Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Micha 7:1-20

INHOUD

  • Israëls morele verval (1-6)

    • Huisgenoten zijn vijanden (6)

  • ‘Ik zal geduldig wachten’ (7)

  • Eerherstel voor Gods volk (8-13)

  • Micha bidt tot God en looft hem (14-20)

    • Jehovah antwoordt (15-17)

    • ‘Wie is een God als Jehovah?’ (18)

7  Wee mij! Ik ben als iemand die na het inzamelen van zomerfruit en het nalezen* van een druivenoogst geen druiventros vindt om te eten, geen vroege vijg waar ik* zo naar verlang.   De loyale is van de aarde verdwenen,* geen mens is oprecht.+ Ze liggen allemaal in hinderlaag om bloed te vergieten.+ Elk jaagt met een sleepnet op zijn eigen broeder.   Hun handen zijn bedreven in het kwaad.+ De vorst stelt eisen, de rechter vraagt een beloning,+ de prominent maakt zijn wensen* kenbaar.+ Samen smeden ze hun plannen.*   De beste van hen is als doorns, de oprechtste is erger dan een doornhaag. De dag van je wachters en van je afrekening komt eraan.+ Nu zullen ze in paniek raken.+   Geloof niet in je vriend, vertrouw niet op een goede vriend.+ Let op wat je zegt tegen degene die in je armen ligt.   Want een zoon veracht zijn vader, een dochter verzet zich tegen haar moeder+ en een schoondochter tegen haar schoonmoeder.+ Je huisgenoten zijn je vijanden.+   Maar ik, ik zal blijven uitzien naar Jehovah.+ Ik zal geduldig wachten op* de God van mijn redding.+ Mijn God zal mij horen.+   Wees maar niet vrolijk over mij, mijn vijand.* Al ben ik gevallen, ik zal opstaan. Al woon ik in de duisternis, Jehovah zal mijn licht zijn.   Jehovah’s woede zal ik dragen — want ik heb tegen hem gezondigd+ — totdat hij mijn rechtszaak voert en mij recht verschaft. Hij zal mij naar het licht brengen. Ik zal zijn rechtvaardigheid zien. 10  Mijn vijand zal het ook zien, en schaamte zal haar bedekken die tegen mij zei: ‘Waar is Jehovah, je God?’+ Mijn ogen zullen haar zien. Nu zal zij vertrapt worden als modder in de straten. 11  Het zal een dag zijn om je stenen muren te bouwen. Op die dag zal de grens worden verlegd.* 12  Op die dag zal men bij je komen van Assyrië en de steden van Egypte, van Egypte tot aan de Rivier,* van zee tot zee en van berg tot berg.+ 13  Het land zal een woestenij worden vanwege zijn bewoners, door wat ze hebben gedaan.* 14  Weid uw volk met uw staf, de kudde van uw erfdeel,+ die alleen leefde in een woud — midden in een boomgaard. Laat ze grazen in Ba̱san en Gilead+ zoals in vroeger dagen. 15  ‘Als in de dagen dat jullie uit Egypte trokken zal ik hem* bijzondere dingen laten zien.+ 16  Volken zullen het zien en beschaamd zijn ondanks al hun macht.+ Ze zullen hun hand op hun mond leggen, hun oren zullen doof worden. 17  Als de slangen zullen ze stof likken.+ Als de reptielen van de aarde zullen ze sidderend uit hun burchten komen. Angstig komen ze tot Jehovah, onze God. Ze zullen vrees hebben voor u.’+ 18  Wie is een God als u, die fouten vergeeft en voorbijgaat aan de overtreding+ van het overblijfsel van zijn erfdeel?+ U zult niet voor eeuwig aan uw woede vasthouden, want u vindt vreugde in loyale liefde.+ 19  U zult ons opnieuw barmhartigheid tonen,+ u zult onze fouten overwinnen.* U zult al hun zonden in de diepten van de zee werpen.+ 20  U zult Jakob uw trouw tonen en Abraham uw loyale liefde, zoals u lang geleden hebt gezworen aan onze voorvaders.+

Voetnoten

Of ‘mijn ziel’.
Of ‘vergaan’.
Of ‘de sterke begeerte van zijn ziel’.
Lett.: ‘weven ze het dooreen’.
Of ‘blijk geven van een wachtende houding tegenover’.
Het Hebreeuwse woord voor ‘vijand’ is hier vrouwelijk.
Of mogelijk ‘zal de verordening ver weg zijn’.
D.w.z. de Eufraat.
Lett.: ‘wegens de vrucht van hun daden’.
D.w.z. het volk Israël.
Of ‘vertrappen’, ‘onderwerpen’.