Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Leviticus 19:1-37

INHOUD

  • Wetten heiligheid (1-37)

    • Niet alles afoogsten (910)

    • Medegevoel met doven en blinden (14)

    • Laster (16)

    • Geen wrok koesteren (18)

    • Magie en spiritisme verboden (26, 31)

    • Tatoeages verboden (28)

    • Respect voor ouderen (32)

    • Vreemdelingen goed behandelen (3334)

19  Jehovah zei verder tegen Mozes:  ‘Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Jullie moeten heilig zijn, want ik, Jehovah, jullie God, ben heilig.+  Ieder van jullie moet respect* hebben voor zijn moeder en zijn vader,+ en jullie moeten mijn sabbatten onderhouden.+ Ik ben Jehovah, jullie God.  Laat je niet in met waardeloze goden+ en maak geen goden van gegoten metaal.+ Ik ben Jehovah, jullie God.  Als jullie een vredeoffer aan Jehovah brengen,+ moeten jullie het op zo’n manier offeren dat jullie goedgekeurd worden.+  Het moet op de dag van je slachtoffer en de dag daarna gegeten worden, maar wat er op de derde dag nog over is, moet worden verbrand.+  Als er op de derde dag toch van wordt gegeten, is het iets walgelijks dat niet met goedkeuring zal worden aanvaard.  Degene die het eet, moet de gevolgen dragen van zijn overtreding, want hij heeft iets heiligs van Jehovah ontheiligd. Zo iemand* moet uit zijn volk worden verwijderd.*  Als je de oogst van het land haalt, oogst dan niet helemaal tot aan de rand van je akker en raap niet op wat er van je oogst blijft liggen.*+ 10  Verzamel ook de achtergebleven druiven van je wijngaard niet en raap de afgevallen druiven van je wijngaard niet op. Je moet ze achterlaten voor de armen*+ en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. Ik ben Jehovah, jullie God. 11  Jullie mogen niet stelen,+ en jullie mogen elkaar niet bedriegen+ en oplichten. 12  Jullie mogen niet in mijn naam een valse eed afleggen+ en zo de naam van je God ontheiligen. Ik ben Jehovah. 13  Je mag je medemens niet afzetten+ en je mag niemand beroven.+ Het loon van een loonarbeider mag je niet de hele nacht vasthouden tot de volgende ochtend.+ 14  Je mag een dove niet vervloeken* en je mag geen obstakel voor een blinde leggen.+ Je moet ontzag hebben voor je God.+ Ik ben Jehovah. 15  Je mag niet oneerlijk zijn wanneer je rechtspreekt. Behandel een arme niet partijdig en trek een rijke niet voor.+ Je moet rechtvaardig rechtspreken over je medemens. 16  Je mag niet onder het volk rondgaan om lasterpraat te verspreiden.+ Je mag je medemens niet naar het leven* staan.*+ Ik ben Jehovah. 17  Je mag je broeder niet haten in je hart.+ Je moet je medemens beslist terechtwijzen,+ anders word je medeschuldig aan zijn zonde. 18  Je mag geen wraak nemen+ en geen wrok koesteren tegen de zonen van je volk, en je moet je naaste liefhebben als jezelf.+ Ik ben Jehovah. 19  Houd je aan mijn voorschriften: Je mag niet twee soorten vee kruisen. Je mag niet twee soorten zaad op je akker zaaien.+ En je mag geen kleren dragen die zijn geweven van twee soorten draad.+ 20  Als een man bij een vrouw ligt en gemeenschap met haar heeft, en ze is een slavin die voor een andere man bestemd is maar die niet losgekocht of vrijgelaten is, dan moet er een straf worden opgelegd. Maar ze hoeven niet ter dood te worden gebracht, want zij was nog niet vrijgelaten. 21  Hij moet zijn schuldoffer naar Jehovah brengen, naar de ingang van de tent van samenkomst, een ram als schuldoffer.+ 22  Met de ram voor het schuldoffer moet de priester vóór Jehovah verzoening voor hem doen voor de zonde die hij heeft begaan. Dan zal hij vergeving krijgen voor de zonde die hij heeft begaan. 23  Wanneer jullie in het land komen en een vruchtboom planten, moet je de vrucht ervan als onrein en verboden* bezien. Drie jaar lang is die voor jullie verboden* en mag je die niet eten. 24  Maar in het vierde jaar zijn alle vruchten ervan heilig, een reden tot vreugde vóór Jehovah.+ 25  In het vijfde jaar mogen jullie de vruchten ervan eten en de opbrengst ervan aan je oogst toevoegen. Ik ben Jehovah, jullie God. 26  Jullie mogen niets eten wat bloed bevat.+ Jullie mogen geen voortekens zoeken of aan magie doen.+ 27  Het haar aan de zijkant van je hoofd* mag je niet afscheren* en je mag de randen van je baard niet verminken.+ 28  Maak geen insnijdingen in je lichaam* voor een dode*+ en breng geen tatoeages op je lichaam aan. Ik ben Jehovah. 29  Onteer je dochter niet door een prostituee van haar te maken,+ anders wordt het land vervuld met prostitutie en losbandigheid.+ 30  Onderhoud mijn sabbatten+ en toon respect* voor mijn heiligdom. Ik ben Jehovah. 31  Wend je niet tot mediums+ en raadpleeg geen waarzeggers,+ anders zou je door hen onrein worden. Ik ben Jehovah, jullie God. 32  Voor het grijze haar moet je opstaan+ en voor een oudere moet je respect tonen,+ en je moet ontzag hebben voor je God.+ Ik ben Jehovah. 33  Als een vreemdeling bij jullie in het land woont, mag je hem niet slecht behandelen.+ 34  De vreemdeling die bij jullie woont, moet voor jullie worden als een geboren Israëliet.+ Je moet hem liefhebben als jezelf, want jullie hebben zelf als vreemdelingen in Egypte gewoond.+ Ik ben Jehovah, jullie God. 35  Wees niet oneerlijk bij het gebruik van lengtematen, gewichten en inhoudsmaten.+ 36  Gebruik een nauwkeurige weegschaal, nauwkeurige gewichten, een nauwkeurige korenmaat en een nauwkeurige maatkan.*+ Ik ben Jehovah, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid. 37  Houd je aan al mijn voorschriften en aan al mijn rechterlijke beslissingen en leef ernaar.+ Ik ben Jehovah.”’

Voetnoten

Lett.: ‘ontzag’.
Of ‘die ziel’.
Of ‘ter dood worden gebracht’.
Of ‘de nalezing’. Zie Woordenlijst.
Of ‘ellendigen’.
Of ‘geen kwaad afsmeken over’.
Lett.: ‘bloed’.
Of mogelijk ‘je mag niet werkeloos toezien als het leven van je medemens gevaar loopt’.
Lett.: ‘als de voorhuid ervan’.
Lett.: ‘onbesneden’.
Of ‘je zijlokken’.
Of ‘afknippen’.
Lett.: ‘vlees’.
Of ‘ziel’. Het Hebreeuwse woord nefesj slaat hier op een overleden persoon.
Lett.: ‘ontzag’.
Lett.: ‘een nauwkeurige efa en een nauwkeurige hin’. Zie App. B14.