Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 32:1-22

INHOUD

  • Jonge Elihu spreekt (1-22)

    • Kwaad op Job en zijn vrienden (2, 3)

    • Wachtte respectvol voordat hij sprak (6, 7)

    • Leeftijd alleen maakt niet wijs (9)

    • Elihu wil graag spreken (18-20)

32  De drie mannen gaven het op Job te antwoorden, omdat hij overtuigd was van zijn eigen rechtvaardigheid.*+  Maar Eli̱hu, de zoon van de Buziet+ Bara̱cheël uit de familie van Ram, was kwaad. Hij was boos op Job omdat die probeerde zijn eigen gelijk* aan te tonen en niet dat van God.+  Hij was ook heel kwaad op Jobs drie vrienden, omdat ze geen antwoord konden vinden maar God schuldig hadden verklaard.+  Eli̱hu had gewacht met zijn reactie op Job, omdat ze ouder waren dan hij.+  Toen Eli̱hu zag dat de drie mannen niets meer wisten te antwoorden, laaide zijn woede op.  Eli̱hu, de zoon van de Buziet Bara̱cheël, nam het woord en zei: ‘Ik ben jong* en jullie zijn oud.+ Dus hield ik me respectvol op de achtergrond+ en durfde ik jullie niet te vertellen wat ik weet.   Ik dacht: laat de ouderdom* maar spreken en laat de jaren* wijsheid verkondigen.   Maar het is de geest in mensen, de adem van de Almachtige, die hun verstand geeft.+   Leeftijd* alleen maakt nog niet wijs en niet alleen oude mannen begrijpen wat juist is.+ 10  Daarom zeg ik: “Luister naar mij en ik zal jullie vertellen wat ik weet.” 11  Kijk, ik heb gewacht toen jullie aan het woord waren. Ik bleef luisteren naar jullie redenatie+ terwijl jullie naar woorden zochten.+ 12  Ik heb aandachtig naar jullie geluisterd, maar geen van jullie kon Jobs ongelijk aantonen* of zijn argumenten weerleggen. 13  Zeg dus niet: “Wij hebben wijsheid gevonden. God toont zijn ongelijk aan, niet een mens.” 14  Hij heeft zijn woorden niet tegen mij gericht, dus ik zal hem niet antwoorden met jullie argumenten. 15  Ze zijn wanhopig, ze hebben geen antwoorden meer. Ze hebben niets meer te zeggen. 16  Ik heb gewacht, maar ze zeggen niets meer. Ze staan daar maar, zonder weerwoord. 17  Dus ook ik zal met een antwoord komen. Ook ik zal zeggen wat ik weet, 18  want ik zit vol woorden. De geest in mij zet me ertoe aan. 19  Mijn binnenste is als wijn die geen uitweg heeft, als nieuwe wijnzakken die op barsten staan.+ 20  Laat me spreken, dat zal me opluchten! Ik zal mijn lippen openen en antwoord geven. 21  Ik kies voor niemand partij+ en ik zal geen mens naar de mond praten.* 22  Vleien kan ik niet. Anders zou mijn Maker me snel wegvagen.

Voetnoten

Of ‘omdat hij in zijn eigen ogen rechtvaardig was’.
Of ‘het gelijk van zijn ziel’.
Lett.: ‘klein in dagen’.
Lett.: ‘dagen’.
Lett.: ‘een veelheid aan jaren’.
Of ‘veel dagen’.
Of ‘Job terechtwijzen’.
Of ‘een eretitel geven’.