Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 34:1-37

INHOUD

  • Elihu verdedigt Gods rechtvaardige wegen (1-37)

    • Volgens Job heeft God hem recht onthouden (5)

    • Ware God doet nooit slechte dingen (10)

    • Job mist kennis (35)

34  Eli̱hu zei verder:   ‘Luister naar mijn woorden, wijze mannen. Hoor mij aan, jullie die zo veel weten.   Want het oor test woorden zoals de tong* voedsel proeft.   Laten we voor onszelf beoordelen wat juist is, laten we met elkaar beslissen wat goed is.   Want Job heeft gezegd: “Ik sta in mijn recht,+ maar God heeft me het recht onthouden.+   Zou ik liegen over welk oordeel ik zelf zou moeten krijgen? Mijn wond is ongeneeslijk, ook al is er geen overtreding.”+   Welke andere man is als Job, die spot opdrinkt als water?   Hij is in het gezelschap van boosdoeners en gaat om met slechte mannen.+   Want hij heeft gezegd: “Een mens heeft er niets aan als hij probeert Gods wil te doen.”+ 10  Luister dus naar mij, mannen met verstand:* Het is ondenkbaar dat de ware God slechte dingen doet,+ dat de Almachtige onrecht doet!+ 11  Want hij zal een mens vergelden naar wat hij doet,+ en hem de gevolgen van zijn daden laten dragen. 12  Echt, God doet geen slechte dingen.+ De Almachtige verdraait het recht niet.+ 13  Wie heeft hem de leiding over de aarde gegeven en wie heeft hem over de hele wereld* aangesteld? 14  Als hij zijn aandacht* op hen richt, als hij hun geest en adem terugneemt,+ 15  zouden alle mensen* samen vergaan en zou de mensheid tot stof terugkeren.+ 16  Als je dus verstand hebt, luister hier dan goed naar. Let op wat ik zeg. 17  Moet iemand die gerechtigheid haat de macht hebben? Zou je een machtige die rechtvaardig is veroordelen? 18  Zou je tegen een koning zeggen: “U bent nergens goed voor”? Of tegen vooraanstaande personen: “Jullie zijn slecht”?+ 19  Eén is er die geen partij kiest voor vorsten en die de rijke niet voortrekt boven de arme,*+ want ze zijn allemaal het werk van zijn handen.+ 20  Plotseling sterven ze,+ midden in de nacht.+ Ze beven hevig en komen om. Zelfs de machtigen worden verwijderd, maar niet door mensenhanden.+ 21  Want Gods ogen volgen de wegen van een mens+ en Hij ziet elke stap die hij zet. 22  Er is geen duisternis of diepe schaduw waarin boosdoeners zich kunnen verbergen.+ 23  Want God heeft voor geen enkel mens een tijd vastgesteld om voor hem te verschijnen en berecht te worden. 24  Hij breekt de machtigen zonder onderzoek te hoeven doen en benoemt anderen in hun plaats.+ 25  Want hij weet wat ze doen.+ In de nacht brengt hij ze ten val, en ze worden verpletterd.+ 26  Hij slaat ze om hun slechtheid op een plek waar iedereen het kan zien,+ 27  omdat ze hem niet meer volgen+ en geen respect hebben voor zijn wegen.+ 28  Door hen schreeuwen de armen tot hem om hulp en hoort hij het geroep van de hulpelozen.+ 29  Als God stil blijft, wie kan hem dan veroordelen? Als hij zijn gezicht verbergt, wie kan hem dan zien? Of het nu om een volk of een mens gaat, het resultaat is hetzelfde: 30  hij staat een goddeloze* niet toe te regeren+ of strikken te leggen voor het volk. 31  Stel dat je tegen God zegt: “Ik ben gestraft zonder dat ik een overtreding heb begaan.+ 32  Leer me wat ik niet heb ingezien. Als ik iets verkeerds heb gedaan, zal ik het niet meer doen.” 33  Moet hij je op jouw voorwaarden compenseren terwijl jij zijn oordeel verwerpt? Het is jouw beslissing, niet de mijne. Vertel me dan maar wat je zo goed weet. 34  Mensen met verstand* zullen tegen me zeggen, net als elke wijze man die me hoort: 35  “Job spreekt zonder kennis+ en zijn woorden missen inzicht.” 36  Laat Job tot het uiterste worden getest,* want zijn antwoorden zijn als die van slechte mensen! 37  Hij voegt opstandigheid aan zijn zonde toe.+ Hij klapt in ons bijzijn spottend in zijn handen en spreekt veel woorden tegen de ware God!’+

Voetnoten

Lett.: ‘het gehemelte’.
Lett.: ‘hart’.
Of ‘de bewoonde aarde’.
Lett.: ‘hart’.
Lett.: ‘vlees’.
Of ‘de edele (...) boven de geringe’.
Of ‘afvallige’.
Lett.: ‘hart’.
Of mogelijk ‘mijn vader, laat Job (...) worden getest’.