Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 19:1-29

INHOUD

  • Jobs antwoord (1-29)

    • Verwerpt bestraffingen van ‘vrienden’ (1-6)

    • Voelt zich in steek gelaten (13-19)

    • ‘Mijn verlosser leeft’ (25)

19  Job antwoordde:   ‘Hoelang blijven jullie mij* nog irriteren,+ mij verbrijzelen met woorden?+   Al tien keer hebben jullie me bestraft.* Jullie schamen je niet om mij zo hard aan te pakken.+   En als ik echt een fout heb gemaakt, dan is dat mijn zaak.   Als jullie je per se boven mij willen stellen en willen beweren dat mijn vernedering terecht is,   weet dan dat God mij heeft misleid, dat hij me in zijn net heeft gevangen.   Ik schreeuw “Geweld!” — maar ik krijg geen antwoord.+ Ik blijf om hulp roepen, maar er is geen recht.+   Mijn pad verspert hij met een stenen muur, ik kan niet verder. Mijn wegen hult hij in duisternis.+   Hij heeft me beroofd van mijn eer en de kroon van mijn hoofd genomen. 10  Hij breekt mij aan alle kanten af tot ik instort. Mijn hoop rukt hij uit met wortel en tak.* 11  Zijn woede is tegen me opgelaaid en hij beziet me als zijn vijand.+ 12  Zijn troepen verzamelen zich en belegeren mij. Ze slaan hun kamp op rond mijn tent. 13  Mijn eigen broeders heeft hij ver van me weggedreven en zij die me kennen hebben zich van me afgewend.+ 14  Mijn kameraden* zijn weg en degenen die ik goed kende, zijn me vergeten.+ 15  De gasten in mijn huis+ en mijn slavinnen bezien me als een vreemde. Ik ben een buitenlander in hun ogen. 16  Ik roep mijn knecht, maar hij geeft geen antwoord. Met mijn mond smeek ik hem om medelijden. 17  Mijn vrouw walgt van mijn adem+ en mijn eigen broers* vinden dat ik stink. 18  Zelfs jonge kinderen kijken op me neer. Als ik opsta, jouwen ze me uit. 19  Al mijn goede vrienden hebben een afkeer van mij+ en mijn geliefden hebben zich tegen mij gekeerd.+ 20  Mijn huid en vlees kleven aan mijn botten+ en ternauwernood ontkom ik.* 21  Genade, mijn vrienden, genade! Want Gods eigen hand heeft me getroffen.+ 22  Waarom vervolgen jullie mij zoals God dat doet+ en vallen jullie me constant aan?*+ 23  Werden mijn woorden maar opgeschreven! Werden ze maar opgetekend in een boek! 24  Werden ze maar voor eeuwig in de rots gegrift met een ijzeren stift en lood! 25  Want ik weet heel goed dat mijn verlosser* leeft.+ Hij zal later komen en opstaan over de aarde.* 26  Al is mijn huid dan vernietigd, ik zal God zien terwijl ik nog in leven* ben. 27  Ik zal hem zelf zien. Ik zal hem zien met mijn eigen ogen, niet met die van een ander.+ Diep vanbinnen voel ik me overweldigd!* 28  Jullie zeggen: “Hoe vervolgen we hem dan?”+ Alsof de wortel van het probleem bij mij ligt. 29  Jullie moeten zelf vrezen voor het zwaard,+ want het zwaard bestraft overtredingen. Weet dat er een rechter is.’+

Voetnoten

Of ‘mijn ziel’. Zie Woordenlijst.
Of ‘beledigd’.
Of ‘als een boom’.
Of ‘mijn familieleden’.
Lett.: ‘de zonen van mijn schoot’, d.w.z. de schoot die mij gedragen heeft (de schoot van mijn moeder).
Lett.: ‘met de huid van mijn tanden’.
Lett.: ‘niet verzadigd van mijn vlees’.
Of ‘terugkoper’.
Lett.: ‘over (op) het stof’.
Of ‘in mijn vlees’.
Of ‘mijn nieren bezwijken in mij’.