Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Aan de Romeinen 4:1-25

INHOUD

  • Abraham door geloof rechtvaardig verklaard (1-12)

    • Abraham, de vader van wie geloof hebben (11)

  • Belofte gekregen dankzij geloof (13-25)

4  Wat zullen we dan zeggen over Abraham, onze stamvader* naar het vlees? Wat heeft hij verkregen?  Als Abraham bijvoorbeeld rechtvaardig verklaard was op basis van werken, zou hij reden hebben om trots te zijn, maar niet tegenover God.  Want wat zegt de Schrift? ‘Abraham geloofde in Jehovah* en het werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.’+  Iemand die werkt, krijgt zijn loon niet toegerekend als een onverdiende goedheid maar als iets waar hij recht op heeft.  Maar iemand die niet werkt en gelooft in hem die de goddeloze rechtvaardig verklaart, krijgt zijn geloof als rechtvaardigheid toegerekend.+  Zo noemt ook David de mens gelukkig aan wie God rechtvaardigheid toerekent los van de werken:  ‘Gelukkig degenen van wie de wetteloze daden zijn vergeven en van wie de zonden zijn bedekt.*  Gelukkig de mens van wie Jehovah* de zonde niet aanrekent.’+  Is dat geluk dan alleen voor wie besneden is of ook voor wie niet besneden is?+ We hebben namelijk gezegd: ‘Abrahams geloof werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.’+ 10  Onder welke omstandigheden werd het als rechtvaardigheid toegerekend? Toen hij besneden was of onbesneden? Niet toen hij besneden was, maar toen hij nog onbesneden was. 11  En hij kreeg een teken+ — de besnijdenis — als een zegel* van de rechtvaardigheid door het geloof dat hij had toen hij nog niet besneden was. Zo kon hij de vader worden van alle onbesnedenen die geloof hebben,+ zodat hun rechtvaardigheid zou worden toegerekend. 12  En zo kon hij een vader worden voor besneden nakomelingen, niet alleen voor hen die aan de besnijdenis vasthouden maar ook voor hen die het voetspoor volgen van het geloof dat onze vader Abraham+ had toen hij nog niet besneden was. 13  Want Abraham of zijn nageslacht* kreeg de belofte dat hij erfgenaam van een wereld zou zijn+ niet dankzij de wet, maar dankzij rechtvaardigheid door geloof.+ 14  Want als je erfgenaam wordt door je aan de wet te houden, is het geloof nutteloos en de belofte krachteloos. 15  In werkelijkheid veroorzaakt de wet Gods woede,+ maar waar geen wet is, is ook geen overtreding.+ 16  Daarom is het dankzij geloof, waardoor het een uiting van onverdiende goedheid+ kon zijn. Zo zou de belofte zeker zijn voor zijn hele nageslacht,*+ niet alleen voor degenen die zich aan de wet houden, maar ook voor degenen die het geloof van Abraham volgen, die de vader van ons allemaal is.+ 17  (Zoals er staat geschreven: ‘Ik heb je aangesteld als een vader van vele volken.’)+ Dat gebeurde voor de ogen van God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en die over de dingen die niet zijn spreekt alsof ze er zijn.* 18  Hoewel er geen hoop meer leek te zijn, had hij toch op basis van hoop het geloof dat hij de vader zou worden van vele volken, zoals er was gezegd: ‘Zo zal je nageslacht* zijn.’+ 19  En hij verzwakte niet in geloof, ook al besefte hij dat zijn eigen lichaam toen zo goed als dood was (hij was ongeveer 100 jaar oud)+ en dat ook de schoot van Sara dood* was.+ 20  Maar vanwege Gods belofte twijfelde hij niet en verloor hij zijn geloof niet. Hij kreeg juist kracht door zijn geloof en gaf eer aan God. 21  Hij was er volledig van overtuigd dat Hij kon doen wat hij had beloofd.+ 22  Daarom ‘werd het hem als rechtvaardigheid toegerekend’.+ 23  Maar de woorden ‘het werd hem toegerekend’ werden niet alleen voor hem opgeschreven,+ 24  maar ook voor ons, aan wie het toegerekend zal worden omdat we geloven in Hem die Jezus, onze Heer, uit de dood heeft opgewekt.+ 25  Hij werd overgeleverd ter wille van onze zonden+ en opgewekt zodat we rechtvaardig verklaard kunnen worden.+

Voetnoten

Lett.: ‘voorvader’.
Of ‘vergeven’.
Of ‘garantie’, ‘bevestiging’.
Lett.: ‘zaad’.
Lett.: ‘zaad’.
Of mogelijk ‘die tot bestaan roept wat niet bestaat’.
Lett.: ‘zaad’.
Of ‘onvruchtbaar’.