Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Job 13:1-28

INHOUD

  • Job vervolgt rede (1-28)

    • ‘Ik wil liever God spreken’ (3)

    • ‘Jullie zijn kwakzalvers’ (4)

    • ‘Ik weet dat ik in mijn recht sta’ (18)

    • Vraagt waarom God hem als vijand beziet (24)

13  Echt, mijn oog heeft dit allemaal gezien, mijn oor heeft het gehoord en begrepen.   Wat jullie weten, weet ik ook. Ik doe voor jullie niet onder.   Maar ik, ik wil liever de Almachtige zelf spreken. Ik wil bij God mijn zaak bepleiten.+   Want jullie besmeuren me met leugens. Jullie zijn kwakzalvers, allemaal!+   Bleven jullie maar zwijgen, dat zou pas wijsheid zijn van jullie.+   Luister alsjeblieft naar mijn argumenten en let op de pleidooien van mijn lippen.   Spreken jullie onrecht namens God en spreken jullie misleidend voor hem?   Kiezen jullie zijn kant?* Willen jullie de zaak van de ware God bepleiten?   Loopt het goed af als hij jullie onderzoekt?+ Kunnen jullie hem bedriegen zoals je een sterveling bedriegt? 10  Hij zal jullie zeker terechtwijzen als jullie in het geheim partij willen kiezen.+ 11  Zal zijn waardigheid jullie niet intimideren en de angst voor hem jullie niet overvallen? 12  Jullie wijze* uitspraken zijn spreuken van as. Jullie verdediging* is zo breekbaar als klei. 13  Wees stil en laat mij iets zeggen. Laat dan maar komen wat komt! 14  Waarom breng ik mezelf in gevaar* en zet ik mijn leven op het spel?* 15  Misschien doodt hij mij, maar toch wacht ik.+ Ik zal mijn zaak tegenover hem bepleiten.* 16  Hij zou dan mijn redding worden,+ want geen goddeloze* mag voor hem verschijnen.+ 17  Luister goed naar mijn woorden. Let op mijn verklaring. 18  Ik heb mijn rechtszaak voorbereid. Ik weet dat ik in mijn recht sta. 19  Wie zal mij bestrijden? Ik zou sterven als ik zou zwijgen!* 20  Ik vraag u om twee dingen, o God,* zodat ik mij niet voor u hoef te verbergen: 21  haal uw hand weg, die drukt zwaar op mij, en laat angst voor u mij niet verlammen.+ 22  Roep en ik zal antwoorden of laat mij spreken en dan antwoordt u. 23  Wat zijn mijn fouten en zonden? Onthul me mijn overtreding en mijn zonde. 24  Waarom verbergt u uw gezicht+ en beziet u me als uw vijand?+ 25  Wilt u een opwaaiend blad bang maken of een droge stoppel opjagen? 26  Alle bittere beschuldigingen tegen mij legt u vast en u laat me boeten voor de zonden van mijn jeugd. 27  U sluit mijn voeten in het blok, gaat al mijn paden na en traceert al mijn voetafdrukken. 28  De mens* vergaat als iets wat wegrot, als een mantel die door motten wordt opgegeten.

Voetnoten

Of ‘zijn jullie partijdig tegenover hem’.
Of ‘gedenkwaardige’.
Lett.: ‘schildknoppen’.
Lett.: ‘waarom draag ik mijn vlees in mijn tanden’
Of ‘leg ik mijn ziel in mijn handpalm’.
Of ‘mijn wegen verdedigen’.
Of ‘afvallige’.
Of mogelijk ‘als iemand dat kan, zal ik zwijgen en sterven’.
Lett.: ‘Doe mij slechts twee dingen niet.’
Lett.: ‘hij’, mogelijk Job.