Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 6:1-30

INHOUD

  • Jobs antwoord (1-30)

    • Zegt dat hij terecht jammert (2-6)

    • Zijn troosters zijn verraderlijk (15-18)

    • ‘Eerlijke woorden doen geen pijn!’ (25)

6  Toen antwoordde Job:   ‘Kon al mijn leed+ maar gewogen worden en bij mijn ellende op de weegschaal worden gelegd!   Het is nu zwaarder dan het zand van de zee. Daarom zijn mijn woorden in het wilde weg* gesproken.+   Want de pijlen van de Almachtige hebben mij doorboord en mijn geest drinkt hun gif.+ De verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.   Balkt een wilde ezel+ als hij gras heeft of loeit een stier boven zijn voer?   Wordt smakeloos voedsel gegeten zonder zout of zit er smaak aan het sap van heemst?   Ik* weiger zulke dingen aan te raken. Het is als bedorven voedsel.   Gebeurde er maar waar ik om vraag en willigde God mijn wens maar in!   Wilde God mij maar verpletteren, zijn hand uitsteken en me uit de weg ruimen!+ 10  Want zelfs dat zou me nog troost geven. Ondanks de aanhoudende pijn zou ik dansen van vreugde, want ik heb de woorden van de Heilige+ niet verloochend. 11  Heb ik de kracht om te wachten?+ Wat is mijn vooruitzicht? Wat heb ik om voor te leven?* 12  Ben ik soms zo sterk als steen? Of is mijn lichaam* van koper? 13  Hoe kan ik mezelf helpen als ik beroofd ben van elke vorm van ondersteuning? 14  Wie zijn medemens geen loyale liefde geeft,+ laat het ontzag voor de Almachtige varen.+ 15  Mijn eigen vrienden* zijn zo verraderlijk+ als een stroom in de winter, als het water van winterse stromen die droogvallen. 16  Ze zijn donker van het ijs, de sneeuw die smelt, verbergt zich erin. 17  In de zomerhitte worden ze waterloos en verdwijnen. Als het heet wordt, vallen ze droog. 18  Hun loop wordt afgebogen. Ze stromen naar de woestijn en verdampen. 19  De karavanen van Te̱ma+ zoeken ernaar. De reizigers uit Scheba*+ wachten erop. 20  Ze komen bedrogen uit, hun vertrouwen is misplaatst. Bij aankomst vinden ze alleen teleurstelling. 21  Zo zijn jullie voor mij geworden.+ Jullie hebben mijn diepe ellende gezien en jullie zijn bang.+ 22  Heb ik soms gezegd: “Geef mij iets”? Heb ik jullie gevraagd om een gift uit jullie rijkdom? 23  Heb ik gevraagd om bevrijd te worden uit de handen van een vijand of gered* te worden van onderdrukkers? 24  Onderwijs mij en ik zal zwijgen.+ Help me mijn fout in te zien. 25  Eerlijke woorden doen geen pijn!+ Maar wat voor nut heeft jullie terechtwijzing?+ 26  Zijn jullie eropuit mijn woorden te bekritiseren, de woorden van een wanhopige,+ weggeblazen door de wind? 27  Jullie zouden nog dobbelen om een wees+ en je eigen vriend verkopen!*+ 28  Wend je niet af en kijk me aan, want ik zou niet recht in je gezicht tegen je liegen. 29  Denk nog eens na — veroordeel me niet — ja, denk nog eens na, want mijn rechtvaardigheid is nog ongeschonden. 30  Zeg ik iets verkeerds met mijn tong? Proeft mijn gehemelte niet dat er iets mis is?

Voetnoten

Of ‘overhaast’, ‘ondoordacht’.
Of ‘mijn ziel’.
Of ‘om mijn leven (ziel) te verlengen’.
Lett.: ‘vlees’.
Lett.: ‘broeders’.
Of ‘het reisgezelschap van Sabeeërs’.
Lett.: ‘losgekocht’.
Of ‘sjacheren over’.