Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWEWERELDVERTALING VAN DE BIJBEL (HERZIENING 2017) 

Jeremia 51:1-64

INHOUD

  • Profetie tegen Babylon (1-64)

    • Babylons plotselinge val door Meden (8-12)

    • Boek in Eufraat gegooid (59-64)

51  Dit zegt Jehovah: ‘Een verwoestende wind stuur ik af op Babylon+ en de inwoners van Leb-Kama̱i̱.*   Ik zal mensen sturen om Babylon te wannen. Ze zullen haar wannen en haar land leeg achterlaten. Van alle kanten zullen ze op haar af komen op de dag van onheil.+   Laat de boogschutter zijn boog niet spannen.* En laat niemand die een pantser* draagt, gaan staan. Heb geen medelijden met haar jonge mannen.+ Bestem haar hele leger voor de vernietiging.   Ze zullen sneuvelen in het land van de Chaldeeën en doorstoken op haar straten liggen.+   Israël en Juda zijn niet als weduwe achtergelaten door hun God, Jehovah van de legermachten.+ Maar hun land* is vol schuld vanuit het standpunt van de Heilige van Israël.   Vlucht uit Babylon weg en ren voor je leven.*+ Kom niet om vanwege haar fouten. Want de tijd van Jehovah’s wraak is gekomen. Hij laat haar boeten voor haar daden.+   Babylon is een gouden beker geweest in de hand van Jehovah. Ze maakte de hele aarde dronken. De volken hebben van haar wijn gedronken.+ Daarom hebben de volken hun verstand verloren.+   Plotseling is Babylon gevallen en gebroken.+ Huil om haar!+ Haal balsem voor haar pijn, misschien is ze te genezen.’   ‘Wij probeerden Babylon te genezen, maar ze was niet te genezen. Verlaat haar en laten we allemaal naar ons eigen land gaan.+ Want haar schuld* heeft zich opgestapeld tot aan de hemel en reikt tot aan de wolken.+ 10  Jehovah heeft ons recht gebracht.+ Kom, laten we in Sion vertellen wat Jehovah, onze God, heeft gedaan.’+ 11  ‘Polijst de pijlen,+ neem de ronde schilden op.* Jehovah heeft de koningen van de Meden aangevuurd*+ omdat hij Babylon wil vernietigen. Want dit is de wraak van Jehovah, de wraak voor zijn tempel. 12  Stel een signaal*+ op tegen de muren van Babylon. Versterk de wacht, zet wachtposten uit. Laat degenen die in hinderlaag liggen zich klaar houden. Want Jehovah heeft een strategie uitgedacht en hij zal doen wat hij de inwoners van Babylon heeft aangekondigd.’+ 13  ‘Vrouw die woont aan veel waterstromen,+ met grote rijkdommen,+ je eind is gekomen, de maat van je winstmakerij is vol.+ 14  Jehovah van de legermachten heeft bij zichzelf* gezworen: “Ik zal je vullen met mensen, als sprinkhanen zo veel, en ze zullen triomfantelijk over je juichen.”+ 15  Hij is de Maker van de aarde door zijn kracht. Hij heeft het land* gefundeerd door zijn wijsheid+ en de hemel uitgespannen door zijn verstand.+ 16  Als hij zijn stem laat horen komt het water in de hemel in beroering, en hij laat wolken* opstijgen van de uiteinden van de aarde. Hij maakt bliksemflitsen bij* de regen en haalt de wind uit zijn opslagplaatsen.+ 17  Ieder mens gedraagt zich onverstandig, zonder kennis. Iedere smid staat schande te wachten vanwege zijn beeld,+ want zijn metalen* beeld is een leugen en er is geen geest* in.+ 18  Ze zijn een illusie,*+ bespottelijke maaksels. Als de dag van afrekening komt, zullen ze vergaan. 19  Het Deel van Jakob is niet als die dingen, want hij is de Maker van alles, zelfs van de staf van zijn erfdeel.+ Jehovah van de legermachten is zijn naam.’+ 20  ‘Je bent een strijdknots voor me, een wapen voor de strijd. Met jou verbrijzel ik volken, met jou vernietig ik koninkrijken. 21  Met jou verbrijzel ik paarden en ruiters. Met jou verbrijzel ik strijdwagens en menners. 22  Met jou verbrijzel ik mannen en vrouwen. Met jou verbrijzel ik oude mannen en jongens. Met jou verbrijzel ik jonge mannen en vrouwen. 23  Met jou verbrijzel ik herders en hun kudde. Met jou verbrijzel ik boeren en hun ploegdieren. Met jou verbrijzel ik gouverneurs en bestuurders. 