Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Psalmen 68:1-35

INHOUD

  • ‘Laten Gods vijanden uiteengedreven worden’

    • ‘Een vader van wezen’ (5)

    • God geeft eenzame mensen een thuis (6)

    • Vrouwen verkondigen goede nieuws (11)

    • Gaven in de vorm van mensen (18)

    • ‘Jehovah draagt dagelijks onze vracht’ (19)

Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Een lied. 68  Laat God opstaan, laten zijn vijanden uiteengedreven worden en zijn haters voor hem op de vlucht slaan.+   Verdrijf ze zoals rook wordt verdreven. Zoals was smelt bij het vuur, zo moeten slechte mensen voor Gods ogen vergaan.+   Maar laten de rechtvaardigen zich verheugen,+ laten ze blij zijn voor de ogen van God, uitgelaten van vreugde.   Zing voor God, bezing* zijn naam.+ Zing voor degene die door de woestijnvlakten* rijdt. Jah* is zijn naam!+ Juich voor hem!   Een vader van wezen* en een beschermer* van weduwen+ is God in zijn heilige woning.+   God geeft eenzame mensen een thuis.+ Hij bevrijdt gevangenen en geeft ze voorspoed.+ Maar opstandige* mensen moeten in een dor land wonen.+   O God, toen u uw volk leidde,*+ toen u door de woestijn trok, (sela)   beefde de aarde.+ Door God stortte* er regen uit de hemel. Deze Sinaï beefde door God, de God van Israël.+   U liet het overvloedig regenen, God. U gaf uw uitgeputte volk* nieuwe energie. 10  Ze woonden in uw tentenkamp.+ In uw goedheid hebt u gezorgd voor de armen, o God. 11  Jehovah geeft het bevel. De vrouwen die het goede nieuws verkondigen, zijn een groot leger.+ 12  De koningen en hun legers vluchten,+ ze vluchten! Zij die thuisblijft deelt in de buit.+ 13  Ook al lagen jullie tussen de kampvuren,* mannen, er zullen vleugels van een duif zijn, overtrokken met zilver, met wieken van zuiver* goud. 14  Toen de Almachtige de koningen daar uiteendreef,+ sneeuwde het* op de Za̱lmon. 15  De berg van Ba̱san+ is een berg van God.* De berg van Ba̱san is een berg met veel toppen. 16  Waarom kijk je jaloers,* veeltoppig gebergte, naar de berg die God heeft gekozen* om er te wonen?+ Jehovah zal daar voor eeuwig verblijven.+ 17  God heeft tienduizenden strijdwagens, duizenden en nog eens duizenden.+ Jehovah is van de Sinaï naar de heilige plaats gekomen.+ 18  U bent naar boven opgestegen,+ u hebt gevangenen meegevoerd, u hebt gaven in de vorm van mensen genomen,+ ja, zelfs koppige,+ om onder hen te wonen, o Jah, God. 19  Laat Jehovah geprezen worden, die dagelijks onze vracht draagt,+ de ware God van onze redding. (sela) 20  De ware God is voor ons een reddende God.+ Jehovah, de Soevereine Heer, zorgt voor bevrijding uit de dood.+ 21  God zal het hoofd van zijn vijanden verpletteren, de harige kruin van al wie ermee doorgaat te zondigen.*+ 22  Jehovah heeft gezegd: ‘Ik zal ze terughalen uit Ba̱san,+ ik zal ze terughalen uit de diepten van de zee, 23  zodat jullie voeten waden door het bloed van de vijanden+ en jullie honden het oplikken met hun tong.’ 24  Ze zien uw triomftochten, God, de triomftochten van mijn God, mijn Koning, naar de heilige plaats.+ 25  De zangers lopen voorop, daarachter de snarenspelers,+ met in het midden de jonge vrouwen die tamboerijn spelen.+ 26  Loof God in de bijeengekomen menigte. Loof Jehovah, jullie die uit de Bron van Israël zijn.+ 27  Daar is Benjamin,+ de jongste, die hen onderwerpt, en daar zijn de leiders van Juda met hun uitbundige menigte, de leiders van Ze̱bulon, de leiders van Na̱ftali. 28  Jullie God heeft geboden dat jullie kracht ontvangen. Toon toch uw kracht, God, zoals u eerder voor ons hebt gedaan.+ 29  Voor uw tempel in Jeruzalem+ zullen koningen u geschenken brengen.+ 30  Bestraf de wilde dieren in het riet, de horde stieren+ en hun kalveren, tot de volken zich neerbuigen en stukken zilver brengen.* Drijf de volken uiteen die genieten van oorlog. 31  Uit Egypte worden bronzen voorwerpen gebracht.*+ Kusch zal zich haasten om God geschenken te brengen. 32  Koninkrijken van de aarde, zing voor God,+ zing lofzangen voor Jehovah, (sela) 33  die door de aloude hemel der hemelen rijdt.+ Hoor! Hij dondert met zijn stem, zijn machtige stem. 34  Erken Gods kracht.+ Zijn majesteit heerst over Israël en zijn kracht reikt tot boven de wolken. 35  God wekt ontzag vanuit zijn* grootse heiligdom.+ Hij is de God van Israël, die het volk sterkte en macht geeft.+ God komt eer toe.

Voetnoten

Of ‘maak muziek voor’.
Of mogelijk ‘op de wolken’.
‘Jah’ is een verkorte vorm van de naam Jehovah.
Of ‘vaderloze kinderen’.
Lett.: ‘rechter’.
Of ‘halsstarrige’.
Lett.: ‘uittrok vóór’.
Lett.: ‘droop’.
Lett.: ‘erfdeel’.
Of mogelijk ‘de schaapskooien’.
Of ‘geelgroen’.
Of ‘leek het te sneeuwen’.
Of ‘majestueuze berg’.
Of ‘afgunstig’.
Of ‘begeert’.
Lett.: ‘in zijn schuld voortwandelt’.
Of mogelijk ‘vertrappen’.
Of mogelijk ‘uit Egypte komen gezanten’.
Lett.: ‘uw’.