Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Psalmen 81:1-16

INHOUD

  • Aansporing om te gehoorzamen

    • Aanbid geen valse goden (9)

    • ‘Luisterde mijn volk maar’ (13)

Voor de koorleider: op de gittith.* Van Asaf.+ 81  Juich vol vreugde voor God, onze sterkte.+ Juich in triomf voor de God van Jakob.   Speel een lied en neem een tamboerijn, de melodieuze harp samen met het snaarinstrument.   Blaas op de hoorn bij nieuwemaan,+ bij vollemaan, voor de dag van ons feest.+   Want het is een voorschrift voor Israël, een besluit van de God van Jakob.+   Hij gaf het als richtlijn voor Jozef+ toen Hij optrok tegen Egypte.+ Ik hoorde een stem* die ik niet herkende:   ‘Ik tilde de last van zijn schouder,+ zijn handen werden bevrijd van de mand.   In je nood riep je en ik bevrijdde je,+ ik antwoordde je vanuit de donderwolk.*+ Ik stelde je op de proef bij het water van Me̱riba.*+ (sela)   Hoor, mijn volk, ik zal tegen je getuigen. O Israël, luisterde je maar naar mij.+   Er zal onder jullie geen vreemde god zijn en jullie zullen je niet buigen voor een buitenlandse god.+ 10  Ik, Jehovah, ben jullie God, degene die jullie uit Egypte heeft geleid.+ Doe je mond wijd open, dan zal ik hem vullen.+ 11  Maar mijn volk luisterde niet naar mijn stem, Israël wilde zich niet aan me onderwerpen.+ 12  Daarom liet ik ze hun koppige hart volgen. Ze deden wat volgens hen goed was.*+ 13  Luisterde mijn volk maar naar mij,+ volgde* Israël mijn wegen maar!+ 14  Dan zou ik hun tegenstanders snel onderwerpen, ik zou mij* tegen hun vijanden keren.+ 15  Wie Jehovah haten zullen kruipen in zijn aanwezigheid en hun afloop* zal voor eeuwig zijn. 16  Maar jou* zal hij voeden met de beste* tarwe,+ hij zal je verzadigen met honing uit de rots.’+

Voetnoten

Of ‘taal’.
Lett.: ‘in de schuilplaats van de donder’.
Bet.: ‘ruzie’.
Lett.: ‘Ze wandelden in hun raad.’
Lett.: ‘bewandelde’.
Lett.: ‘mijn hand’.
Lett.: ‘tijd’.
Lett.: ‘hem’, d.w.z. Gods volk.
Lett.: ‘het vet van’.