24  En ik laat Babylon en alle inwoners van Chalde̱a boeten voor alle slechte dingen die ze voor jullie ogen in Sion hebben gedaan’,+ verklaart Jehovah. 25  ‘Ik ben tegen je,+ verwoestende berg,’ verklaart Jehovah, ‘jij die de hele aarde vernietigt.+ Ik zal mijn hand tegen je opheffen, je van de rotsen afrollen en een afgebrande berg van je maken.’ 26  ‘Men zal geen hoeksteen en ook geen fundamentsteen uit je halen, want je zult voor altijd een woestenij worden’,+ verklaart Jehovah. 27  ‘Stel een signaal op in het land.+ Blaas de hoorn onder de volken. Zet de volken tegen haar in.* Roep de koninkrijken van A̱rarat,+ Mi̱nni en A̱skenaz+ tegen haar op.+ Stel een werfofficier tegen haar aan. Laat de paarden optrekken als krioelende* sprinkhanen. 28  Stel volken aan om tegen haar te strijden,* de koningen van Me̱dië,+ zijn gouverneurs en al zijn bestuurders en alle landen waarover ze regeren. 29  De aarde zal schudden en beven, want wat Jehovah tegen Babylon heeft uitgedacht zal gebeuren, om van het land Babylon een schrikbeeld te maken, zonder inwoners.+ 30  De strijders van Babylon zijn opgehouden met vechten. Ze zitten in hun vestingen. Hun krachten begeven het.+ Ze zijn als vrouwen geworden.+ Haar huizen zijn in brand gestoken. Haar grendels zijn gebroken.+ 31  De ene koerier rent de andere koerier tegemoet en de ene boodschapper rent naar de andere boodschapper om de koning van Babylon te melden dat zijn stad van alle kanten is ingenomen,+ 32  dat de oversteekplaatsen zijn veroverd,+ dat de papyrusboten zijn verbrand en dat de soldaten doodsbang zijn.’ 33  Want dit zegt Jehovah van de legermachten, de God van Israël: ‘De dochter Babylon is als een dorsvloer. Het is tijd om haar aan te stampen. Heel binnenkort komt de tijd voor haar oogst.’ 34  ‘Koning Nebukadne̱zar* van Babylon heeft mij verslonden.+ Hij heeft me in verwarring gebracht. Hij heeft me weggezet als een leeg vat. Hij heeft me opgeslokt zoals een grote slang doet.+ Hij heeft zijn maag gevuld met mijn goede dingen. Hij heeft me weggespoeld. 35  “Laat het geweld dat mij is aangedaan, dat mijn persoon is aangedaan, Babylon treffen!”, zegt de inwoner van Sion.+ “En laat mijn bloed de inwoners van Chalde̱a aangerekend worden!”, zegt Jeruzalem.’ 36  Daarom zegt Jehovah: ‘Ik bepleit je zaak+ en ik zal wraak voor je nemen.+ Ik zal haar zee droogleggen en haar bronnen laten opdrogen.+ 37  En Babylon zal veranderen in steenhopen,+ een hol van jakhalzen,+ een schrikbeeld en een aanfluiting, zonder inwoners.+ 38  Samen zullen ze brullen als jonge leeuwen.* Ze zullen grommen als leeuwenwelpen.’ 39  ‘Wanneer ze opgewonden zijn, zal ik een feestmaal voor ze klaarmaken en ze dronken voeren, zodat ze vrolijk worden.+ Dan zullen ze voorgoed slapen, ze worden nooit meer wakker’,+ verklaart Jehovah. 40  ‘Ik zal ze afvoeren als lammeren naar de slacht, als rammen samen met bokken.’ 41  ‘Ach, Se̱sach* is ingenomen+ en de Roem van de hele aarde is veroverd!+ Babylon is een schrikbeeld onder de volken geworden! 42  De zee heeft Babylon overspoeld. Ze is bedekt door een massa golven. 43  Haar steden zijn een schrikbeeld geworden, een dorre streek en een woestijn. Een streek waar niemand woont en waar geen mens doorheen trekt.+ 44  Ik zal mijn aandacht op Bel+ in Babylon richten en ik zal uit zijn mond halen wat hij heeft verslonden.+ Er zullen geen volken meer naar hem toe stromen. En de muur van Babylon zal instorten.+ 45  Ga uit haar weg, mijn volk!+ Ren voor je leven,*+ weg van de brandende woede van Jehovah!+ 46  Laat de moed niet zakken en wees niet bang voor het bericht dat in het land te horen zal zijn. In het ene jaar zal het bericht komen, en in het jaar daarna weer een bericht, over geweld in het land en over heerser tegen heerser. 