Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Psalmen 106:1-48

INHOUD

  • Israëls gebrek aan waardering

    • Gods daden snel vergeten (13)

    • Gods glorie ingeruild voor afbeelding stier (19, 20)

    • Geen geloof in Gods belofte (24)

    • Gingen Baäl aanbidden (28)

    • Kinderen geofferd aan demonen (37)

106  Loof Jah!* Dank Jehovah, want hij is goed.+ Eeuwig duurt zijn loyale liefde.+   Wie kan Jehovah’s machtige daden verwoorden of al zijn roemrijke daden verkondigen?+   Gelukkig wie recht doen, wie altijd doen wat rechtvaardig is.+   Denk aan mij, Jehovah, als u uw volk gunst* toont.+ Kijk naar mij om en red mij,   dan kan ik delen in de goedheid die u uw uitverkorenen toont,+ vind ik vreugde samen met uw volk en kan ik u vol trots loven* samen met uw erfdeel.   We hebben gezondigd zoals onze voorouders,+ we hebben gedaan wat verkeerd was, we hebben slecht gehandeld.+   Onze voorouders in Egypte hadden geen oog voor* uw wonderen. Ze dachten niet aan uw overvloedige loyale liefde, maar ze kwamen in opstand bij de zee, bij de Rode Zee.+   Toch redde hij hen omwille van zijn naam,+ om zijn macht te tonen.+   Hij bestrafte de Rode Zee en die viel droog. Hij leidde hen door de diepte ervan als door een woestijn.+ 10  Hij redde hen uit de hand van hun tegenstander+ en verloste hen uit de hand van de vijand.+ 11  Het water bedekte hun tegenstanders, niet één van hen overleefde het.*+ 12  Toen hadden ze geloof in zijn belofte,+ ze gingen zijn lof zingen.+ 13  Maar ze vergaten snel wat hij had gedaan,+ ze wachtten niet op zijn raad. 14  Ze gaven toe aan hun zelfzuchtige verlangens in de wildernis,+ ze stelden God op de proef in de woestijn.+ 15  Hij gaf ze wat ze vroegen maar sloeg ze vervolgens met een slopende ziekte.*+ 16  In het kamp werden ze jaloers op Mozes en op Aäron,+ de heilige van Jehovah.+ 17  De aarde opende zich en slokte Da̱than op, ze bedekte Abi̱ram met zijn aanhang.+ 18  Vuur laaide op in hun groep, een vlam verteerde de slechten.+ 19  Ze maakten een kalf in Ho̱reb en bogen zich neer voor een metalen* beeld.+ 20  Mijn glorie ruilden ze in voor de afbeelding van een grazende stier.+ 21  Ze vergaten God,+ hun Redder, die grote dingen had gedaan in Egypte,+ 22  wonderen in het land van Cham,+ ontzagwekkende daden bij de Rode Zee.+ 23  Hij wilde bevel geven ze uit te roeien, maar Mozes, zijn uitverkorene, pleitte bij hem* om zijn vernietigende woede af te wenden.+ 24  Toen verachtten ze het begeerlijke land,+ ze hadden geen geloof in zijn belofte.+ 25  Ze bleven klagen in hun tenten,+ ze luisterden niet naar Jehovah’s stem.+ 26  Daarom hief hij zijn hand op in een eed: hij zou ze laten omkomen in de woestijn,+ 27  hij zou hun nakomelingen laten omkomen onder de volken, hij zou ze verstrooien over de landen.+ 28  Toen deden ze mee met de aanbidding van* Baäl van Pe̱or+ en aten ze de slachtoffers voor de doden.* 29  Ze tergden God met hun daden+ en er brak een plaag onder hen uit.+ 30  Maar toen Pi̱nehas opstond en tussenbeide kwam, kwam er een eind aan de plaag.+ 31  En het werd hem als rechtvaardigheid toegerekend, van generatie op generatie, voor altijd.+ 32  Ze tergden Hem bij het water van Me̱riba* en brachten Mozes in moeilijkheden.+ 33  Ze verbitterden zijn geest en hij sprak overhaast met zijn lippen.+ 34  Ze roeiden de volken niet uit,+ zoals Jehovah ze had opgedragen.+ 35  Maar ze vermengden zich met de volken+ en namen hun praktijken over.*+ 36  Ze bleven hun afgoden vereren,+ en die werden een valstrik voor hen.+ 37  Ze offerden hun zonen en hun dochters aan demonen.+ 38  Ze vergoten onschuldig bloed,+ het bloed van hun eigen zonen en dochters die ze offerden aan de afgoden van Kanaän.+ Het land werd met bloedvergieten verontreinigd. 39  Ze werden onrein door hun werken, ze waren ontrouw aan God* door hun daden.+ 40  Toen laaide Jehovah’s woede op tegen zijn volk, hij kreeg een afkeer van zijn erfdeel. 41  Hij gaf ze herhaaldelijk in handen van de volken,+ zodat hun haters over hen zouden heersen.+ 42  Hun vijanden onderdrukten hen en ze werden aan hun macht* onderworpen. 43  Vele malen bevrijdde hij hen,+ maar ze werden steeds weer opstandig en ongehoorzaam+ en werden dan vernederd vanwege hun overtredingen.+ 44  Maar telkens zag hij hun nood+ en hoorde hij hun hulpgeroep.+ 45  Ter wille van hen dacht hij weer aan zijn verbond en hij had medelijden,* bewogen door zijn grote* loyale liefde.+ 46  Hij wekte medelijden voor hen op bij allen die hen gevangenhielden.+ 47  Red ons, Jehovah, onze God,+ breng ons bijeen uit de volken,+ dan kunnen we uw heilige naam prijzen en u uitbundig loven.+ 48  Jehovah, de God van Israël, komt alle eer toe, voor eeuwig en altijd.*+ En het hele volk moet zeggen: ‘Amen!’* Loof Jah!

Voetnoten

Of ‘Hallelujah!’ ‘Jah’ is een verkorte vorm van de naam Jehovah.
Of ‘goede wil’.
Of ‘mij op u beroemen’.
Of ‘vatten de betekenis niet van’.
Of ‘bleef er over’.
Of ‘een wegterende ziekte in hun ziel’.
Of ‘gegoten’.
Lett.: ‘stelde zich vóór hem op de bres’.
Of ‘verbonden ze zich aan’.
D.w.z. slachtoffers die aan dode mensen of aan levenloze goden werden gebracht.
Bet.: ‘ruzie’.
Of ‘leerden’.
Of ‘bedreven geestelijke prostitutie’.
Lett.: ‘hand’.
Of ‘voelde spijt’.
Of ‘overvloedige’.
Of ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’.
Of ‘zo zij het!’