Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 27:1-23

INHOUD

  • Job vastbesloten trouw te blijven (1-23)

    • ‘Ik zal trouw blijven’ (5)

    • Geen hoop voor man zonder God (8)

    • ‘Waarom hebben jullie woorden totaal geen inhoud?’ (12)

    • Slecht mens raakt alles kwijt (13-23)

27  Job vervolgde zijn toespraak* en zei:   ‘Zo zeker als God leeft, die me mijn recht heeft onthouden,+ zo zeker als de Almachtige leeft, die me* heeft verbitterd,+   zolang mijn adem nog in mij is en de geest van God in mijn neusgaten,+   zal er geen onrechtvaardigheid over mijn lippen komen en zal mijn tong geen bedrog uiten!   Het is ondenkbaar dat ik jullie rechtvaardig zou verklaren! Tot aan mijn dood zal ik trouw blijven!*+   Ik blijf bij mijn rechtvaardigheid en laat die nooit los.+ Zolang ik leef* zal mijn hart me niet veroordelen.*   Laat mijn vijand als de goddeloze worden, mijn aanvaller als de onrechtvaardige.   Want welke hoop heeft de man zonder God* als hij vernietigd wordt,+ als God zijn leven* wegneemt?   Hoort God zijn geroep als hem ellende overkomt?+ 10  Of zal hij vreugde vinden bij de Almachtige? Roept hij steeds tot God? 11  Ik zal jullie leren over de macht* van God. Ik zal niets over de Almachtige verbergen. 12  Luister, als jullie allemaal al visioenen hebben gezien, waarom hebben jullie woorden dan totaal geen inhoud? 13  Dit is wat de slechte mens van God krijgt,+ de erfenis die tirannen van de Almachtige ontvangen: 14  Al heeft hij veel zonen, ze zullen vallen door het zwaard+ en zijn nakomelingen zullen honger lijden. 15  Degenen die hem overleven zullen door de pest begraven worden en geen weduwe die daar een traan om laat. 16  Al hoopt hij zilver op als stof en stapelt hij mooie kleding op als klei, 17  al verzamelt hij het allemaal, de rechtvaardige zal het dragen+ en de onschuldigen zullen zijn zilver verdelen. 18  Het huis dat hij bouwt is zo broos als de cocon van een mot, als een hutje+ gemaakt door een wachter. 19  Hij gaat rijk naar bed maar oogst niets. Als hij zijn ogen opendoet, is alles weg. 20  Angst overspoelt hem als een vloed. Een storm rukt hem weg in de nacht.+ 21  Een oostenwind neemt hem mee en hij is spoorloos, weggesleurd van zijn plaats.+ 22  Genadeloos stort hij zich op hem+ terwijl hij wanhopig aan zijn kracht probeert te ontkomen.+ 23  Spottend klapt hij in de handen en fluit+ hij hem na vanuit zijn plaats.*

Voetnoten

Lett.: ‘spreuk’.
Of ‘mijn ziel’.
Of ‘mijn rechtschapenheid niet verloochenen’.
Of ‘om een van mijn dagen’.
Of ‘honen’.
Of ‘de afvallige’.
Of ‘ziel’.
Of mogelijk ‘door de hand’.
Of mogelijk ‘ze klappen over hem in hun handen en fluiten hem na vanuit hun plaats’.