Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Volgens Lukas 3:1-38

INHOUD

  • Begin van Johannes’ werk (1, 2)

  • Johannes predikt doop (3-20)

  • Jezus’ doop (21, 22)

  • Afstamming Jezus Christus (23-38)

3  In het 15de regeringsjaar van Tibe̱rius Caesar, toen Po̱ntius Pilatus gouverneur was van Judea, Herodes*+ districtsregeerder* van Galilea, zijn broer Fili̱ppus districtsregeerder van Iture̱a en Trachoni̱tis, en Lysa̱nias districtsregeerder van Abile̱ne,  in de tijd van de overpriester A̱nnas en van Ka̱jafas,+ kwam Gods woord in de woestijn+ tot Johannes,+ de zoon van Zachari̱as.  Hij ging naar de omgeving van de Jordaan en predikte dat mensen zich moesten laten dopen als symbool van berouw om vergeving van zonden te krijgen.+  Dat stond al geschreven in het boek van de profeet Jesaja: ‘In de woestijn roept een stem: “Maak de weg van Jehovah* vrij! Maak zijn paden recht.+  Elk dal moet worden opgevuld en elke berg en heuvel moet vlak worden gemaakt. De bochtige wegen moeten recht gemaakt worden en de ruwe wegen glad.  En alle mensen* zullen de redding van God* zien.”’+  Hij zei tegen de grote groepen mensen die kwamen om door hem gedoopt te worden: ‘Addergebroed!* Wie heeft gezegd dat jullie aan het komende oordeel kunnen ontsnappen?+  Breng eerst maar eens vruchten voort die bij berouw passen. Zeg niet bij jezelf: “Wij hebben Abraham als vader.” Want ik zeg jullie dat God uit deze stenen kinderen voor Abraham kan maken.  Ja, de bijl ligt al klaar bij de wortels van de bomen. Elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, zal omgehakt en in het vuur gegooid worden.’+ 10  De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten we dan doen?’ 11  Hij antwoordde: ‘Als je een extra stel kleren* hebt, deel dan met iemand die niets heeft, en als je iets te eten hebt, doe dan hetzelfde.’+ 12  Er kwamen ook belastinginners om zich te laten dopen.+ Ze vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ 13  Hij zei tegen ze: ‘Eis* niet meer dan het belastingtarief.’+ 14  En de soldaten vroegen hem: ‘Wat moeten wij doen?’ Hij antwoordde: ‘Je mag niemand afpersen* of vals beschuldigen,+ maar je moet tevreden zijn met wat je als soldaat krijgt.’* 15  Het volk was vol verwachting en iedereen vroeg zich daarom af* of Johannes misschien de Christus was.+ 16  Johannes beantwoordde hun vraag door te zeggen: ‘Ik doop jullie met water, maar hij die na mij komt, is sterker dan ik. Ik ben het niet eens waard om de riem van zijn sandalen los te maken.+ Hij zal jullie dopen met heilige geest en met vuur.+ 17  Hij heeft de wanschop in zijn hand, en hij zal zijn dorsvloer grondig reinigen en de tarwe in zijn voorraadschuur bijeenbrengen. Maar het kaf zal hij verbranden met vuur dat niet uitgedoofd kan worden.’ 18  Ook spoorde hij hen op veel andere manieren aan, en hij bleef goed nieuws aan het volk bekendmaken. 19  Maar de districtsregeerder Herodes, die door Johannes was terechtgewezen vanwege Hero̱dias, de vrouw van zijn broer, en vanwege alle slechte dingen die hij had gedaan, 20  voegde daaraan nog het volgende toe: hij liet Johannes gevangenzetten.+ 21  Toen de mensen zich lieten dopen, werd ook Jezus gedoopt.+ Terwijl hij bad, werd de hemel geopend+ 22  en de heilige geest daalde in de gedaante van een duif op hem neer. Ook klonk er een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon. Ik heb je goedgekeurd.’+ 23  Toen Jezus+ met zijn werk begon, was hij ongeveer 30 jaar.+ De mensen kenden hem als de zoon van Jozef,+ de zoon van Eli, 24  de zoon van Ma̱tthat, de zoon van Levi, de zoon van Me̱lchi, de zoon van Ja̱nnai, de zoon van Jozef, 25  de zoon van Mattathi̱as, de zoon van Amos, de zoon van Nahum, de zoon van E̱sli, de zoon van Na̱ggai, 26  de zoon van Ma̱äth, de zoon van Mattathi̱as, de zoon van Se̱meïn, de zoon van Jo̱sech, de zoon van Jo̱da, 27  de zoon van Jo̱anan, de zoon van Re̱sa, de zoon van Zerubba̱bel,+ de zoon van Sea̱lthiël,+ de zoon van Ne̱ri, 28  de zoon van Me̱lchi, de zoon van A̱ddi, de zoon van Ko̱sam, de zoon van Elma̱dan, de zoon van Er, 29  de zoon van Jezus, de zoon van Elië̱zer, de zoon van Jo̱rim, de zoon van Ma̱tthat, de zoon van Levi, 30  de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jo̱nam, de zoon van E̱ljakim, 31  de zoon van Mele̱a, de zoon van Me̱nna, de zoon van Matta̱tha, de zoon van Nathan,+ de zoon van David,+ 32  de zoon van I̱saï,+ de zoon van Obed,+ de zoon van Boaz,+ de zoon van Sa̱lmon,+ de zoon van Nahe̱sson,+ 33  de zoon van Ammina̱dab, de zoon van A̱rni, de zoon van He̱zron, de zoon van Pe̱rez,+ de zoon van Juda,+ 34  de zoon van Jakob,+ de zoon van Isaäk,+ de zoon van Abraham,+ de zoon van Te̱rah,+ de zoon van Na̱hor,+ 35  de zoon van Se̱rug,+ de zoon van Re̱hu,+ de zoon van Pe̱leg,+ de zoon van He̱ber,+ de zoon van Se̱lah,+ 36  de zoon van Ka̱i̱nan, de zoon van Arpa̱chsad,+ de zoon van Sem,+ de zoon van Noach,+ de zoon van La̱mech,+ 37  de zoon van Methu̱salah,+ de zoon van He̱noch, de zoon van Je̱red,+ de zoon van Mahala̱leël,+ de zoon van Ka̱i̱nan,+ 38  de zoon van E̱nos,+ de zoon van Seth,+ de zoon van Adam,+ de zoon van God.

Voetnoten

D.w.z. Herodes Antipas. Zie Woordenlijst.
Lett.: ‘tetrarch’.
Lett.: ‘vlees’.
Of ‘Gods middel tot redding’.
Of ‘kinderen van adders!’
Lett.: ‘twee kledingstukken’.
Of ‘vorder’.
Of ‘lastigvallen’.
Of ‘met je salaris’.
Lett.: ‘redeneerde in zijn hart’.