Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Volgens Johannes 4:1-54

INHOUD

  • Jezus en de Samaritaanse vrouw (1-38)

    • Aanbid God ‘met geest en waarheid’ (23, 24)

  • Veel Samaritanen geloven in Jezus (39-42)

  • Jezus geneest zoon hofbeambte (43-54)

4  De Heer kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat hij* meer discipelen maakte en doopte+ dan Johannes,  hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijn discipelen.  Daarom verliet hij Judea en ging weer naar Galilea.  Maar hij moest door Sama̱ria heen.  Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Si̱char, dicht bij het stuk land dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.+  Daar was ook de Jakobsput.+ Vermoeid van de reis ging Jezus bij de put* zitten. Het was rond het zesde uur.*  Een Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me wat te drinken.’  (Zijn discipelen waren namelijk de stad in gegaan om eten te kopen.)  Daarop zei de Samaritaanse vrouw tegen hem: ‘Hoe kunt u, als Jood, te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse vrouw?’ (Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om.)+ 10  Jezus antwoordde: ‘Als je wist wat de vrije gave van God+ is en wie het is die je om water vraagt, dan zou je het aan hem hebben gevraagd, en hij zou je levend water hebben gegeven.’+ 11  ‘Maar mijnheer,’ zei ze tegen hem, ‘u hebt niet eens een emmer om water te putten, en de put is diep. Waar haalt u dat levende water dan vandaan? 12  U bent toch niet meer dan onze voorvader Jakob? Hij heeft ons de put gegeven en er zelf uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.’ 13  Jezus antwoordde: ‘Iedereen die van dit water drinkt, zal weer dorst krijgen. 14  Maar wie van het water drinkt dat ik hem zal geven, zal nooit meer dorst krijgen.+ Het water dat ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opborrelt om eeuwig leven te geven.’+ 15  ‘Mijnheer, geef me dat water,’ zei de vrouw, ‘dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.’ 16  Hij zei tegen haar: ‘Ga je man roepen en kom dan terug.’ 17  ‘Ik heb geen man’, antwoordde de vrouw. Daarop zei Jezus: ‘Je hebt gelijk als je zegt dat je geen man hebt. 18  Want je hebt vijf mannen gehad, en je leeft nu samen met iemand die je man niet is. Wat je hebt gezegd is waar.’ 19  De vrouw zei tegen hem: ‘Mijnheer, ik merk dat u een profeet bent.+ 20  Onze voorouders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plek is waar hij aanbeden moet worden.’+ 21  ‘Geloof me,’ zei Jezus, ‘er komt een tijd dat jullie de Vader niet op deze berg en ook niet in Jeruzalem zullen aanbidden. 22  Jullie aanbidden wat jullie niet kennen.+ Wij aanbidden wat we kennen, want redding begint bij de Joden.+ 23  Maar er komt een tijd, en die is er al, dat de ware aanbidders de Vader met geest en waarheid zullen aanbidden, want de Vader zoekt mensen die hem zo willen aanbidden.+ 24  God is een Geest,+ en wie hem aanbidden, moeten hem met geest en waarheid aanbidden.’+ 25  De vrouw zei tegen hem: ‘Ik weet dat de Messi̱as komt, die Christus wordt genoemd. Als hij komt, zal hij alles aan ons bekendmaken.’ 26  Jezus zei tegen haar: ‘Dat ben ik, degene die met je praat.’+ 27  Op dat moment kwamen zijn discipelen terug, en ze waren verbaasd dat hij met een vrouw in gesprek was. Natuurlijk vroeg niemand: ‘Wat wil je van haar?’ of: ‘Waarom praat je met haar?’ 28  De vrouw liet haar waterkruik staan, ging de stad in en zei tegen de mensen: 29  ‘Kom kijken, er is iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou dit misschien de Christus zijn?’ 30  Ze gingen de stad uit, naar hem toe. 31  Ondertussen drongen de discipelen bij hem aan: ‘Rabbi,+ eet toch iets.’ 32  Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel te eten dat jullie niet kennen.’ 33  De discipelen zeiden tegen elkaar: ‘Zou iemand hem iets te eten hebben gebracht?’ 34  Jezus zei tegen hen: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij heeft gestuurd+ en zijn werk afmaken.+ 35  Jullie zeggen toch dat het nog vier maanden duurt voordat de oogst komt? Kijk! Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze zijn wit om geoogst te worden.+ Nu al 36  krijgt de oogster zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de oogster zich samen kunnen verheugen.+ 37  Want hier is het gezegde van toepassing: de een zaait en de ander oogst. 38  Ik heb jullie eropuit gestuurd om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt en jullie plukken de vruchten van hun werk.’ 39  Veel Samaritanen uit die stad gingen in hem geloven door het getuigenis van de vrouw, die zei: ‘Hij heeft me alles verteld wat ik heb gedaan.’+ 40  Toen de Samaritanen bij hem kwamen, vroegen ze hem dan ook om bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. 41  Toen gingen nog veel meer mensen geloven door wat hij zei. 42  Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Nu geloven we niet meer alleen om wat jij hebt gezegd. We hebben het namelijk zelf gehoord en we weten dat deze man echt de redder van de wereld is.’+ 43  Na die twee dagen reisde hij verder naar Galilea. 44  Jezus had zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen land niet wordt geëerd.+ 45  Toen hij in Galilea aankwam, ontvingen de Galileeërs hem echter vriendelijk. Ze hadden namelijk alle dingen gezien die hij in Jeruzalem op het feest had gedaan,+ want ze waren zelf ook naar het feest geweest.+ 46  Hij kwam weer in Kana in Galilea, waar hij het water in wijn had veranderd.+ In Kape̱rnaüm was een hofbeambte met een zoon die ziek was. 47  Toen de man hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar hem toe. Hij vroeg of hij mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. 48  Maar Jezus zei tegen hem: ‘Als jullie geen tekenen en wonderen zien, zullen jullie nooit geloven.’+ 49  Daarop zei de hofbeambte: ‘Heer, kom toch mee voordat mijn kind sterft.’ 50  ‘Ga maar naar huis,’ zei Jezus, ‘je zoon leeft.’+ De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en vertrok. 51  Terwijl hij onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om te zeggen dat de jongen leefde.* 52  Toen hij hun vroeg op welk moment* hij beter was geworden, antwoordden ze: ‘Gisteren op het zevende uur* verdween de koorts.’ 53  De vader besefte dat dat precies het moment* was waarop Jezus tegen hem had gezegd: ‘Je zoon leeft.’+ Hij en al zijn huisgenoten werden gelovigen. 54  Dat was de tweede keer dat Jezus een wonder* deed+ na vanuit Judea naar Galilea gekomen te zijn.

Voetnoten

Lett.: ‘Jezus’.
Of ‘bron’.
D.w.z. rond 12.00 uur.
Of ‘aan het herstellen was’.
Lett.: ‘uur’.
D.w.z. rond 13.00 uur.
Lett.: ‘uur’.
Lett.: ‘teken’.