Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Psalmen 78:1-72

INHOUD

  • Gods zorg en Israëls gebrek aan geloof

    • Vertel aan komende generatie (2-8)

    • ‘Ze hadden geen geloof in God’ (22)

    • ‘Het koren van de hemel’ (24)

    • ‘Ze deden de Heilige van Israël verdriet’ (41)

    • Van Egypte naar het beloofde land (43-55)

    • ‘Ze bleven God uitdagen’ (56)

Een maskil.* Van Asaf.+ 78  Luister, mijn volk, naar mijn wet,* open je oor voor de woorden van mijn mond.   Ik zal mijn mond openen voor een spreuk, ik zal raadsels opgeven van lang geleden.+   De dingen die we gehoord hebben en weten, die onze voorouders ons hebben verteld,+   zullen we niet voor hun zonen verbergen. We zullen de komende generatie vertellen over+ de roemrijke daden van Jehovah en zijn kracht,+ de bijzondere dingen die hij heeft gedaan.+   Hij stelde een richtlijn* vast in Jakob en gaf een wet in Israël. Hij gebood onze voorouders om die aan hun kinderen door te geven,+   zodat de volgende generatie, de kinderen die nog geboren moesten worden, ze zouden kennen.+ Zij zouden ze weer aan hun kinderen doorgeven.+   Dan zouden zij op God vertrouwen. Ze zouden Gods werken niet vergeten+ maar zich aan zijn geboden houden.+   Dan zouden ze niet als hun voorouders worden, een koppige en opstandige generatie,+ een generatie met een onstandvastig* hart+ en een geest die niet trouw was aan God.   De Efraïmieten waren gewapend met de boog, maar trokken zich terug op de dag van de strijd. 10  Ze hielden zich niet aan het verbond van God+ en weigerden zijn wet na te leven.*+ 11  Ook vergaten ze wat hij had gedaan,+ zijn wonderen die hij ze had laten zien.+ 12  Hij deed wonderen voor de ogen van hun voorouders+ in het land Egypte, het gebied van Zo̱an.+ 13  Hij spleet de zee om ze te laten oversteken en liet het water oprijzen als een dam.*+ 14  Overdag leidde hij ze met een wolk en de hele nacht met het licht van een vuur.+ 15  Hij spleet rotsen in de woestijn, hij liet hen volop drinken als uit diepe wateren.+ 16  Hij liet stromen tevoorschijn komen uit een rots en liet water neerstromen als rivieren.+ 17  Maar ze bleven tegen hem zondigen en in de woestijn kwamen ze tegen de Allerhoogste in opstand.+ 18  In hun hart daagden ze God uit,*+ ze eisten voedsel waarnaar ze verlangden.* 19  Ze klaagden tegen God en zeiden: ‘Kan God in de woestijn een tafel dekken?’+ 20  Hij sloeg op een rots, water kwam tevoorschijn en stromen barstten los.+ ‘Kan hij ons ook brood geven of zijn volk van vlees voorzien?’+ 21  Jehovah hoorde hen en werd woedend.+ Een vuur+ ontbrandde tegen Jakob, zijn woede laaide op tegen Israël,+ 22  omdat ze geen geloof hadden in God+ en niet vertrouwden op zijn vermogen hen te redden. 23  Hij gaf een bevel aan de wolkenhemel boven en opende de deuren van de hemel. 24  Hij liet steeds manna om te eten op hen regenen, hij gaf hun het koren van de hemel.+ 25  Mensen aten het brood van machtigen,*+ hij gaf hun voedsel tot ze verzadigd waren.+ 26  Hij liet de oostenwind opsteken in de hemel en door zijn macht waaide er een zuidenwind.+ 27  Hij liet vlees op hen neerregenen als stof, vogels als het zand aan de zee. 28  Hij liet ze vallen midden in zijn kamp, rondom zijn tenten. 29  Ze aten en propten zich vol, hij gaf hun wat ze verlangden.+ 30  Maar nauwelijks was hun verlangen vervuld, ze hadden het voedsel nog in hun mond, 31  of Gods woede laaide tegen hen op.+ Hij doodde de sterksten onder hen+ en velde de jonge mannen van Israël. 32  Toch zondigden ze nog meer,+ ze vertrouwden niet op zijn wonderen.+ 33  Daarom eindigde hij hun dagen als waren ze slechts een zucht,+ eindigde hij hun jaren door plotselinge verschrikkingen. 34  Maar elke keer dat er doden onder hen vielen, gingen ze hem zoeken.+ Ze kwamen terug en zochten God. 35  Ze dachten eraan dat God hun Rots was+ en dat de allerhoogste God hun Verlosser* was.+ 36  Maar ze probeerden hem te bedriegen met hun mond, ze logen tegen hem met hun tong. 37  Hun hart was niet standvastig tegenover hem+ en ze waren niet trouw aan zijn verbond.