en uit hen is de Christus voortgekomen.*+ Laat God, die over alles heerst, voor altijd geprezen worden. Amen.  Maar het is niet zo dat het woord van God gefaald heeft. Want niet allen die van Israël afstammen, zijn ook echt ‘Israël’.+  Ook zijn ze niet allemaal kinderen omdat ze Abrahams nageslacht* zijn,+ want: ‘Wat je nageslacht* genoemd zal worden, zal via Isaäk zijn.’+  Dat wil zeggen: de natuurlijke afstammelingen* zijn niet echt de kinderen van God,+ maar de kinderen van de belofte+ worden als het nageslacht* gerekend.  Want dit waren de woorden van de belofte: ‘Rond deze tijd zal ik komen en dan zal Sara een zoon hebben.’+ 10  Niet alleen toen, maar ook toen Rebekka zwanger werd van een tweeling door die ene man, onze voorvader Isaäk.+ 11  Want toen ze nog niet geboren waren en nog niets goeds of slechts hadden gedaan, werd er — zodat Gods voornemen in verband met de uitverkiezing afhankelijk zou blijven van hem die roept en niet van daden — 12  tegen haar gezegd: ‘De oudste zal de slaaf van de jongste zijn.’+ 13  Zoals er staat geschreven: ‘Ik hield van Jakob, maar Esau haatte ik.’+ 14  Moeten we dan zeggen dat God onrechtvaardig is? Natuurlijk niet!+ 15  Want hij zegt tegen Mozes: ‘Ik zal barmhartig zijn voor wie ik wil en ik zal medelijden tonen voor wie ik wil.’+ 16  Het hangt dus niet af van iemands wens of inspanning,* maar van God, die barmhartig is.+ 17  Want de Schrift zegt tegen de farao: ‘Dit is de reden dat ik je heb laten bestaan: om via jou mijn kracht te tonen en om mijn naam over de hele aarde bekend te laten maken.’+ 18  Hij is dus barmhartig voor wie hij maar wil en hij laat koppig worden wie hij maar wil.+ 19  Maar je zult tegen me zeggen: ‘Waarom heeft hij dan nog iets aan te merken? Want wie kan zich tegen zijn wil verzetten?’ 20  Maar wie ben jij, o mens, dat je God zou tegenspreken?+ Zegt het aardewerk soms tegen zijn maker: ‘Waarom heb je me zo gemaakt?’+ 21  Wat? Heeft de pottenbakker niet de autoriteit om uit dezelfde klomp klei+ een voorwerp* voor eervol gebruik te maken maar ook een voorwerp voor oneervol gebruik? 22  Wat als God zijn woede wilde tonen en zijn kracht kenbaar wilde maken, en hij met veel geduld de voorwerpen* van zijn woede heeft verdragen die bestemd zijn voor de vernietiging? 23  En als hij dat deed om de overvloed van zijn glorie over de voorwerpen* van zijn barmhartigheid+ bekend te maken, die hij van tevoren heeft bestemd voor glorie 24  — namelijk ons, die hij niet alleen uit de Joden maar ook uit andere volken heeft geroepen+ — wat zou dat dan? 25  Het is zoals hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal hen die mijn volk niet waren+ “mijn volk” noemen, en haar die niet geliefd was “geliefd”.+ 26  En op de plaats waar tegen hen werd gezegd: “Jullie zijn mijn volk niet”, daar zullen ze “zonen van de levende God” worden genoemd.’+ 27  Bovendien roept Jesaja over Israël uit: ‘Al zou het aantal Israëlieten* als het zand aan de zee zijn, alleen het overblijfsel zal worden gered.+ 28  Want Jehovah* zal op aarde een afrekening houden, volledig en zonder uitstel.’*+ 29  En zoals Jesaja voorspelde: ‘Als Jehovah* van de legermachten geen nageslacht* van ons had overgelaten, zouden we net als Sodom zijn geworden en op Gomorra hebben geleken.’+ 30  Wat wil dat dan zeggen? Dat heidenen,* hoewel ze niet naar rechtvaardigheid streefden, toch rechtvaardigheid hebben bereikt,+ de rechtvaardigheid die voortkomt uit geloof.+ 31  En dat Israël, dat een wet van rechtvaardigheid nastreefde, die wet niet heeft bereikt. 32  Om welke reden? Omdat ze dachten dat te kunnen bereiken door werken, niet door geloof. Ze zijn gestruikeld over de ‘steen waarover men struikelt’,+ 33  zoals er staat geschreven: ‘Kijk! Ik leg in Sion een steen+ waarover men struikelt en een rotsblok waarover men valt, maar wie zijn geloof erop bouwt, zal niet worden teleurgesteld.’+

Voetnoten

Lett.: ‘verwanten naar het vlees’.
Lett.: ‘naar het vlees’.
Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘kinderen van het vlees’.
Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘van degene die wenst of van degene die hardloopt’.
Lett.: ‘vat’.
Lett.: ‘vaten’.
Lett.: ‘vaten’.
Lett.: ‘zonen van Israël’.
Of ‘snel voltrekkend’. Lett.: ‘die hij tot een einde zal brengen en zal verkorten’.
Lett.: ‘zaad’.