Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Leviticus 22:1-33

INHOUD

  • Reinheid priesters en eten van heilige dingen (1-16)

  • Alleen offers zonder gebreken aanvaardbaar (17-33)

22  Vervolgens zei Jehovah tegen Mozes:  ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen dat ze goed moeten opletten hoe ze omgaan met* de heilige dingen die de Israëlieten aan mij hebben opgedragen en aan mij offeren, en dat ze mijn heilige naam niet ontheiligen.+ Ik ben Jehovah.  Zeg tegen ze: “Als een van jullie nakomelingen terwijl hij onrein is in de buurt komt van de heilige dingen die de Israëlieten aan Jehovah hebben opgedragen, moet die persoon* uit mijn aanwezigheid verwijderd worden.*+ Dat geldt van generatie op generatie. Ik ben Jehovah.  Geen enkele nakomeling van Aäron die melaats+ is of een afscheiding+ heeft, mag van de heilige dingen eten totdat hij weer rein is.+ Dat geldt ook voor een man die iemand aanraakt die onrein is door een dode,*+ een man die een zaadlozing+ heeft,  een man die een van de onreine krioelende dieren aanraakt+ of een man die onrein wordt omdat hij een ander aanraakt die om de een of andere reden onrein is.+  Degene* die zoiets of zo iemand aanraakt, zal tot de avond onrein zijn en mag geen van de heilige dingen eten, maar hij moet zich met water wassen.+  Na zonsondergang zal hij weer rein zijn, en dan mag hij van de heilige dingen eten, want het is zijn voedsel.+  Ook mag hij geen dier eten dat dood wordt aangetroffen of dat door wilde dieren verscheurd is, anders wordt hij onrein.+ Ik ben Jehovah.  Ze moeten hun verplichtingen tegenover mij nakomen, zodat ze geen zonde op zich laden en sterven omdat ze heilige dingen ontheiligd hebben. Ik ben Jehovah, die hen heiligt. 10  Geen enkele onbevoegde* mag iets heiligs eten.+ Geen enkele vreemdeling die bij een priester te gast is en geen enkele loonarbeider mag iets heiligs eten. 11  Maar als een priester met zijn eigen geld iemand* als slaaf heeft gekocht, mag die persoon ervan mee-eten. Slaven die in zijn huis geboren zijn, mogen ook van zijn voedsel mee-eten.+ 12  Als de dochter van een priester trouwt met iemand die geen priester is,* mag ze niet van de heilige bijdragen eten. 13  Maar als de dochter van een priester weduwe of een gescheiden vrouw wordt en ze geen kinderen heeft en naar het huis van haar vader teruggaat, zoals in haar jeugd, mag ze wel van haar vaders voedsel eten.+ Maar geen enkele onbevoegde* mag ervan eten. 14  Als een man bij vergissing iets heiligs eet, moet hij een vijfde van de waarde daaraan toevoegen en het heilige offer aan de priester geven.+ 15  Ze mogen de heilige dingen van de Israëlieten die ze als bijdrage aan Jehovah geven, dus niet ontheiligen,+ 16  anders zullen ze gestraft worden omdat ze schuld op zich geladen hebben door hun heilige dingen te eten. Want ik ben Jehovah, die hen heiligt.”’ 17  Daarna zei Jehovah tegen Mozes: 18  ‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen en tegen alle Israëlieten: “Als een Israëliet of een vreemdeling die in Israël woont, een brandoffer aan Jehovah aanbiedt+ als een vrijwillig offer of om zijn geloften in te lossen,+ 19  dan moet hij om goedkeuring te ontvangen een stier, een jonge ram of een geitenbok zonder gebreken aanbieden.+ 20  Bied dus geen dier met een gebrek aan,+ want daarmee zullen jullie geen goedkeuring ontvangen. 21  Als iemand een vredeoffer+ aan Jehovah aanbiedt als vrijwillig offer of om een gelofte in te lossen, dan zal het alleen met goedkeuring ontvangen worden als het een rund, een schaap of een geit is zonder gebreken. Het dier mag geen enkel gebrek hebben. 22  Geen enkel offerdier mag blind zijn, een gebroken poot hebben of een snijwond, wratten, schurft of ringworm hebben; zo’n dier mag je niet aan Jehovah aanbieden of als offer voor Jehovah op het altaar leggen. 23  Een rund* of een schaap met een poot die te lang of te kort is, mag je wel als vrijwillig offer aanbieden, maar het zal niet met goedkeuring worden aanvaard als gelofteoffer. 24  Een dier waarvan de zaadballen beschadigd, verbrijzeld, uitgerukt of afgesneden zijn, mag je niet aan Jehovah aanbieden. In jullie land mag je zulke offers niet brengen. 25  En zulke dieren mag je niet uit de hand van een buitenlander als het brood van jullie God aanbieden, want ze zijn verminkt en hebben een gebrek. Ze zullen niet met goedkeuring worden aanvaard.”’ 26  Jehovah zei verder tegen Mozes: 27  ‘Als er een rund,* een schaap of een geit wordt geboren, moet die zeven dagen bij zijn moeder blijven,+ maar vanaf de achtste dag zal het dier met goedkeuring als offer worden aanvaard, als vuuroffer voor Jehovah. 28  Een rund* of een schaap mag je niet op dezelfde dag slachten als het jong ervan.+ 29  Als jullie een dankoffer aan Jehovah+ brengen, moeten jullie dat doen om goedkeuring voor jezelf te krijgen. 30  Het moet op dezelfde dag gegeten worden. Jullie mogen er niets van overlaten tot de volgende morgen.+ Ik ben Jehovah. 31  Houd je aan mijn geboden en leef ernaar.+ Ik ben Jehovah. 32  Jullie mogen mijn heilige naam niet ontheiligen,+ en ik moet in het midden van de Israëlieten geheiligd worden.+ Ik ben Jehovah, die jullie heiligt,+ 33  die jullie uit Egypte heeft geleid om jullie te laten zien dat ik God ben.+ Ik ben Jehovah.’

Voetnoten

Lett.: ‘ze zich moeten afzonderen van’.
Of ‘ziel’.
Of ‘ter dood worden gebracht’.
Of ‘ziel’.
Of ‘de ziel’.
Lett.: ‘vreemde’, een man die niet uit Aärons familie kwam.
Of ‘een ziel’.
Of ‘een vreemde’.
Lett.: ‘vreemde’, een man die niet uit Aärons familie kwam.
Lett.: ‘stier’.
Lett.: ‘stier’.
Lett.: ‘stier’.