Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Jesaja 40:1-31

INHOUD

  • Troost voor Gods volk (1-11)

    • Stem in de woestijn (3-5)

  • Gods grootheid (12-31)

    • Volken als druppel uit emmer (15)

    • God woont boven ‘de ronde aarde’ (22)

    • Alle sterren bij naam geroepen (26)

    • God wordt nooit moe (28)

    • Op Jehovah hopen geeft nieuwe energie (29-31)

40  ‘Troost, troost mijn volk’, zegt je God.+   ‘Spreek tot het hart van* Jeruzalem en vertel haar dat haar dwangarbeid is vervuld, dat haar schuld is afbetaald.+ Uit de hand van Jehovah heeft ze volledig betaald* gekregen voor al haar zonden.’+   In de woestijn roept een stem: ‘Maak de weg van Jehovah vrij!+ Maak voor onze God een rechte hoofdweg+ door de wildernis.+   Laat elk dal worden opgehoogd en elke berg en heuvel worden verlaagd. Het ruige landschap moet vlak worden en het ruwe landschap zal in een vlakte veranderen.+   De majesteit van Jehovah zal onthuld worden+ en alle mensen* zullen het zien,+ want Jehovah’s mond heeft gesproken.’   Luister! Iemand zegt: ‘Roep!’ Een ander vraagt: ‘Wat moet ik roepen?’ ‘Alle mensen* zijn als groen gras. Al hun loyale liefde is als een bloem in het veld.+   Het groene gras verdort, de bloem verwelkt,+ omdat de adem* van Jehovah erover blaast.+ Ja, het volk is niets anders dan groen gras.   Het groene gras verdort, de bloem verwelkt, maar het woord van onze God blijft voor eeuwig.’+   Beklim een hoge berg, vrouw die goed nieuws brengt voor Sion.+ Laat je stem luid horen, vrouw die goed nieuws brengt voor Jeruzalem. Wees niet bang, verhef je stem. Zeg tegen de steden van Juda: ‘Hier is jullie God.’+ 10  Kijk! De Soevereine Heer Jehovah zal komen met kracht, zijn arm zal voor hem heersen.+ Kijk! Hij heeft zijn beloning bij zich, het loon dat hij betaalt, gaat voor hem uit.+ 11  Als een herder zal hij voor zijn kudde zorgen.+ Met zijn arm zal hij de lammeren verzamelen, aan zijn boezem zal hij ze dragen. Zorgzaam zal hij de schapen met jongen leiden.+ 12  Wie heeft de wateren gemeten in de holte van zijn hand+ en de hemel opgemeten met een span* van zijn hand? Wie heeft het stof van de aarde+ in een maatbeker verzameld, de bergen gewogen op een balans of de heuvels op een weegschaal? 13  Wie heeft de geest van Jehovah opgemeten,* wie kan hem iets leren of advies geven?+ 14  Wie heeft hij geraadpleegd om inzicht te krijgen, wie leert hem over het pad van het recht? Wie brengt hem kennis bij of wijst hem de weg van waar begrip?+ 15  Kijk! De volken zijn als een druppel uit een emmer, ze worden bezien als een laagje stof op een weegschaal.+ Kijk! Hij tilt eilanden op als een stofje. 16  Zelfs de Libanon is niet genoeg om een vuur brandend te houden* en heeft niet genoeg wilde dieren voor een brandoffer. 17  Alle volken zijn voor hem als iets wat niet bestaat.+ Hij beschouwt ze als niets, ze stellen niets voor.+ 18  Met wie kun je God vergelijken?+ Wat kun je naast hem zetten dat op hem lijkt?+ 19  De vakman giet een beeld, de smid overtrekt het met goud+ en smeedt zilveren kettingen. 20  Iemand kiest een boom uit als zijn bijdrage,+ een boom die niet zal rotten. Hij zoekt een bedreven vakman om een beeld te maken dat niet omvalt.+ 21  Weten jullie het dan niet? Hebben jullie het niet gehoord? Is het jullie niet vanaf het begin verteld? Hebben jullie het niet begrepen sinds de fundering van de aarde?+ 22  Er is Iemand die boven de ronde aarde* woont+ en de bewoners ervan zijn als sprinkhanen. Hij spant de hemel uit als fijn gaas, hij spreidt die uit als een tent om in te wonen.+ 23  Hij brengt hoge bestuurders terug tot niets en maakt de rechters* van de aarde nietig. 24  Nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks zijn ze gezaaid, nauwelijks is hun stam in de aarde geworteld, of er wordt op hen geblazen en ze verdorren, de wind voert hen mee als kaf.+ 25  ‘Met wie kun je me vergelijken? Aan wie kun je me gelijkstellen?’, zegt de Heilige. 26  ‘Sla je ogen op naar de hemel en kijk. Wie heeft die dingen geschapen?+ Het is degene die ze als een leger leidt naar hun aantal. Hij roept ze allemaal bij naam.+ Dankzij zijn enorme dynamische energie en ontzagwekkende kracht+ ontbreekt er niet één. 27  Waarom zeg je, Jakob, en waarom beweer je, Israël: “Mijn weg blijft verborgen voor Jehovah, God doet me geen recht”?+ 28  Weet je het dan niet? Heb je het niet gehoord? Jehovah, de Schepper van de uithoeken van de aarde, is God voor altijd en eeuwig.+ Hij wordt nooit moe, raakt nooit uitgeput.+ Zijn wijsheid* is niet te doorgronden.+ 29  Wie moe is geeft hij kracht, wie zwak* is geeft hij volop energie.+ 30  Jongens zullen moe worden, uitgeput raken, en jonge mannen zullen struikelen en vallen, 31  maar wie op Jehovah hopen, krijgen nieuwe kracht. Ze zullen opstijgen* met vleugels als arenden.+ Ze zullen rennen en niet uitgeput raken, ze zullen lopen en niet moe worden.’+

Voetnoten

Of ‘spreek vertroostend tot’.
Of ‘het dubbele’.
Lett.: ‘vlees’.
Lett.: ‘vlees’.
Of ‘geest’.
De grootste afstand tussen de top van de duim en de pink. Zie App. B14.
Of mogelijk ‘kan (...) bevatten’.
Of ‘kan niet genoeg brandhout leveren’.
Of ‘aardbol’.
Of ‘leiders’.
Of ‘verstand’.
Of ‘zonder dynamische energie’.
Of ‘zweven’.