+ 38  Maar hij was barmhartig.+ Hij vergaf* steeds hun zonde en vernietigde hen niet.+ Vaak bedwong hij zijn boosheid+ in plaats van al zijn woede op te wekken. 39  Want hij dacht eraan dat ze vlees waren,+ een wind die langswaait* en niet terugkomt. 40  Hoe vaak kwamen ze tegen hem in opstand in de wildernis+ en kwetsten ze hem in de woestijn!+ 41  Steeds weer stelden ze God op de proef+ en deden ze de Heilige van Israël verdriet.* 42  Ze dachten niet aan zijn macht,* aan de dag dat hij hen van de tegenstander bevrijdde,*+ 43  hoe hij in Egypte tekenen deed+ en wonderen in het gebied van Zo̱an, 44  hoe hij de Nijlkanalen in bloed veranderde,+ zodat ze niet uit hun stromen konden drinken. 45  Hij stuurde zwermen steekvliegen om hen te verslinden+ en kikkers om hen te gronde te richten.+ 46  Hij gaf hun gewassen aan gulzige sprinkhanen, de opbrengst van hun werk aan zwermen sprinkhanen.+ 47  Hij vernietigde hun wijnstokken met hagel,+ hun vijgenbomen* met hagelstenen. 48  Hun lastdieren gaf hij aan de hagel prijs,+ hun vee aan bliksemstralen.* 49  Hij liet zijn brandende woede op hen los, razernij, verontwaardiging en ellende, groepen engelen die onheil brachten. 50  Hij baande een pad voor zijn woede. Hij spaarde hen* niet voor de dood en gaf hen* over aan ziekte. 51  Uiteindelijk doodde hij alle eerstgeborenen van Egypte,+ de eerste vrucht van hun voortplantingsvermogen in de tenten van Cham. 52  Daarna voerde hij zijn volk weg als schapen,+ hij leidde hen als een kudde in de woestijn. 53  Hij leidde hen veilig, ze voelden geen angst.+ De zee bedekte hun vijanden.+ 54  Hij bracht hen naar zijn heilige gebied,+ dit bergland dat zijn rechterhand had verworven.+ 55  Hij verdreef de volken voor hen,+ met het meetlint wees hij hun een erfdeel toe.+ Hij vestigde de stammen van Israël in hun huizen.+ 56  Maar ze bleven God, de Allerhoogste, uitdagen* en zich tegen hem verzetten,+ ze hadden geen aandacht voor zijn richtlijnen.*+ 57  Ze keerden zich af, net zo verraderlijk als hun voorouders.+ Ze waren zo onbetrouwbaar als een slappe boog.+ 58  Ze bleven hem tergen met hun offerhoogten,+ wekten zijn woede* op met hun beelden.+ 59  God hoorde het en werd woedend,+ hij wilde niets meer van Israël weten. 60  Ten slotte gaf hij de tabernakel van Silo op,+ de tent waarin hij onder mensen had gewoond.+ 61  Hij liet het symbool van zijn kracht in gevangenschap gaan, zijn pracht gaf hij in handen van de vijand.+ 62  Zijn volk leverde hij over aan het zwaard,+ hij werd woedend op zijn erfdeel. 63  Vuur verteerde zijn jonge mannen, voor zijn maagden werd geen bruiloftslied gezongen.* 64  Zijn priesters kwamen om door het zwaard,+ maar hun eigen weduwen huilden niet.+ 65  Toen ontwaakte Jehovah als uit een slaap,+ als een dappere strijder+ uit de roes van wijn. 66  Hij drong zijn tegenstanders terug,+ bracht blijvende schande over hen. 67  Hij verwierp de tent van Jozef, de stam Efraïm koos hij niet. 68  Maar hij koos de stam Juda,+ de berg Sion, die hij liefheeft.+ 69  Hij maakte zijn heiligdom zo duurzaam als de hemel,*+ als de aarde, die hij voor eeuwig heeft gefundeerd.+ 70  Hij koos zijn dienaar David+ en haalde hem bij de schaapskooien weg,+ 71  achter de zogende ooien vandaan. Hij maakte hem herder over Jakob, zijn volk,+ en over Israël, zijn erfdeel.+ 72  Hij* hoedde hen met een oprecht hart,*+ met vaardige hand leidde hij hen.+

Voetnoten

Of ‘onderwijs’.
Of ‘vermaning’, ‘herinnering’.
Lett.: ‘onvoorbereid’.
Lett.: ‘te wandelen in’.
Of ‘muur’.
Lett.: ‘stelden (...) op de proef’.
Of ‘voedsel voor hun ziel’.
Of ‘engelen’.
Of ‘Wreker’.
Lett.: ‘bedekte’.
Of mogelijk ‘dat de geest heengaat’.
Of ‘pijn’.
Lett.: ‘hand’.
Lett.: ‘verloste’.
Of ‘sycomoorbomen’.
Of mogelijk ‘hoge koorts’.
Of ‘hun ziel’.
Lett.: ‘hun leven’.
Lett.: ‘op de proef stellen’.
Of ‘vermaningen’, ‘herinneringen’.
Of ‘jaloezie’.
Lett.: ‘en zijn maagden werden niet geprezen’.
Lett.: ‘hij bouwde zijn heiligdom als de hoogten’.
D.w.z. David.
Of ‘rechtschapenheid van hart’.