47  Luister daarom! Er komt een tijd dat ik mijn aandacht zal richten op de beelden van Babylon. Haar hele land zal te schande gemaakt worden en al haar gesneuvelden zullen in haar midden liggen.+ 48  De hemel en de aarde en alles wat erbij hoort, zullen juichen over Babylon,+ want de verwoesters zullen uit het noorden op haar af komen’,+ verklaart Jehovah. 49  ‘Babylon heeft er niet alleen voor gezorgd dat de slachtoffers van Israël zijn gevallen,+ maar in Babylon zijn ook de slachtoffers van de hele aarde gevallen. 50  Jullie die ontsnappen aan het zwaard, loop door, blijf niet staan!+ Denk van ver weg aan Jehovah en houd Jeruzalem in gedachte.’*+ 51  ‘We voelen ons vernederd, want we hebben beledigingen gehoord. Ons gezicht is met schande bedekt, want buitenlanders* zijn opgetrokken tegen de heilige plaatsen van het huis van Jehovah.’+ 52  ‘Luister daarom! Er komt een tijd’, verklaart Jehovah, ‘dat ik mijn aandacht zal richten op haar beelden, en overal in haar land zullen de gewonden kreunen.’+ 53  ‘Ook al stijgt Babylon op naar de hemel,+ al versterkt ze haar torenhoge vestingen, toch zullen de verwoesters die ik stuur haar bereiken’,+ verklaart Jehovah. 54  ‘Luister! Er klinkt geschreeuw uit Babylon,+ het geluid van een grote verwoesting komt uit het land van de Chaldeeën,+ 55  want Jehovah vernietigt Babylon, hij zal haar lawaai laten verstommen, en hun golven zullen bulderen als vele wateren. Het geluid van hun stem zal te horen zijn. 56  Want de verwoester zal op Babylon af komen.+ Haar strijders zullen gevangengenomen worden.+ Hun bogen zullen stukgeslagen worden, want Jehovah is een God van vergelding.+ Hij zal beslist afrekening houden.+ 57  Ik zal haar leiders en wijze mannen dronken maken,+ haar gouverneurs, bestuurders en strijders. Ze zullen voorgoed slapen, ze worden nooit meer wakker’,+ verklaart de Koning, wiens naam Jehovah van de legermachten is. 58  Dit zegt Jehovah van de legermachten: ‘De muur van Babylon, al is hij breed, zal totaal afgebroken worden,+ en haar poorten, al zijn ze hoog, zullen in vlammen opgaan. De volken zullen voor niets zwoegen. De naties zullen zich afmatten alleen maar om het vuur te voeden.’+ 59  Dit is het woord dat de profeet Jeremia als een gebod gaf aan Sera̱ja, de zoon van Neri̱a,+ de zoon van Machse̱ja, toen hij met koning Zedeki̱a van Juda naar Babylon ging in het vierde jaar van zijn regering; Sera̱ja was de kwartiermeester. 60  Jeremia schreef alle ellende die Babylon zou overkomen op in een boek, al deze woorden die over Babylon geschreven zijn. 61  Daarna zei Jeremia tegen Sera̱ja: ‘Wanneer je bij Babylon komt en haar ziet, dan moet je al deze woorden voorlezen. 62  En zeg dan: “O Jehovah, u hebt over deze plaats gezegd dat die vernietigd zal worden en dat er niemand meer zal wonen, geen mens of dier, en dat ze voor altijd een woestenij zal worden.”+ 63  En als je het boek helemaal hebt voorgelezen, moet je er een steen aan vastbinden en het midden in de Eufraat gooien. 64  Zeg dan: “Zo zal Babylon wegzinken en nooit meer bovenkomen+ door de rampen die ik over haar breng, en men zal uitgeput zijn.”’+ Tot zover de woorden van Jeremia.

Voetnoten

Blijkbaar een cryptografische naam voor Chaldea.
Lett.: ‘treden’.
Of ‘maliënkolder’, ‘wapenrok’.
D.w.z. het land van de Chaldeeën.
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘oordeel’.
Of mogelijk ‘vul de pijlkokers’.
Lett.: ‘de geest opgewekt’.
Of ‘signaalmast’.
Of ‘zijn ziel’.
Of ‘productieve land’.
Of ‘dampen’.
Of mogelijk ‘sluizen voor’.
Of ‘gegoten’.
Of ‘adem’.
Of ‘zinloosheid’.
Lett.: ‘Heilig volken tegen haar.’
Of ‘borstelige’.
Lett.: ‘heilig volken tegen haar’.
Lett.: ‘Nebukadrezar’, een spellingsvariant.
Of ‘jonge leeuwen met manen’.
Blijkbaar een cryptografische naam voor Babel (Babylon).
Of ‘ziel’.
Lett.: ‘je hart’.
Of ‘vreemdelingen’.