Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Psalmen 18:1-50

INHOUD

  • God geprezen voor redding

    • ‘Jehovah is mijn sterke rots’ (2)

    • Jehovah loyaal voor de loyale (25)

    • Gods weg is volmaakt (30)

    • ‘Uw nederigheid maakt mij groot’ (35)

Voor de koorleider. Van Jehovah’s dienaar David, die de woorden van dit lied tot Jehovah richtte op de dag dat Jehovah hem bevrijdde uit de handen van al zijn vijanden en van Saul. Hij zei:+ 18  Ik heb u lief, Jehovah, mijn sterkte.+   Jehovah is mijn sterke rots en mijn vesting, hij is mijn Bevrijder.+ Mijn God is mijn rots,+ bij wie ik bescherming vind, mijn schild en mijn hoorn* van redding,* mijn veilige schuilplaats.*+   Ik roep Jehovah aan, die alle eer verdient, en ik word gered van mijn vijanden.+   De banden van de dood omsloten mij,+ een vloed van boosaardige mannen joeg mij angst aan.+   Ik werd omklemd door de banden van het Graf,* bedreigd door de valstrikken van de dood.+   In mijn angst riep ik Jehovah aan, ik bleef tot God roepen om hulp. Vanuit zijn tempel hoorde hij mijn stem,+ mijn hulpgeroep bereikte zijn oren.+   De aarde begon te schudden en te beven.+ De bergen trilden op hun grondvesten en schokten hevig vanwege zijn woede.+   Rook steeg op uit zijn neusgaten, uit zijn mond kwam een verwoestend vuur.+ Gloeiende kolen gingen van hem uit.   Hij boog de hemel naar beneden en daalde af,+ donkere wolken waren onder zijn voeten.+ 10  Hij kwam aangevlogen op een cherub,+ hij schoot toe op de vleugels van een geest.*+ 11  Toen bedekte hij zich met duisternis+ als beschutting rondom, met donkere wateren en dichte wolken.+ 12  Uit de heldere gloed vóór hem braken hagel en vurige kolen door de wolken. 13  Jehovah liet het in de hemel donderen.+ De Allerhoogste liet zijn stem horen+ met hagelstenen en vurige kolen. 14  Hij schoot pijlen af om hen* te verstrooien,+ slingerde zijn bliksem om verwarring te zaaien.+ 15  De stroombeddingen* werden zichtbaar,+ de fundamenten van het land kwamen bloot te liggen door uw bestraffing, Jehovah, door de briesende adem uit uw neusgaten.+ 16  Van boven reikte hij mij de hand toe, hij pakte me vast en trok me uit het diepe water.+ 17  Hij bevrijdde mij van mijn sterke vijand,+ van mijn haters, die sterker waren dan ik.+ 18  Ze bedreigden mij op de dag van mijn ellende,+ maar Jehovah steunde mij. 19  Hij bracht mij naar een veilige* plaats, hij bevrijdde mij omdat hij op mij gesteld was.+ 20  Jehovah beloont mij voor mijn rechtvaardigheid,+ hij beloont mij naar de onschuld* van mijn handen.+ 21  Want ik heb Jehovah’s wegen gevolgd, ik heb mijn God niet boosaardig verlaten. 22  Al zijn bepalingen staan mij voor ogen. Ik zal zijn voorschriften niet negeren. 23  Ik zal onberispelijk blijven in zijn ogen+ en overtredingen altijd vermijden.+ 24  Mag Jehovah mijn rechtvaardigheid belonen+ omdat mijn handen onschuldig zijn gebleven voor zijn ogen.+ 25  U bent loyaal voor de loyale,+ onberispelijk voor de onberispelijke,+ 26  zuiver voor de zuivere,+ maar wie sluw is, bent u te slim af.+ 27  Want nederige* mensen redt u,+ maar trotse mensen* vernedert u.+ 28  U bent het die mijn lamp ontsteekt, Jehovah, mijn God die licht brengt in mijn duisternis.+ 29  Met uw hulp kan ik op een roversbende af stormen,+ met Gods kracht kan ik een muur beklimmen.+ 30  De weg van de ware God is volmaakt,+ het woord van Jehovah is gelouterd.+ Hij is een schild voor iedereen die bescherming bij hem zoekt.+ 31  Want wie is een God buiten Jehovah?+ En wie is een rots behalve onze God?+ 32  De ware God bekleedt mij met kracht+ en hij maakt mijn weg volmaakt.+ 33  Hij geeft me voeten als van een hert, hij zorgt dat ik op hoge plaatsen stevig sta.+ 34  Hij oefent mijn handen voor de oorlog. Mijn armen kunnen een koperen boog spannen. 35  U geeft me uw schild van redding,+ uw rechterhand ondersteunt mij en uw nederigheid maakt mij groot.+ 36  U verbreedt het pad voor mij, mijn voeten* zullen niet uitglijden.+ 37  Ik zal mijn vijanden achtervolgen en inhalen. Ik kom pas terug als ze zijn vernietigd. 38  Ik zal ze verpletteren zodat ze niet meer opstaan,+ onder mijn voeten zal ik ze vermorzelen. 39  U zult me kracht geven voor de strijd, u laat mijn vijanden voor me neervallen.+ 40  U zorgt ervoor dat mijn vijanden zich terugtrekken,* mijn haters zal ik het zwijgen opleggen.+ 41  Ze schreeuwen om hulp, maar er is niemand die ze redt. Ze roepen zelfs tot Jehovah, maar hij antwoordt niet. 42  Ik zal ze verpulveren als stof in de wind, ik zal ze eruit gooien als modder van de straat. 43  U zult me bevrijden van de kritiek van het volk.+ U zult me aanstellen als het hoofd van naties.+ Een volk dat ik niet heb gekend zal me dienen.+ 44  Zodra ze over me horen, zullen ze me gehoorzamen. Vreemdelingen zullen voor me kruipen.+ 45  Ze zullen de moed verliezen,* bevend zullen ze uit hun vestingen komen. 46  Jehovah leeft! Laat mijn Rots geëerd worden!+ Prijs de God van mijn redding.+ 47  De ware God neemt wraak voor mij.+ Hij onderwerpt volken aan mij. 48  Hij bevrijdt me van mijn boze tegenstanders. U verheft me hoog boven al mijn vijanden,+ u redt me van de man van geweld. 49  Daarom prijs ik u onder de volken, Jehovah,+ en ik bezing* uw naam.+ 50  Hij verricht grote reddingsdaden* voor zijn koning.+ Hij toont loyale liefde voor zijn gezalfde,+ voor David en zijn nageslacht,* voor eeuwig.+

Voetnoten

Of ‘mijn machtige redder’.
Of ‘veilige hoogte’.
Of ‘Sjeool’, het collectieve graf van de mensheid. Zie Woordenlijst.
Of ‘de wind’.
D.w.z. de vijand.
Of ‘waterkanalen’.
Of ‘ruime’.
Lett.: ‘reinheid’.
Of ‘eenvoudige’, ‘behoeftige’.
Lett.: ‘ogen’.
Of ‘enkels’.
Of ‘zult me de rug van mijn vijanden geven’.
Of ‘wegkwijnen’.
Of ‘maak muziek voor’.
Of ‘overwinningen’.
Lett.: ‘zaad’.