Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Jesaja 13:1-22

INHOUD

  • Uitspraak tegen Babylon (1-22)

    • De dag van Jehovah is dichtbij! (6)

    • Meden verwoesten Babylon (17)

    • Babylon nooit meer bewoond (20)

13  Uitspraak tegen Babylon,+ die Jesaja,+ de zoon van Amoz, in een visioen heeft gezien:   ‘Hef op een kale berg een signaal* omhoog.+ Roep ze, wenk met je hand, zodat ze de poorten van de edelen binnentrekken.   Ik heb het bevel gegeven aan degenen die ik heb aangesteld.*+ Ik heb mijn soldaten opgedragen mijn woede te voltrekken, vol trots juichen ze.   Luister! Een menigte in de bergen. Het klinkt als een groot volk! Luister! Het lawaai van koninkrijken, van volken die zich hebben verzameld!+ Jehovah van de legermachten mobiliseert het leger voor de oorlog.+   Ze komen uit een ver land,+ van het uiteinde van de hemel, Jehovah en de wapens van zijn woede, om de hele aarde te verwoesten.+   Huil, want de dag van Jehovah is dichtbij! Die dag komt als een vernietiging door de Almachtige.+   Daarom zullen alle handen slap hangen en ieders hart zal verlamd raken van angst.+   De mensen zijn in paniek.+ Ze worden overvallen door kramp en pijn zoals een vrouw die weeën heeft. Geschokt kijken ze elkaar aan, de angst laat hun gezichten gloeien.   Luister! De dag van Jehovah komt, meedogenloos, met razernij en brandende woede, om het land tot een schrikbeeld te maken+ en om de zondaars van het land uit te roeien. 10  Want de sterren aan de hemel en de sterrenbeelden*+ zullen geen licht geven. De zon zal donker zijn als hij opkomt en de maan zal zijn licht niet laten schijnen. 11  Ik zal de bewoonde aarde ter verantwoording roepen voor haar slechtheid+ en slechte mensen voor hun fouten. Ik zal een eind maken aan de trots van hoogmoedige mensen, arrogante tirannen+ zal ik vernederen. 12  Ik zal stervelingen zeldzamer maken dan zuiver* goud+ en mensen zeldzamer dan het goud van O̱fir.+ 13  Daarom laat ik de hemel beven, de aarde wordt van haar plaats geschud+ door de razernij van Jehovah van de legermachten op de dag van zijn brandende woede. 14  Als opgejaagde gazellen en als schapen die door niemand bijeengebracht worden, zal iedereen teruggaan naar zijn eigen volk. Iedereen zal vluchten naar zijn eigen land.+ 15  Wie aangetroffen wordt, zal doorstoken worden, en wie gevangen wordt, zal omkomen door het zwaard.+ 16  Hun kinderen zullen voor hun ogen te pletter worden geslagen,+ hun huizen geplunderd en hun vrouwen verkracht. 17  Ik zet de Meden tegen hen op,+ die geen waarde hechten aan zilver en die niet geven om goud. 18  Hun bogen zullen jonge mannen verbrijzelen.+ Met baby’s* zullen ze geen medelijden hebben en kinderen zullen ze niet sparen. 19  En Babylon, het sieraad van de koninkrijken,+ de pracht en trots van de Chaldeeën,+ zal worden als Sodom en Gomorra toen God ze verwoestte.+ 20  Ze zal nooit meer bewoond worden, in alle generaties zal ze geen woonplaats meer zijn.+ Geen Arabier zal daar zijn tent opslaan, geen herder laat er zijn kudde rusten. 21  Woestijndieren leggen zich daar neer en de huizen zijn vol oehoes. Struisvogels wonen er+ en wilde geiten* huppelen daar rond. 22  In haar torens klinkt het gehuil van dieren en in haar prachtige paleizen het gejank van jakhalzen. Haar tijd is gekomen en haar dagen zullen niet worden verlengd.’+

Voetnoten

Of ‘signaalmast’.
Lett.: ‘mijn geheiligden’.
Lett.: ‘en zijn Kesils’, misschien Orion en de sterrenbeelden eromheen.
Of ‘gelouterd’.
Lett.: ‘de vrucht van de schoot’.
Of mogelijk ‘demonen in bokkengedaante’.